+ Meer informatie

Lazarus’ opwekking

8 minuten leestijd

En de gestorvene kwam uit. (Joh. 11 : 44A.)

Een gestorvene is een mens die waarlijk dood is. De bezoldiging der zonde is de dood. De dood is dus het rechtvaardig en rechtmatig verdiende en uitbetaalde loon op de zonde. Ze is te onderscheiden in een geestelijke, lichamelijke en eeuwige dood. En dit betreft allen, die uit Adam geboren worden. Niemand kan zich er aan onttrekken. Ook Lazarus niet! Ook wij niet! Lazarus was een zeer bevoorrecht persoon; Jezus had hem lief. Niet omdat Lazarus Jezus lief had, maar Jezus had Lazarus eerst lief gehad, en als vrucht daarvan bekwam Lazarus in zijn hart en leven liefde tot Jezus.

Jezus' liefde tot Lazarus was de vrucht van de souvereine verkiezende liefde des Vaders en van des Vaders gift van Lazarus aan de Zoon als Hoofd en Borg en Middelaar. God zoekt in Christus Zijn eeuwige glorie in Lazarus, tot zijn zaligheid. De Middelaarsbediening van Christus zal in Lazarus groot en heerlijk gemaakt worden.

Lazarus is gestorven, ondanks de werkzaamheden van Martha en Maria tot de Heere Jezus, of hij toch zou mogen blijven leven. Lazarus is gestorven en begraven, hij is waarlijk dood. Zo staan wij dan in de geest bij zijn graf.

Och, dat wij er eens wat uit leren mogen. Zo zien we dan allereerst, dat er aan 's mensen leven een einde komt. Wanneer zulks is, is ons onbekend. Dit kan zijn in de ouderdom, maar kan evenzo ook geschieden in onze jonge jaren. Houden onze jonge mensen ook rekening met dit feit? De dood beslist ons eeuwig lot. Lazarus' ziel was in de hemel. Maar dat is niet het deel van alle gestorvenen. Lazarus had in zijn leven genade van God in Christus mogen ontvangen. Hij had een missenstijd, een zoekenstijd en een vindenstijd mogen doorleven. Hij had dit uit Gods nederbuigende goedheid mogen ontvangen, al hoewel hij er geen recht op had. Dit opent ook voor onze jongeren een mogelijkheid. O, dat ge toch werkzaam met uw eeuwig lot voor 's Heeren Aangezicht moge leven en verkeren, want het is niet om het even, hoe wij straks zullen sterven. We zijn ten volle verantwoordelijk voor God, ten opzichte van alles wat de Heere ons wil leren in Zijn Woord, aangaande onze doodstaat en de weg der zaligheid en verzoening met God in en door Christus.

Wanneer de tijd van ons sterven is aangebroken, kan het gebed van Gods volk ons evenmin van de dood en het oordeel redden, als Martha's en Maria's gebed dit V , : J konden ten opzichte van Lazarus. Lazarus is gestorven en ligt dood in het graf. Daarin is hij voor ons een voorbeeld van de geestelijke dood.

Kom, laten wij er eens op letten. Een dode leeft niet, voelt niet, hoort niet, overlegt niet, kan niets, doet mets, wil niets; hij is dood! Zo is Lazarus een voorbeeld van onze geestelijke doodstaat. Zo vinden wij onze verhouding tot God en Zijn gemeenschap getekend. Daarmede zijn we niet gelijk aan een stok of blok, want wij leven een redelijk, zedelijk leven, maar ons leven is een leven in de zonde en ongerechtigheid, daarin leven wij met vermaak, met ons „willen" en „streven". Maar wanneer het gaat over het Gode welbehagelijke leven, dan zijn we gelijk aan Lazarus in het graf. Nu is de dood, ook de geestelijke dood, de bezoldiging der zonde. Het is het deel waar we recht op hebben, wat we in Adam voor ons zelf verdiend hebben.

Dit is voor ons een droevige les, maar toch ook een zeer noodzakelijke. Dit voorbeeld van Lazarus moge eens geweld op ons hart maken; of is dit mogelijk al eens gebeurd? Het is goed en profijtelijk Schrift en Belijdenis verstandelijk te kennen, maar daarmede blijven we nochtans gelijk aan Lazarus in het graf! Door onderzoek der Heilige Schriften, op zichzelf genomen, komen we niet uit onze doodstaat. Opvoeding, hoe noodzakelijk en profijtelijk deze ook is, (wanneer ze naar Gods Woord is), baat ons evenmin. Ons godsdienstig leven en wandelen in de weg van Gods inzettingen, brengt ons ook niet verder. Wat dan, zullen wij dat alles dan maar verwaarlozen, als nutteloos? O, neen, krachtens onze scheppingsverhouding en het Verbond

der Werken, eist God zulks alles van ons, ja nog veel meer, en dan tot het volmaakste toe. Aan de eis van Gods gebod is geen einde, en als we alles gedaan hebben wat we doen moesten, dan zijn we nog onnutte dienstknechten, want we deden maar hetgeen onze plicht was. Neen, zo komen we niet uit onze doodstaat.

