+ Meer informatie

Het gesprek met de jeugd op het huisbezoek

6 minuten leestijd

Wanneer wij als ambtsdragers in de gemeente van Christus enige ervaring hebben opgedaan, zullen we tot de ontdekking gekomen zijn, dat het gesprek met de jeugd op het huisbezoek niet gemakkelijker, maar veeleer moeilijker is, dan het gesprek met de ouderen en bejaarden.

Nu moet daarbij gevoegd worden, dat we aan een gesprek met de jeugd dikwijls niet toekomen, doordat de beschikbare tijd geheel in beslag genomen wordt door en meermalen te beperkt blijkt te zijn voor — een bevredigend gesprek met de ouders. Uiteraard gaat het hier over gezinnen, waar „jeugd’ is, grotere kinderen, die samen met hun ouders een huisbezoek meemaken.

Helaas is het lang niet vanzelf sprekend, dat u de inaanmerking-komenden op de huisbezoek-avond thuis of op de huisbezoek-tijd aanwezig vindt. De eerste verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de ouders. Zij dienen te beslissen op welke leeftijd het voor hun kinderen nuttig kan zijn het huisbezoek geheel of gedeeltelijk bij te wonen.

Wanneer we nu iets gaan schrijven over het gesprek met deze grotere jeugd op het huisbezoek, dan gaan we daarbij dus uit van twee onderstellingen: ten eerste, dat er grotere jeugd aanwezig is. Ten tweede, dat we gelegenheid vinden om ook deze jeugd in het gesprek te betrtkken.

Ook hier hangt veel af van de benadering, in de letterlijke zowel als de figuurlijke zin van het woord.

Wanneer we binnen komen blijkt uit onze wijze van tegemoetkomen en begroeten reeds, hoe onze instelling en gezindheid t.o.v. de jeugd is.

Misschien hebben wij daar zelf geen erg in, de jeugd van haar kant merkt het wel.

Vriendelijkheid, hartelijkheid moeten voelbaar zijn. De toon waarop en de trant waarin we spreken moet innemend zijn, zodat de jonge mensen het gevoel krijgen dat ze meegeteld, ernstig genomen en gewaardeerd worden. Soms kan men heel gemakkelijk even informeren naar school of werk, verkering of hobby en wie op die manier de jeugd voor zich weet in te nemen, wint vaak ook de ouders en baant een weg voor inniger contact en groter openhartigheid.

Zoals reeds eerder opgemekrt — het hoofd van het gezin is als regel de voornaamste gesprekspartner op het huisbezoek.

Het gebeurt dat de jeugd in een bepaalde sfeer zelf deelneemt aan het gesprek, Een andere keer zullen we hen er heel gemakkelijk in kunnen betrekken.

Soms stuit deze poging af op een hardnekkige geslotenheid. Dat is een signaal. Wie weet wat daar achter schuilt! Als we dat niet weten of vermoeden, moeten we omzien naar een gelegenheid tot een gesprek onder vier ogen. Maar dan zo min mogelijk officieel.

Spreekt een meisje of jongen zich vrij uit. dan dienen we daar op in te gaan. Wachten jonge mensen af tot wij hen in het gesprek betrekken, dan dienen we op een verstandige wijze vragen te stellen of opmerkingen te maken.

Ook hier geldt: wie teveel vraagt, moet niet op een goed contact rekenen. Vragen als: „ga je graag naar de kerk’ en: „begrijp je iets van de preek’ zijn in vele gevallten te stereotype openingen, dan dat ze jonge mensen openhartig maken.

Een scherp aanvoelend en waarnemend huisbezoeker zal spoedig weten op welk terrein een jong mens zich gemakkelijk beweegt. Dagelijks werk en vrije-tijdsbesteding bieden meestal een aanknopingspunt. De manier waarop jonge mensen spreken over wat hen interesseert is vaak typerend voor de geestelijke instelling van de personen.

Het komt dus aan op belangstelling, bereidheid tot luisteren, fijngevoeligheid en begrip van de kant van de ambtsdrager.

Wij moeten ons in het algemeen mrer verdiepen in de wereld van de jeugd — ik durf het zelfs om te keren: wij moeten aandacht besteden aan de jeugd van de wereld — Dan weten we in welk klimaat onze jeugd opgroeit, welke invloeden zij ondergaat.

Weten wij wel voldoende wat onze jeugd te horen, te lezen, te leren en te zien krijgt?

Wie alleen maar oog en oor heeft voor eigen werkelijk leven en gezinsleven, loopt gevaar van zijn eigen jeugd te vervreemden, als zij door school, studie, werkkring en ontspanning met?ndere gedachten en gewoonteninaanraking komt. Kortom: wij moeten ons kunnen indenken hoe onze jeugd vandaag beïnvloed wordt en hoe zij dientengevolge kan denken en leven. Zij weten met veel dingen geen raad — Welke dingen dat zijn? Wij moeten het te weten komen — al is het ook uit hun eigen mond. Opdat we weten waar hun vragen liggen. Hoe zullen we anders weten wat we tot hen zeggen moeten?

Onze kennis van de geloofsleer (die doorgaans niet groot is. ook onder ambtsdragers) zal ons in de steek laten bij het pogen om de jeugd te verstaan en geestelijk te leiden. Psychologische en sociologische scholing vormen evenmin de sleutel tot het geheim. Oprechte vroomheid gaat niet altijd gepaard met voldoende inzicht in de ziel van de jeugd.

We zullen „van-alles-wat’ moeten hebben.

Maar doorslaggevend voor onze bekwaamheid tot een nuttig gesprek is onze „habitus’. Onze gehele persoonlijkheid en geestelijke instelling maken ons meer of minder geschikt. Zoiets is nimmer aangeboren, hoewel de aanleg aanwezig moet zijn bij een ambtsdrager. Die aanleg moet ontwikkeld worden en… geoefend in de praktijk. Het is bekend dat beginnende ambtsdragers, die met vrijmoedigheid een gesprek voeren bij anderen en bejaarden, met de mond vol tanden staan als ze ambtelijk (!) moeten spreken met jongeren. Een bewijs, dat het laatste zeker niet gemakkelijker is dan het eerste. Men zou ook kunnen zeggen dat de laatsten het ons doorgaans niet zo gemakkelijk maken als de eersten. Uiteraard gelieve de lezer te bedenken dat er in al deze opmerkingen een generaliserend element schuilt. Dat kan m.i. niet anders.

Wie als ambtsdrager een jongere in het gesprek betrekt zal ook trachten hem (haar) speciaal geestelijke leiding te geven. Deze leiding moet een sobere, eenvoudige verwijzing zijn naar de meest elementaire geloofsinhoud.

Dikwijls zal daar niet om gevraagd worden. Wat men vraagt is vaak een antwoord op een vraag. En die vraag is heel dikwijls een theoretische vraag. Kunnen wij die beantwoorden, dan doen we dat graag. Als we maar bedenken, dat in veel gevallen de vrager zelf daarmee niet pastoraal geholpen is. Wij moeten ons ook afvragen: welke geestelijke nood of behoefte schuilt er achter deze vragen?

Kunt u het gesprek zó leiden, dat u tot het hart van de jonge mens doorstoot, spreek dan van hart tót hart. Dat is pas echt contact. Zo kunnen we tot een gesprek met de jeugd komen.

Ik wil niet beweren dat we dan tot ons doel gekomen zijn. Maar dan hebben we een weg gevonden waarlangs we onder de zegen des Heren tot Zijn doel kunnen geraken. Sterkte, broeders!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.