+ Meer informatie

Blijde en droeve tijden.

6 minuten leestijd

De Oosterling staat bekend als een groot minnaar van vrolijke feesten. Zo is het nu, zo was het ook bij Israël.

Was - er geboorte, besnijdenis, spening, huwelijk, men feestte. Ook de oogst, de wijnlezing, het schaapsscheren, ging gepaard met het hoogste vreugdebetoon.

De Oosterling is ook zeer gastvrij. Kwam een gast op een feest terecht, hij moest mee aanzitten en mee genieten. Men beoordele nu de houding van Nabal tegenover' David.

En al was er geen bijzonder feest, de gast was altijd welkom. Men drong er bij hem op aan binnen te komen, wies zijn voeten, richtte een feest maaltijd aan; en bij het afscheid deed men hem uitgeleide. Gen. 18 : 3, 4; 19 : 2.

Er was ook een gastrecht; d.w.z. men beschouwde het als een gruwel, iemand, met wie men gegeten had, te verraden. Ps. 41:10; Joh. 13 : 18.

Vr. Hoe moeten wij de daad van Jaël beschouwen?

Richt. 4 : 17—21; verg.'met Richt. 5 : 24 v.v.

De begroetingen waren niet zo conventioneel als de onze; zij waren, integendeel, zeer zinrijk.

Zo lezen wij van: Vrede zij u." Richt. 19 : 20; Luk. 24 : 36.

Bekend is de groet van Boaz en zijn personeel: De Heere zij met ulieden". „De Heere zegene u." Ruth 2 : 4. Voorts: God zij u genadig". „Vrede zij u en uwen huize". De afscheidsgroet luidde: Ga heen in vrede".

Nu kon het gebeuren, dat men zich met zijn groet in de persoon vergiste. In dat geval vorderde men de groet terug: an liet men zijn vrede tot zich wederkeren. Matth. 10 : 13.

Zeer omslachtig waren de begroetingen tussen verwanten en vrienden. Men viel elkaar om de hals; men kuste voorhoofd, wang, mond, baard of schouder. Een stroom van zegewensen vloeide, waarbij de een de ander zocht te overtreffen.

Geen wonder, dat Elisa tot zijn jongen en de Heere Jezus tot Zijn jongeren sprak: Groet niemand ep de weg". 2 Kon. 4 : 29; Luk. 10 : 4.

Een koning werd begroet met: „De koning leve", of: „O, koning leef in eeuwigheid".

Bezocht men een hooggeplaatste, dan boog men zich ter aarde en benoemde zich met: Uw knecht; uw dienstmaagd". Ja, men gaf zich zelf wel een scheldnaam. Gen. 18 : 2; 1 Sam. 17 : 34; 2 Sam. 9 : 8.

Bij sterfgevallen ging het ook zeer luidruchtig toe. Was iemand gestorven, zo werden hem of haar de' ogen toegedrukt. Men wies het lijk en wikkelde het öf in de eigen kleren óf in verschillende doeken Van ffln lijnwaad; om het hoofd de zweetdoek. Gen. 46:4; Hand. 9 : 37; Matth. 27 : 59.

In verband met het warme klimaat moest direct begraven worden, waarbij men gebruik maakte van een baar; het lijk al of niet in een kist. In het sterfhuis maakte men een hevig spektakel. De geburinnen of gehuurde klaagvrouwen zongen klaagliederen, door treurmuziek begeleid. Men scheurde 't opperkleed, zat op de grond, legde een „zak" om de leden, strooide as op het hoofd en rondom zich, en ging blootshoofds en barrevoets. Men vastte tot de avond en reikte daarna elkaar het treurbrood en de tróostbeker. Jer. 9 : 17; Matth. 9 : 23; Job 2 : 8, 12; Gen. 37 : 34; Jer. 16 : 6, 7.