Maar hoe dan? Laten we op Lazarus letten. De Heere Jezus is aan zijn graf gekomen. De steen wordt op Jezus' woord weggenomen. De Heere Jezus staat daar biddende en dankende. Zijn Vader, omdat Hij hier de heerlijkheid, en de kracht van Zijn Middelaarsbediening het volk kan tonen en aan Lazarus bewijzen. Daartoe was Hij toch van Zijn Vader gezonden! Jezus bij het stille en kille graf, als Middelaar, tot heerlijkheid des Vaders, tot bevestiging van Christus, tot levendmaking van een dode Lazarus.

Zo is het heden nog.

De heerlijkheid van Christus is, dat Hij de Zijnen opzoekt in hun doodstaat. Zij zoeken Hem niet, maar Hij zoekt hen, ook nu nog. Dit Middelaarswerk gaat door tot de jongste dag. Hier zien we dus het begin, maar letten nu ook op het middel. Het middel is het Woord. Een goddelijke, krachtdadige roeping brengt Lazarus tot het leven terug.

Niets anders dan het enkele Woord gepaard met de kracht des Heiligen Geestes kan ons tot het geestelijk leven terugbrengen. De uitwendige roeping door het Woord, is wel een groot voorrecht, doch niet genoeg tot geestelijk leven; ze is wel onmisbaar, maar stuit af op ons harde hart; zonder haar kunnen we niet zalig worden, maar het enkele Woord kan ons het leven niet geven. Het Woord is het middel tot levendmaking van de dode zondaar, maar dan alleen maar in de hand dps Heiligen Geestes.

Zo mochten onze jongeren het Woord Gods leren bezien en waarderen, en onder biddend opzien tot God leren gebruiken en voortdurend onderzoeken. De Heere Jezus spreekt tot een dode Lazarus! Ons verstand zegt: dit is toch dwaas! Het is onverstandig om tot een dode te spreken; want een dode hoort toch immers niet! Hier ligt voor menigeen de steen des aanstoots. Op allerlei manier tracht men om en over de geestelijke doodstaat heen te komen. De één steunt op het „gevoelen, " de ander op het teken van de H. Doop, de derde op de Verbondsbelofte, de vierde op het geboren zijn uit gelovige ouders, en anderen houden zeer sterk rekening met de mogelijkheid dat zij met het zaad der wedergeboorte op de aarde gekomen zijn, en houden het ervoor dat hun hart een vruchtbare akker gelijk is. Hiermede zoekt men die dwaasheid der prediking weg te werken. Maar dan is ook het Goddelijk werk der levendmaking ener dode niet meer nodig. Dit is voor het menselijk verstand veel begrijpelijker en voor ons gevoelen veel aangenamer, zo hebben we dan gelijk een godsdienst naar het vlees, waarin we God en de bediening des H. Geestes niet meer nodig hebben. Ik hoop en wens dat de ogen onzer jongens voor deze gang van zaken geopend zijn en blijven zullen.

Jezus' spreken tot een dode Lazarus is niet tevergeefs. Hij spreekt met macht. De dode hoort, wordt levend; bewijst dat hij leeft, geeft levenstekenen, hij komt uit! Dit is een wonder! Het is een Geestelqk wonder. Het is onbegrijpelijk; maar als we het begrijpen kunnen is het geen wonder meer. Zo was het bij Lazarus, zo was het met al Gods volk, zo moge het ook eens gebeuren onder onze jongens. Gods Woord moge ons door Christus' Geest worde tot opwekking uit de geestelijke doodstaat. Het is wonderlijk, maar God doet nog hetzelfde werk. Hij spreekt door Woord en Geest tot een geestelijk dode zondaar of zondares. Zulke aangesprokenen, ontvangen tegelijk een vermogen om te leven, te horen, de roeping op te volgen, zich als levendig te bewijzen.

Zo heeft Lazarus geleefd als een wonderteken Gods, tot eer en heerlijkheid van Christus, tot zaligheid van eigen hart en leven. Men kan het aan Lazarus zien dat hij leefde.

De Heere doe onder de onzen nog eens zulke wonderen. Hij is en blijft dezelfde God en wij zijn geestelijk, zoals Lazarus lichamelijk was. Voor de Heere is niets te wonderlijk. Hij zegene daartoe Zijn Woord met Zijn Geest. Hij doe nog jongelingen onder ons opstaan, welke zich bewijzen te leven. Want het leven uit Christus is alleen Gode tot eer en onze zielen tot zaligheid. De Heere neme de aanstoot aan de dwaasheid der prediking weg, en doe ons in oprechtheid bij de eenvoudigheid der Waarheid blijven, ten spijt van alles wat zich in ons en buiten ons daar tegen verheft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.