+ Meer informatie

ACHT GEVEN OP ELKAAR

13 minuten leestijd

Enkele Inleidende opmerkingen

We voelen allemaal wel aan waar het over gaat. Maar tegelijk beseffen we hoe moeilijk dat is. De mens van nu laat zich niet zo gemakkelijk meer iets gezeggen. Hij maakt het zeit wel uit. Van alle kanten hoort hij het immers dat hij zeit zijn eigen leven mag invullen. Het past niet meer in onze moderne samenleving, waarin het individualisme hoogtij viert, elkaar tot de orde te roepen.

Ik meen te mogen stellen dat dit individualisme ook in de kerk zichtbaar is. Ook kerkmensen zijn kinderen van hun tijd, ondergaan de invloed van hun tijd. Als we de blik op onszelf richten nemen we waar dat we het maar moeilijk verdragen kunnen om gecorrigeerd te worden. Nu weet ik wel dat dit de zondige mens altijd eigen geweest is. Hij is gauw op z’n teentjes getrapt en prikkelbaar als hij vermaand wordt. Er is genade voor nodig om te buigen. Ik bedoel echter te zeggen dat het huidige klimaat ook ons geen goed doet. Dat we buitengewoon waakzaam hebben te zijn en heel dicht bij het Woord van de Heere hebben te leven.

Dan ontdekken we met hoeveel zorg, met hoeveel liefde de Heere Zijn volk, Zijn gemeente omringt. Geen moment verliest Hij Zijn volk uit het oog. Maar we ontdekken ook dat het volk Israël nog al eens van de Heere afdwaalt, op eigen gekozen wegen gaat en Zijn stem niet gehoorzaam is.

Dan roept de Heere Zijn volk tot de orde, vermaant Hij het, met als doel het voor de zonde te bewaren en op de rechte weg te houden. Dat is een geweidige zegen! Niet anders is het in het Nieuwe Testament.

Schrlftgegevens

We komen de gemeente tegen onder het beeld van een kudde, Matth.18:12-14. Hoe groot is de zorg van de goede Herder voor het afgedwaalde schaap. En wie kent niet het beeld dat Paulus met betrekking tot de gemeente gebruikt in 1 Kor. 12: “En gijlieden zijt het lichaam van Christus”.

We worden hier gewezen op de verantwoordelijkheid voor elkaar. We moeten dit beleven door acht te geven op elkaar.

Terzake van ons onderwerp komen we in het Nieuwe Testament verschillende woorden tegen, die onze aandacht vragen. Allereerst dan de bekende tekst Hebr. 10:24 en 25: “En laat ons op elkaar acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken; En laat ons onze onderlinge bijeenkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkaar vermanen..”.

Prof.dr. J.P. Versteeg wijst er in “Oog voor elkaar” op, dat de uitdrukking “acht geven op” vaak een negatieve klank heeft. Hij stelt hier de vraag of men te veel in negatieve zin op elkaar lette en vervolgt dan: “Wat negatief werkte wordt dan door de schrijver van de brief aan de Hebreeën positief omgezet. Nooit kan men te veel op elkaar letten, wanneer het maar op het goede gericht is…”.

In de hier genoemde tekst komen we ook het woord vermanen tegen, evenals in Hebr. 3:13, 1 Thess. 4:18, 5:11 en andere plaatsen.

Het oorspronkelijke woord kan ook vertroosten betekenen.

Letterlijk zouden we het werkwoord kunnen vertalen met: erbij roepen, naast zich roepen, tot zich roepen.

“Stelt u voor, dat een vader z’n kind iets kwaads ziet doen of iets gevaarlijks. Dan roept hij dat kind bij zich: “Korn jij eens hier”. En dan vermaant hij het daarmee op te houden. Zo begrijpen we, dat “bij zich roepen” kan betekenen: “vermanen”. Maar stelt u ook eens voor, dat een vader z’n kind ziet schreien. Dan roept hij dat kind weer bij zich. En dan troost hij het. Zo verstaan we, dat “bij zich roepen” ook kan betekenen “troosten” (prof. dr. H.J. Jager in Kernwoorden van het Nieuwe Testament 1).