De vorm der graven was zeer verschillend. Soms waren het spelonken, soms kuilen in de grond, evenals bij ons, soms ovenvormjp'e ruimten (z.g. schuifgraven), in de rotswand uitgcnouwen. In de dagen van het N.T. hadden aanzienlijken graven, die zeer eigenaardig ingericht waren. Het waren natuurlijk rotsgraven. Door een kleine deuropening kwam men in een kamertje van 2.75 m in 't vierkant en 1.70 m. hoog.

De deuropening kon afgesloten worden door een rolsteen; ook werd wel een vierkante sluitsteen gebruikt.

Teneinde' goed zichtbaar te zijn, werd zo'n steen elk jaar witgepleisterd. Immers aanraking maakte iemand onrein.

In het kamertje stonden aan 3 zijden stenen banken hoog 1 m, breed 0.75 m.

Op een dezer banken legde men het lijk reeds op de sterfdag neer, om het daarna verder te behandelen (te balsemen).

Was dit gescnied zo schoof men het in een der aanwezige schuifgraven en sloot de opening zorgvuldig toe.

Na een paar jaar waren de zachte delen tot stof vergaan. Men borg dan de resten in een stenen kist, sloot deze af, voorzag ze met de naam des gestorvenen en liet ze öf in het dodenkamertje staan, óf men borg ze weer in het schuifgraf.

Men heeft rotsgraven gevonden, die door middel van een nauwe en lage gang met 4 of 5 er achter liggende dodenkamers verbonden waren; blijkbaar de rustplaats van een geheel geslacht.

De graven bevonden zich buiten de stad. Luk. 7 : 12; Joh. 11 : 30. Koningen en profeten hadden hun rustplaats in de stad.

Ook komen algemene begraafplaatsen voor; maar deze waren voor armen en vreemdelingen. 2 Kron. 28 : 6; Matth. 27 : 7.

Men leze nu eens, wat de koning Jojakim .deed % met de profeet Uria. Jer. 26 : 23.

In Jer. 22 : 18—20 lezen wij van een ezelsbegrafenis. Het trof die genoemde goddeloze Jojakim: en. sleepte hem over de grond en wierp het lijk weg, gelijk men dat doet met een dode ezel.

Niet begraven worden beschouwde men dan ook als een vreselijke straf en een grote schande. Zelfs een ter dood gebrachte misdadiger moest nog begraven worden. Deut. 21 : 23.

Lijkverbranding kwam zelden voor; alleen in buitengewone omstandigheden.

Lees daartoe 1 Sam. 31 : 12, 13. De mannen van

Jabes wilden de lijken van Saul en zijn zonen voor verdere schennis bewaren.

In ieder geval werden daarna toch de beenderen begraven. Verg. ook Amos 6 : 10.

strafmaat-Verder kwam lijkverbranding voor als regel. Lev. 20 : 14.

Nu nog een en ander over de balseming. Deze geschiedde'op meer of minder kostbare wijze. De Egyptische manier nam volgens Gen. 50 : 3 40 dagen in besling.

Men verwijderde de hersenen en de ingewanden van borst-en buikholte, behandelde deze ruimten met bederfwerende stoffen en vulde ze öp met welriekende stoffen (myrrhe en cassie). Daarna werd het lijk met lange zwachtels omwonden, waartussen ook weer bederfwerende stoffen werden aangebracht.

Hiermee was de balseming afgelopen. De mummie werd nu door de artsen aan de familie teruggegeven, die het lijk in een houten (van moerbeibomen) of stenen kist (sarkophaag) legde en daarop bijzette in de grafkamer. De rouwtjjd was verschillend. In 1 Sam. 31 : 13 lezen wij van een rouw van 7 dagen. Over Aaron en Mozes werd 30 dagen gerouwd. Num. 20 : 29; Deut. 34 : 8.

Opmerkelijk is de rouw over Jacob. Zoals bekend duurde deze 70 dagen. De koningsrouw duurde in Egypte 72 dagen; zodat Jacob beschouwd werd te behoren tot de hooggeplaatsten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.