+ Meer informatie

DE KERKELIJK WERKER EN HET AMBT

3 minuten leestijd

Zelden zal de verdediging van een proefschrift zo aangesloten hebben op de actualiteit als met het onderzoek van dr. H.A. Post onlangs het geval was. Dinsdag 24 oktober stond hij in de aula van de Vrije Universiteit in Amsterdam voor het forum van de hoogleraren. ’s Middags was er een symposium in Putten, op kasteel De Vanenburg; bij beide gebeurtenissen werd ingespeeld op de vragen die met name binnen de PKN in de weken daarvoor in het openbaar gesteld was: moeten naast de wetenschappelijk opgeleide predikanten ook hbo-opgeleide broeders en zusters niet de bevoegdheid krijgen om Woord en sacramenten te bedienen? Die vraag zal dezer dagen door de generale synode van de PKN behandeld worden. Ze komt op als gevolg van het aantal predikantsvacatures, dat in de komende jaren dreigt toe te nemen (dat is overigens ook bij ons zo, binnenkort zal er in Ambtelijk Contact iets over geschreven worden). En het is juist déze vraag die Post in zijn onderzoek onder de loep neemt.

Hij heeft hoofdzakelijk, maar niet alleen, onderzoek gedaan naar de huidige stand van zaken in de PKN; daar zijn enerzijds predikanten werkzaam, anderzijds allerlei broeders en zusters die kerkelijk of pastoraal werk doen, of catechisatie geven enz. Meer en meer nemen zij taken over die vanouds door de predikant werden gedaan. Ze zijn ‘hulpkracht’ in de kerk. Dat roept in de dagelijkse praktijk bij gemeenteleden vragen op, zeker als ze (bij financiële krapte) langzaam maar zeker als vervanger of alternatief van de predikant gaan fungeren: ‘Waarom mag onze kerkelijk werker niet preken, en doop en avondmaal bedienen?’ Met andere woorden: waarom mag hij (zij eventueel) niet in het ambt worden bevestigd?

Deze vraag heeft dr. Post onderzocht; hij komt tot daarbij tot de conclusie dat onze reformatorische ambtsstructuur (predikant, ouderling, diaken) niet rechtstreeks op de Schrift is te herleiden. Dat is overigens geen nieuwe conclusie; onder andere de generale synode van de CGK onderstreepte dat al in 1998, bij de bespreking rond de vragen van vrouw en ambt. Post komt tot een radicaal voorstel: creëer een vierde kerkelijk ambt, waarin een ‘opwaardering’ van de huidige kerkelijk werker plaatsvindt, en waarin de mogelijkheid geschapen wordt dat hij kerkdiensten leidt, compleet met Woord- en sacramentsbediening.

Die mogelijkheid is binnen de CGK overigens al op een bepaalde wijze onderzocht en met een positief resultaat, namelijk daar waar het gaat om de positie van de evangelist (generale synode 2004). Het doet dan daarom ook goed dat dr. Post daarop wijst (blz. 162), aan het eind van een paragraaf waarin verslag wordt gedaan van de bezinning op de kerkelijk werker binnen de CGK (blz. 159–163).

Het lijdt geen twijfel, dat de resultaten van dit proefschrift de komende tijd betrokken zullen worden bij de kerkelijke discussie, allereerst op het niveau van de PKN. Dan zal ongetwijfeld ook aandacht worden gegeven aan de loop van de kerkgeschiedenis. Immers: er is sprake van 20 eeuwen kerk zijn, uitlopend op de huidige ambtsstructuur. Daaraan gaf de promovendus niet zoveel aandacht; begrijpelijk, want hij komt uit de wereld van de organisatiekunde. Die leemte moet echter nog wel gevuld worden.

n.a.v. Henk A. Post., De kerkelijk werker en het ambt. Uitg. Kok Kampen 2006, 301 blz., € 27,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.