In 1 Petr. 5 :2 lezen we: “Weidt de kudde Gods, die onder u is, hebbende opzicht daarover…”. In Hebr. 12:15 lezen we de vertaling: “Toeziende, dat niemand verachtere van de genade Gods…”. In Hand. 20:28 gaat het over opzieners: “Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden…”.

Het is de taak van de opzieners om opzicht te houden over de kudde. Het werkwoord geeft al aan dat dit werk alleen maar gedaan kan worden vanuit het bewustzijn van verantwoordelijkheid voor de ander.

Het heeft daarom ook niet de nare bijsmaak van bazigheid en bemoeizucht. Het betreft het bewogen omzien naar, net zich bekommeren om.

Bij allerlei werkzaamheden die met “opzicht houden” verband houden, komen we de genoemde intenties tegen.

Samenvattend kunnen wij zeggen dat het toezien op de gemeente een veelheid van werkzaamheden bevat. Die werkzaamheden moeten gedaan worden vanuit het bewustzijn van de verantwoordelijkheid voor de ander en in bekommernis om de ander.

Ze moeten gedaan worden in geduld, zachtmoedigheid en liefde van Christus, de goede Herder, 1 Tim. 4:13, 5:1, 6:2, 2 Tim. 4:2, Tit. 2:6 en 15.

Belijdenlsgeschrlften

Graag wil ik ook verwijzen naar art. 28 van de Ned. Gel. Belijdenis en zondag 21 van de H. Catechismus. In genoemd artikel lezen we met betrekking tot de kerk: “…dat niemand, van wat staat of kwaliteit hij zij, zich behoort op zichzelf te houden, om op zijn eigen persoon te staan; maar dat zij allen schuldig zijn, zichzelf daarbij te voegen en daarmede te verenigen; …en dienende de opbouwing der broederen, naar de gaven, die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten eenszelfden lichaams”.

In antwoord 55 (zondag 21 H.C.) staat: “dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden”.

Wie er bij betrokken zijn

Allereerst God Zelf. Hij ziet in de Heere Jezus Christus op Zijn gemeente toe. De Heere Jezus wordt in 1 Petr. 2:25 genoemd “de Herder en Opziener uwer zielen”.

Vervolgens de apostelen. Zij hebben daartoe opdracht van hun Heere en Heiland. Zij treden op met vermaning en vertroosting.

Verder lezen we in het Nieuwe Testament dat elke gemeente ouderlingen of opzieners kreeg, Hand. 14:23, 1 Tim. 3:1, Titus 1:5. In Filippenzen 1:1 worden zij met de diakenen genoemd. Maar we moeten er wel op letten dat Paulus de brief schreef aan “al de heiligen in Christus, die te Filippi zijn, met de opzieners en diakenen”. Eerst aan “al de heiligen”.

Ook de andere brieven van Paulus zijn geschreven aan de gemeenten of aan de heiligen. Ook Petrus begint zijn brieven niet wezenlijk anders.

Ook in de aangehaalde teksten uit Hebreeën is heel duidelijk dat de gemeenteleden erbij betrokken zijn. Het betreft het acht geven op elkaar. Zo las ik ergens dat het een wezenlijk kenmerk van opzicht houden over de gemeente is, dat het geschiedt door de leden van de gemeente ten opzichte van elkaar.

Al de gelovigen worden opgeroepen elkaar te vermanen, op elkaar toe te zien en op elkaar acht te hebben.

“We moeten die verantwoordelijkheid beleven door op elkaar te letten, zo nodig de medegelovige aan te spreken, te vermanen en aan te vuren. We vormen allen tezamen immers één lichaam. Als in de gemeente één lid lijdt, lijdt het geheel van de gemeente en lijden alle leden mee. Als één lid afwijkt, zich te buiten gaat in leer of leven, of afvalt, dan betekent dat een beschadiging van de eenheid, een breuk van de gemeenschap. Wie zal dat niet ter harte gaan? Dit raakt dan ons allen. In de onderlinge vermaning, in het toezien op elkaar gaat het om het bewaren en het beleven van de eenheid des geloofs.

