+ Meer informatie

We hebben een stil plekje nodig

5 minuten leestijd

De Heere Jezus heeft gezegd: „Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is" (Matth. 6:6). Die woorden laten ons weten dat een mens een stil plekje nodig heeft, waar hij tot God bidt.

De Heiland heeft Zelf ook in praktijk gebracht wat Hij Zijn discipelen aanspoort te doen. Van Hem lezen we dat Hij op de berg klom, alleen, om te bidden (Matt. 14:23). Daar bracht Hij dan een groot gedeelte van de nacht door. Van Hem lezen we ook dat Hij op een morgen, toen het zeer vroeg was, opstond en naar buiten ging naar een woeste plaats, om daar te bidden (Mark. 1:35). Dus ook Jezus zocht een stil plekje op. Welnu, als Hij dat zo al beleefde, hoeveel te meer reden hebben wij om zo'n plekje op te zoeken om daar tot God te spreken. Maar waarom eigenlijk? Kunnen we dan niet overal tot God spreken? Toen Jezus op die morgen zo vroeg opstond om buiten een eenzame plaats op te zoeken, was Hij te gast in het huis van Simon Petrus in Kapernaüm. Maar dan had Hij daar toch ook wel kunnen bidden, geknield naast Zijn bed? Jawel, dat had Hij kunnen doen. Maar toch ging Hij naar buiten. Waarom? Hij wilde helemaal alleen zijn. Er waren in dat huis nog meer gasten. De ruimte zal wel beperkt geweest zijn. Misschien moest Hij de slaapruimte wel met anderen delen. En dit keer wilde Hij alleen zijn, helemaal alleen, zodat anderen Hem niet konden zien of horen.

Overal
Natuurlijk, een mens kan en mag overal bidden. We kennen de uitdrukking "Bidden met de pet op" en we weten ook wel wat ermee bedoeld wordt. Gelukkig dat het zo ook kan. Gelukkig dat Nehemia kon bidden terwijl hij bezig was met zijn werk als schenker van de Perzische koning (Neh. 2:4). Bidden boven de strijkplank, achter het stuur, het mag allemaal. Bidden met de ogen open, het mag ook. Maar ondanks dat alles blijft waar watjezus gezegd heeft: Een mens heeft een stil plekje nodig. Ga in uw binnenkamer en doe de deur achter u dicht. Een plek, waar werkelijk geen ander mens kan meeluisteren. Waar we ons voor de Heere helemaal kunnen uitspreken. Waar we met God alleen zijn. Waarom? Zijn er geen dingen die we alleen in Gods oor kunnen zeggen? Zijn er, als de liefde tot de Heere aan het woord mag komen, geen dingen die te teer en te heilig zijn en die een ander daarom ook maar niet moet horen? Zijn er, als we beseffen wat het betekent dat we verdorven zondaren zijn, geen dingen die te onheilig en te vuil zijn en die we daarom alleen in Gods oor kunnen zeggen zonder dat anderen die horen? Daarom is die binnenkamer zo nodig. Dat stille plekje, waar we God mogen ontmoeten. Maar trek dan de deur achter u dicht. Laat niemand mee naar binnen gaan. Zet ook de telefoon desnoods af We moeten daar ongestoord kunnen zijn. Zonder afleiding. Denk niet dat u dit niet nodig hebt. We willen het toch niet beter weten dan de Heere Jezus? In ons opgejaagde leven met rumoer aan alle kanten en stemmen overal hebben we inderdaad dat moment van stilte hard nodig. Maar hoe realiseren we dat? Waar vinden we vandaag nog een rustig plekje? En als we er al een gevonden hebben, hoe krijgen we de deur dan zo stevig dicht dat niets en niemand mee naar binnen glipt? We kunnen mensen nog wel buiten houden, maar de Boze niet. En de wereld met allerlei verkeerde gedachten dragen we in ons eigen hart zelf mee naar binnen. Ondervinden we dat niet menigmaal? We buigen voor God en we hadden ons voorgenomen dit of dat tot de Heere te zeggen, schuldbelijdend, om genade en hulp biddend. Maar onze gedachten dwalen af Ineens schiet er iets door ons hoofd heen. Soms zelfs wel een heel verkeerde, zondige gedachte. Weg is onze concentratie! Wat helpt dan dat stille plekje? En moedeloos staan we op en hebben het verlammende gevoel dat we tevergeefs gebeden hebben. Zo heeft het toch geen zin, vrezen we. We kunnen immers niet bidden zoals het behoort.

Zonde en duivel
Als ooit de werkelijkheid van de zonde en van de werkzaamheden van de duivel ervaren worden, dan is dat tijdens het bidden. Een mens kan zich dan zo nameloos arm gevoelen. We begrijpen dan Guido Gezelle, van wie het gedicht afkomstig is: „Gij badt op enen berg alleen". Die dichter vond echter geen berg hoog genoeg waar hij God alleen kon vinden. De wereld wilde hem immers overal achterna. Wat voelde hij zich arm. En vanuit die armoede smeekte hij: „Ach, leert mij, arme dwaas, hoe ik bidden moet". Maar op andere tijden kan dat stille plekje ook een voorportaal van de hemel worden. Dan namelijk als de Geest der gebeden ons vrijmoedig maakt om ons hart vol vertrouwen voor God uit te storten en als de zekerheid rijpt in de ziel: Gij hoort het gebed. Dan is het: Ten dage als ik riep, hebt Gij mij gesterkt met kracht in de ziel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.