+ Meer informatie

De Pinksterbeweging IV

15 minuten leestijd

De tongentaal

In de Pinkstergroepen wordt het spreken in tongen vrij algemeen beschouwd als hèt bewijs, dat men de Heilige Geest ontvangen heeft. De tongentaal is niet alleen een van de meest opvallende maar ook een van de voornaamste kenmerken van de Pinksterbeweging.

Men beroept zich uitdrukkelijk op de Bijbel.

Zowel in Hand. 2 als in 1 Cor. 12 en 14 lezen wij van het spreken in andere talen of tongen: de glossolalie. Toch is het nog niet precies hetzelfde. Bij de uitstorting van de Heilige Geest zijn het de talen van Parthen, Meden, Elamieten en andere volken geweest, want zij hoorden in hun eigen taal van de grote werken Gods getuigen. Maar in Corinthe waren het ongearticuleerde klanken, die niemand verstond (1 Cor. 14: 2).

Ook zonder het talenwonder hadden de mensen uit allerlei landen op het Pinksterfeest in Jeruzalem van Gods grote daden kunnen horen. Daarvoor behoefde hun landstaal nog niet gesproken te worden. Zij konden ook luisteren naar de prediking van Petrus, die hen toesprak in het Grieks of in het Aramees. Het gebeuren op Pinksteren is een „profetisch teken”. Het zegt, dat de Heilige Geest ervoor zal zorgen, dat alle volken in hun eigen taal het evangelie van Gods genade zullen horen. De Heilige Geest, Die mensen tot getuigen maakt, geeft er de woorden en de wijsheid voor om te spreken zoals Hij het wil, en de talen zullen geen belemmering meer zijn.

In de gemeente van Corinthe droeg de tongentaal een ander karakter. Het was daar meer gebed dan verkondiging. Het wordt een spreken tot God genoemd (1 Cor. 14: 2). Daarbij maakt Paulus nog onderscheid tussen de geest en het verstand van de mens. De glossolalie schijnt buiten het verstand om te gaan (vers 14).

Nergens in het Nieuwe Testament kunnen wij de leer van de Pinkstergroepen vinden, dat de tongentaal het criterium is om te beoordelen of iemand de Heilige Geest ontvangen heeft.

In Hand. 2 wcrdt gezegd, dat allen vervuld werden met de Heilige Geest en bepennen te spreken met andere tongen. Maar uit 1 Cor. 12: 30 blijkt, dat in Corinthe niet allen in tongen spraken.

Als Paulus in 1 Cor. 14: 5 schrijft, dat hij wel wilde dat allen dat deden, moeten wij dat niet verkeerd opvatten. Hij zegt niet, dat dit Gods wil is. Bovendien schrijft hij het alleen aan de gemeente van Corinthe, waar het spreken in tongen voorkwam. Hij stelt de profetie boven de tongentaal en wijst in hetzelfde verband een weg, die nog hoger voert: de weg van de liefde (1 Cor. 13).

Het is niet zo, dat het spreken in tongen een uiting van de Geest moet zijn omdat het verstand daarbij uitgeschakeld is. Zelfs Karel Hoekendijk heeft er tegenover anderen met nadruk op gewezen, dat het een daad is van de gelovige zelf; híj spreekt — niet de Heilige Geest. Wel geeft de Geest op een verborgen wijze de inspiratie, die ervcor nodig is.

Wanneer wij hier rechtstreeks te maken hebben met de Heilige Geest, zou Paulus er in 1 Cor. 14 ook niet zo op hebben kunnen aandringen, dat er orde in deze dingen behocrt te zijn. Wat de apestel schrijft, zou zo niet gezegd kunnen worden, als de Heilige Geest het sprekend subject was of als Christus dat was, zoals het bij de vertolking van de tongentaal in de Pinksterkringen dikwijls lijkt.

In „Kracht van Omhoog” van 16 aug. 1963 staat een uitvoerig artikel over het onderwerp: „Spreken in tongen”. Het is van de hand van L. Christenson, een Luthers predikant uit Californië, die er uit ervaring van weet, en het werd de redactie van het blad toegezonden door David J. du Plessis, die een vooraanstaande figuur is in de Pinksterbeweging.

