+ Meer informatie

BESPREKING

6 minuten leestijd

Bij de bespreking van het referaat was er eerst gelegenheid tot het stellen van enkele verhelderingsvragen. ’s Middags ging de inleider samen met de aanwezigen dieper op allerlei vragen, samenhangend met het onderwerp, in. Zo kwam ter sprake:

De Heilige Geest wil Christus verheerlijken, zo hoorden we vanmorgen, maar wat doet de Geest nu in de mens? Hij geeft Christus in mensenharten een plaats, zodat ze gaan zien wat dat voor hen persoonlijk betekent. Zo wordt Christus grootgemaakt. Hij leidt ons daarbij in de weg van het Woord; daarom zullen we gaan bidden: ‘maak in Uw Woord mijn gang en treden vast’, het Woord immers dat doet ontdekken dat de Vader zijn Zoon heeft gegeven tot vergeving van zonden. En daar raakt een mens nooit op uitgekeken - de drie-enige God wordt erdoor verheerlijkt.

De Geest is niet de Geest van de vrije geluiden, zo stelde de inleider. Toch is een christen vrijgemaakt... hoe zit dat? Men dient dat te verstaan in de zin van wat in de vorige alinea staat: de Geest wijst terug naar Christus. Dat maakt een christen vrij, namelijk van de vloek van de wet en van de macht van de zonde. Maar hij laat zich daardoor niet ‘vrijmaken’ (=losmaken) van Christus! In allerlei concrete situaties zal het gebed om de leiding van de Geest een weg wijzen, die dichtbij de Heiland houdt. Dat is vrijheid die tegelijk bindt aan het Woord van God. Dat leidt ook tot profetisch spreken.

In hoeverre zitten in het verschijnsel van de Toronto-blessing ook typisch Amerikaanse trekken? Die eultuur ‘aan de overkant van de oceaan’ is toch een eultuur apart (waarbij we ook niet weer alles over één negatief-geestelijke kam mogen scheren: in Afrika zingt men anders dan in Nederland; en de zangwijze in Israël is weer anders dan die in Amerika - en in die alle werkt de Geest, dwars door verschillende eultuurpatronen heen ). Er is, als het om de Toronto-blessing gaat, sprake van allerlei spectaculaire verschijnselen. Dat kan de inleider niet meemaken; het staat haaks op de Bijbel, en die is toch ons richtsnoer. Er is veel massasuggestie bij en het gevolg zal zijn dat men van het werkelijke werk van de Geest wordt afgeleid. Een bezoeker van de conferentie vulde deze gedachten aan met het weergeven van een praktijkervaring (in een genezingsdienst) die niet bemoedigend was: er leek meer sprake te zijn van menselijke regie dan van afhankelijkheid van de Here en zijn Geest. Moet er, aldus de inleider, niet meer gerekend worden met het Bijbelse gegeven dat Hij zijn stem niet op de straat laat horen (Jes. 42:2)? Er zit ook heel veel zegen in dat, wat wij ‘gewoon’ noemen: de medische kennis en wetenschap. Veel van het werk van de Geest is ‘stil’. Als tegenwicht werd vanuit de zaal gewezen op de Nijkerkse beroeringen eertijds - in welke plaats we vandaag bijeenkomen. Toch wilde de inleider vasthouden aan de gedachte dat dit niet te organiseren valt: God wil èn zal dat geven op zijn eigen wijze, op het gelovige, vasthoudende gebed. Op het moment dat wij het willen grijpen, ontglipt het ons... Nog daargelaten dat er in die setting niet zelden sprake is van een geestelijke èn psychische last die op de schouders van de gelovige wordt gelegd: als het niet zo gaat als de geestelijke leiding stelt dat het moet gaan, ‘is dan je persoonlijk geloof wel sterk genoeg?’ In het gebed op het huisbezoek is dan ook belangrijk dat er een geestelijke antenne is voor de concrete weg die de Here met een gemeentelid gaat en waarbinnen in alle vrij(moedig)heid zo ook gebeden wordt. Dan zie je enerzijds soms dat het leven op aarde wordt afgesloten en je bidt dan om aanvaarding van die weg; anderzijds nemen we niet al te snel afstand voor de mogelijkheid van het wonder. De Geest mag niet worden tegengestaan! Het meest spectaculaire is, dat Hij ‘doden levend maakt’. En dan maar altijd weer: putten uit het Woord.