In deze vermaning van elkaar komt God, die door de Heilige Geest in de gemeente woont, tot de afwijkende en dwalende mens. De oproep is daarom geladen en ernstig. Ze dwingt de mens terug te keren tot de liefde van God en van de gemeente. Ze is een wezensfunetie van het lichaam van Christus, dat leeft in de gemeenschap des Geestes” (dr. T. Brienen in “Onderlinge Dienst”, pag.33).

De gemeente draagt zelf verantwoordelijkheid. Zij behoort actief, mondig te zijn. Het mag niet zo zijn, dat zij het toezien op elkaar aan de ambtsdragers overlaat. De ambtsdragers hebben de gemeente hierin op te voeden. Is het niet zo dat in Rom. 12:8 de vermaning gerekend wordt bij de gaven die aan de gelovigen geschonken zijn? Het zou een omissie zijn als we het onderwijs van de Heere Jezus in Matth. 18:15-19 in dit verband niet zouden noemen.

Heel dit onderwerp rieht zich op het behoud van de zondaar. “Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen…”

Alles wat we reeds eerder opmerkten, staat tegen de achtergrond van dit onderwijs van de Heere Jezus.

En nu de praktijk

Op een gemeenteavond, die me altijd helder bijgebleven is, sprak een broeder zijn grote zorg uit over de randkerkelijken binnen de gemeente. Hij kwam werkelijk heel bewogen over en je voelde allerwege instemming met zijn betoog. Maar het verdrietige was dat hij meende dat hij zelf nu vrijuit ging nu hij het de kerkeraad had aangezegd. Door de jaren heen ben ik er wel achter gekomen dat er zo veel in de gemeente wordt gedacht. Als de kerkeraad het maar weet of als de dominee het maar weet. Maar we dragen zoals we zagen, allen persoonlijk verantwoordelijkheid voor elkaar. Het is nodig dat we hier voortdurend op gewezen worden. Dat kan in de prediking, tijdens de huisbezoeken, op de catechisaties, op de verenigingsavonden, op de bijbelkringen enz.

Het trof mij wat prof. dr. H.J. Jager naar aanleiding van Lev. 19:17 opmerkt: “We mogen een broeder niet haten. Dat doen we als we hem niet waarschuwen of vermanen, terwijl we zien dat hij zondigt. Want dan kan door onze schuld de broeder verloren gaan. We zullen hem lief hebben als onszelf. Zouden wij graag door de schuld van een ander omkomen? Welnu, dan moeten we dat een ander ook niet aandoen”.

Even verder zegt hij naar aanleiding van Matth. 18:15: “De bedoeling moet natuurlijk zijn om de zondigende broeder te behouden of te winnen. Want als hij op een zondige weg doorgaat, kan hij helemaal ten val komen en in de hei terecht komen. Zouden wij iemand naar de hei willen laten lopen? Dan zouden we hem toch wel haten! Maar als wij van iemand houden dan zullen we hem vermanen als hij een verkeerde kant uitgaat” (a.w., pag. 199).

Op een belijdeniskring, waar we het mooie boekje van prof. dr. W.H. Velema “Een levende gemeente” behandelden, kwamen we ongemerkt ook bij ons onderwerp terecht. De ene vraag lokte de andere weer uit.

In een levende gemeente geef je natuurlijk acht op elkaar. Maar hoe doe je dit? En hoever reikt dat dan? Want wat voor de een zonde is, behoeft het voor de ander nog niet te zijn. En moet de een de ander niet uitnemender achten dan zichzelf?

Waar we op elkaar acht hebben te geven, is het van primair belang dat we eerst acht geven op onszelf. Hoe staan wij zelf ten opzichte van de Heere en Zijn dienst? Wordt er bij onszelf een hartelijke geloofsovergave aan de Heere gevonden en is Zijn dienst voor ons een liefdedienst?

Want hoe zullen we de ander op zijn slordige kerkgang aanspreken als we niet zelf het voorbeeld geven? Dan heeft het iets onechts, dan komen we niet overtuigend over. De ander moet merken dat de liefde van Christus ons dringt en dat we zijn of haar behoud zoeken.

