+ Meer informatie

37. Maar hij vertoefde

Lot, de neef van Abraham

5 minuten leestijd

Hoe was het met Lot gesteld? Maakte hij haast? Greep hij vrouw en dochters vast en haastte hij zich de poort van Sódom uit? Er staat in de Bijbel: Maar hij vertoefde. Dat betekende dat hij draalde, treuzelde. De kanttekening zegt: ”Zonder twijfel belet zijnde door menigerlei vleselijke gedachten en bekommernissen” (kanttek. 30).
Lot liep maar heen en weer en hij kon zijn bezittingen niet verlaten. Moest hij alles achterlaten? Alle bezittingen die hij met hard werken had verdiend en waaraan hij zo gehecht was, prijsgeven? O, hij kon er niet van scheiden, ondanks dat de engelen hem tot spoed hadden gemaand. Met David moest hij zeggen: ’Hoe kleeft mijn ziel aan ’t stof ’ (Ps. 119:13 berijmd).
Lang geleden had hij voor die schitterende vlakte bij Sódom gekozen, zoals we nog wel zullen weten. Hij had zijn ogen over de Jordaanvlakte laten gaan en had de mooie, welvarende steden Sódom en Gomórra aanschouwd. Een omgeving die nog iets weg had van de hof des HEEREN, zegt de Bijbel (Gen. 13:10). Daarna was Lot in Sódom gaan wonen en in de loop der jaren had hij vooruitgang geboekt. Het was hem voor de wind gegaan, ook al moest hij dagelijks zijn ziel kwellen om de goddeloze mensen.
Ondanks dat alles wilde hij toch liever in Sódom blijven wonen. Maar Lot had geen keus. Hij moest leren wat Jezus later tot Zijn discipelen sprak: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge Mij. Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijntentwil, die zal hetzelve vinden (Matth. 16:24 en 25). Lot moest het leven in Sódom prijsgeven en verliezen en zo alleen zou hij behouden kunnen worden. Met achterlating en verlies van al het zijne.
Maar hij vertoefde, zegt de Bijbel. Valt het niet op dat de engelen vooral bezorgd waren om Lot? Zij waren bij hem gekomen en nu drongen ze bij hem aan door te zeggen: Maak u op (...) opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt. Maar hij treuzelde, staat er. Over de anderen van zijn huis werd niet gesproken. Het ging vooral om Lot. De Heere had Zijn kind op het oog. Hij moest worden bevrijd en toen hij niet tot een besluit kon komen, kwamen de engelen er zelf aan te pas. Want we lezen: Zo grepen dan die mannen zijn hand (...) over de verschoning des HEEREN over hem, en zij brachten hem uit en stelden hem buiten de stad (vers 16).
Horen we het? De engelen grepen Lot vast over de verschoning des HEEREN over hém! Het ouderwetse woord ’verschonen’ betekent ’sparen’. Van iets ’verschoond blijven’ wil zeggen ’ervoor gespaard’ blijven, er niet mee in aanraking komen. We komen dat woord ook tegen in Psalm 72:7: ’Nooddruftigen zal Hij verschonen’. In de onberijmde Psalm lezen we: Hij zal den arme en nooddruftige verschonen. De kanttekening zegt van dat woord ’verschonen’: genadiglijk sparen. In Psalm 51:1 zingen we: Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed; Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden’. David bidt hier om gespaard en gered te mogen worden. Zo was Gods bewarende, sparende en verschonende hand genadig over Lot uitgestrekt.
Hoe schitterde hierin Gods trouwe zorg voor Zijn afgedwaald kind. Hij, de goede Herder, zocht Zijn schaap op en al spartelde het tegen, de Herder leidde het op de rechte weg. Lot werd beetgepakt en buiten de stad gebracht. Niet omdat hij dat had verdiend, maar om de verschoning des HEEREN over hem.

Het grijpen van Lots hand door de mannen is een beeld van Gods genadige redding van verloren zondaren. Van nature leven alle mensen in het Sódom van de zonde. Ze hebben het daar goed naar hun zin. Maar op Gods tijd gebeurt het grote wonder: Gods kinderen worden bij de hand genomen. Eenvoudig gezegd: de Heere zegent op Zijn tijd de prediking van het Woord en zij leren de Heere kennen.
Hoe vaak had de Heere al niet geroepen om het Sódom van de zonde te verlaten. Wat een roepstemmen waren er niet gekomen. Thuis, op school en in de kerk klonk steeds de boodschap van Gods Woord: ”Bekeert u en gelooft het evangelie!” Ernstig werden zij vermaand en toegeroepen het Sódom van de zonde te verlaten. Maar er kwam geen breken met de zonden. Er kwam geen haasten om Sódom voorgoed vaarwel te zeggen. Ook al riepen Gods knechten, daartoe van Godswege gedrongen, hun toe zoals Lot zijn beide schoonzoons had toegeroepen: Maakt u op, gaat uit deze plaats, want de HEERE gaat deze stad verderven. De boodschap werd aangehoord, maar niet geloofd. De ernstvolle inhoud werd niet verstaan, de gevaarvolle toestand niet ingezien. Met de beide schoonzoons sliepen ze verder in hun zondeslaap. Totdat de Heere ingreep.
Daarin zien we dat de uitwendige roeping, waarin de Heere door middel van Zijn Woord ons ernstig waarschuwt, ons aanraadt en bij ons aanhoudend aandringt om het Sódom van de zonde te verlaten, niet genoeg is tot zaligheid. Daarom leren wij op grond van Gods Woord dat er ook een inwendige roeping is. Dat is een roeping die niet alleen aanraadt uit Sódom te gaan, maar die ons bij de hand grijpt en uit Sódom trekt. Die inwendige roeping trekt ons uit de macht van de zonde en doet wat de hand van de mannen deed: Zo grepen dan die mannen zijn hand (...) en zij brachten hem uit en stelden hem buiten de stad (vers 16).

Hij zocht alom, maar ach, Hij vond er geen;
Want alle vlees is trouw’loos afgeweken;
Het land is vol van stinkende gebreken;
Geen sterveling wil ’t pad der deugd betreên;
Ja, zelfs niet één.
(Ps. 14:3)

(Volgende keer D.V.: 38. Behoud u om uws levens wil)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.