We zullen elkaar ook altijd weer het wonder doorgeven, opdat telkens opnieuw een nieuwe genera tie het bijzondere van het werk van de Geest zal horen en daarnaar zal verlangen. Het onderlinge geestelijke gesprek is daarbij van geweidig belang. Jongeren zijn heel bezet met hun zoeken naar een plekje in de samenleving, maar ook van deze zaken zullen ze vervuld moeten worden. Laten ouderen daarbij niet tegenover, maar dichtbij en naast jongeren gaan staan. En laat dan de eenvoudige, dagelijkse omgang met de Here maar ter sprake komen. Maar, zo werd uit de zaal gezegd: als dat nu gemist wordt... hoe brengje het dan terug? Dat zal toch een zaak voor de huisbezoeken en de prediking zijn, waar vanuit de Bijbel de omgang met de Here als geestelijk leven wordt getypeerd. Bij de Psalmen kan men in dat opzicht uitstekend terecht. Dan kan ook doorgesproken worden op het achteruitgaan in de genade: neemt men voldoende de gelegenheid voor stille tijd? Let ik voldoende op Gods zegeningen voor elke dag?

Kan de Geest belemmerd worden door onderlinge gemeentelijke onenigheid? Welzeker is dat mogelijk. Wat Psalm 133 in positieve zin bezingt, kan ook tegengewerkt worden...

We dienen ermee te rekenen dat de snelheid waarmee de dingen bij de kamerling gingen (er werd verwezen naar het openingswoord van de voorzitter) later via ‘instituten’ verloopt, met als gevolg enige ‘vertraging’. Dat gebeurt ook al in de loop van de NT-ische periode: Paulus spreekt ook over noodzakelijke toetsing en over gemeentelijke structuren, bij ons naderhand in het ambt vormgegeven. Anderzijds mogen die kerkelijke organen de Geest niet in de weg staan. In een kerkenraad zullen we ook sámen de nood moeten voelen. Kerkenraadsvergaderingen moeten o.a. benut worden om elkaar op te bouwen in het geloof. We hebben een verantwoordelijkheid tegenover de Here: hoe hoeden we zijn kudde? Men kan iedere keer een Bijbels thema aan de orde stellen, men kan een uitgebreid censura morum houden... het zal een goede invloed op de gemeente hebben!

Verwachten we zelf niet te weinig van de Geest, terwijl we toch zingend bidden om ons hart te vervullen? De inleider onderstreept dat en wijst op zondag 20 HC: ‘...dat Hij ook mij gegeven is...’. Men zal het de ene keer meer, de andere keer minder ervaren, maar onder dit alles ligt de vaste belofte van God: stromen van zegen! Hebreeën 11 is daarbij duidelijk, nl. dat God een waarmaker is van zijn Woord en een beloner voor hen die Hem ernstig zoeken.

De conferentie werd afgesloten met een slotwoord, verzorgd door ds. J.W. Wüllschleger van Zeewolde. Samenvattend gewaagde hij van een Bijbels onderbouwd referaat door prof. Hofman. Tegelijk was er sprake van een praktische spits, gericht op het persoonlijk leven. Daarbij moesten we ook de hand in eigen boezem steken, en dat is heilzaam, hoe pijnlijk op zichzelf ook. Het was ook positief: de Geest werkt, ook vandaag nog onder ons, en gelukkig ook daarbuiten. Daar gaat iets van uit en dat wordt ook opgemerkt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.