Nu zijn wij zelf natuurlijk nooit bij machte die leden die van de kerk dreigen te vervreemden, terug te brengen. Maar de Heere wel. Hij schakelt ons daarbij in, wil ons daarbij gebruiken als instrumenten in Zijn hand. Wat geeft het een diepe vreugde vrucht ook op deze arbeid te mogen zien. Vreugde, als een broeder of zuster of een jongere weer terugkeert tot de dienst van de Heere.

Vreugde als schuld beleden wordt voor de Heere, maar ook voor de naaste.

Het is mijn ervaring dat dit ook het eigen geestelijke leven verrijkt. Want wat hebben we er de Heere bij nodig, in het zoeken van de ander. Het kan niet zonder gebed waarin de Heere gevraagd wordt de juiste woorden te mogen spreken, om met ootmoed bekleed te mogen zijn. Om niet boven, maar naast de ander te mogen staan. Vanuit het diepe besef dat we allemaal dezelfde genade nodig hebben om te kunnen leven en te kunnen sterven.

Op die belijdeniskring werd ook gevraagd naar de grenzen. De vraag werd zo gesteld: “Waar gaat het acht geven op elkaar over in bemoeizucht?”. Er kwam een vrij simpel antwoord: “Als je je bemoeit met dingen waar je niets mee te maken hebt, waarin je de ander vrij moet laten”.

In z’n algemeenheid zou je kunnen zeggen: waar het zaken betreft die de verhouding tot de Heere niet schaden. Waar je mee voor het aangezicht van de Heere kunt komen. Maar dit is natuurlijk wel subjectief. Daarom ligt dit ook zo moeilijk. Wat de een verantwoord acht, wijst de ander af.

Op de catechisatie vroeger bij ds. Jongeleen hadden we natuurlijk ook vele vragen. Buurjongens mochten dit wel en wij niet enz. Ds. Jongeleen keek dan de kring eens heel begrijpend, heel vriendelijk rond en zei steevast. “Och, jongens, je mag alles waar je de Heere om vragen en voor danken kunt”. We vonden dat toen wel eens een erg goedkoop antwoord. Maar het is me altijd bijgebleven.

Het lijkt mij moeilijk de ander aan te spreken op z’n dure auto, z’n tweede huis, z’n buitenlandse vakantie, zijn of haar exclusieve kleding enz. Wel moet aan de geldbesteding aandacht besteed worden in de prediking, verenigingen enz.

Want als het hart van al die dingen vol is, staat dat een gezond geestelijk leven in de weg.

En al die andere dingen dan, zoals bijvoorbeeld de media? Nog niet zo heel lang geleden maakte een echtpaar op een late zondagavond een korte wandeling voor het slapen gaan. Ze werden onaangenaam verrast toen ze bij een broeder en een zuster van hetzelfde huis de televisie aan zagen staan. De andere dag: “Dominee, daar moet u toch eens heen. Zo laat op de avond deugen de programma’s niet meer. En dan nog wel op zondagavond”. Inhoudelijk was ik het met hun kritiek best eens, maar niet met het schijnbaar vanzelfsprekende dat ìk er heen moest. Zij hadden daar zelf die avond aan moeten bellen.

Wat er zoal gelezen en gezien kan worden, is meer dan erg. We hebben hier zeker een opvoedende taak ten opzichte van elkaar.

In het begin merkte ik op dat acht geven op elkaar moeilijk is. Helemaal in het klimaat waarin wij leven. Helemaal in deze wereld waarin het individu zo op zichzelf gesteld is.

En toch… waar de liefde van Christus dringt, daar worden barrières genomen in Zijn kracht. Daar gaat het om de eer van de Koning, om het behoud van Zijn onderdanen. Dan is het acht geven op elkaar een liefdedienst.

Ds. J.H. Velema schrijft in “Waarom leef ik in deze tijd?”: “Geen haat en nijd, maar liefde en inzet voor elkaar kenmerken het gezinsleven, waar Christus niet alleen de onzichtbare Gast is, maar het Hoofd en de Heere van het huis.

Waar liefde woont, daar woont de Heere en daar is het leven tot in eeuwigheid, te beginnen in deze tijd” (pag. 32).

Zijn deze woorden ook niet van toepassing op de gemeente?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.