Er worden in dit stuk allerlei aanwijzingen gegeven, die heel opmerkelijk zijn. „Om in tongen te bidden moet u ophouden met uw verstand te bidden. Nadat u tot God gekomen bent met uw gebeden en smekingen in uw eigen woorden, vervalt u eenvoudig in stilzwijgen en besluit geen lettergreep meer te spreken in enige taal, die u ooit geleerd hebt. Uw gedachten zijn geconcentreerd op Christus. Pas dan verheft u eenvoudig uw stem en spreekt vrijmoedig, in het geloof dat God het geluid dat u voortbrengt, wil aannemen en het wil vormen tot een taal. U denkt niet aan wat u zegt. Zover u het kunt beoordelen, is het slechts een reeks klanken. De eerste klanken zullen u vreemd en onnatuurlijk in de oren klinken en ze kunnen hortend en ongearticuleerd zijn (hebt u wel eens een baby gehoord, die leerde praten?). U kunt zelfs de gedachte hebben dat u het zelf doet. Maar als u voortgaat met spreken en de lippen en de tong beginnen vrijer te bewegen, zal de Geest een schone taal scheppen van gebed en lofprijzing”.

Tegen het spreken in tongen zelf maken we geen bezwaar. De apostel Paulus heeft ook geschreven, dat men het niet belemmeren moet (1 Cor. 14: 39). Dat betekent niet, dat er altijd en overal glossolalie moet zijn. De tongentaal mag geen schibbolet worden.

Het moest al tot voorzichtigheid manen, dat men daarmee de christenen, die deze taal niet spreken, tot tweederangschristenen maakt. Bovendien weten we, dat de tongentaal veel overeenkomst vertoont met verschijnselen, die in de wereld der godsdiensten niet onbekend zijn, als mensen in vervoering raken. En we moeten rekenen met de werking van het religieus gevoel bij een bepaalde psychische structuur.

Het is beslist niet geoorloofd om de ervaringen, die men in de kringen van de Pinksterbeweging kent, te hanteren als een norm voor ieder gelovige. Als men dat wel doet, is dat typisch sektarisch!

Juist in het Schriftgedeelte, waarnaar altijd verwezen wordt, waarschuwt Paulus tegen overdrijving. In Corinthe kwam het spreken in tongen in de samenkcmsten meer voor dan goed was. Daarom vindt de apostel het beter, dat er niet meer dan twee of drie in tongen spreken, en dat zij dit om de beurt doen. Is er niemand, die het uitleggen kan, dan moet men zwijgen in de gemeente (1 Cor. 14: 27, 28). Paulus spreekt zelf ook in tongen — meer nog dan de Corinthiërs — en hij dankt er God voor. Hij wil in de gemeente echter liever vijf woorden met zijn verstand spreken om ook anderen te onderwijzen dan duizenden woorden in een tong (1 Cor. 14: 18, 19).

De profetie

In de Pinkstergroepen komt ook profetie voor: een niet van tevoren overdacht getuigen van belevingen, visioenen en droomgezichten. Deze profetie slaat niet altijd op de toekomst, zoals wij van het woord uitgaande zouden kunnen denken. Dikwijls hebben de profetieën betrekking op het gedrag van gemeenteleden en geven ze daar aanwijzingen voor. Het gebeurt dan wel, dat het verborgene in het licht wordt gesteld. Daar staat tegenover, dat tal van profetische uitspraken waardeloos en zelfs verkeerd bleken te zijn. Ze kwamen uit de menselijke geest voort en niet uit de Heilige Geest.

Wat de toekomst aangaat, horen we van profetieën over een binnenkort te verwachten geestelijke opwekking en de wereldomvattende zendingsopdracht van de gemeente, over de komende grote verdrukking en het duizendjarig rijk. In de bladen en tijdschriften van de Pinksterbeweging worden meermalen visicenen beschreven als bewijzen, dat „de Geest weer spreekt in onze dagen” (o.a. in „Kracht van Omhoog” van 6 sept. 1963).

Onder degenen, die melding maken van visicenen, die zij ontvingen, zijn de evangelisten Branham, Osborn en Hanson, die zeggen dat Christus Zelf aan hen verschenen is. Aan de laatste zou dit wel twaalf keer te beurt gevallen zijn. Het is zeker, dat er in de dagen der apostelen een gave der profetie was. Zie behalve 1 Cor. 12:10 en 14:1 vv.: Rom. 12: 6, Ef. 4: 11, Hand. 11: 28, 13: 1, 15: 32 en 21: 9.

Er zal mee bedoeld zijn, dat er waren, die zich gedrongen wisten tot het doen van bepaalde uitspraken, die volgens 1 Cor. 14: 3 voor de gemeente een opbouwend, vermanend en bemoedigend karakter droegen, en die volgens 1 Cor. 14: 29 onder de beoordeling van de gemeente vielen. Men zal moeten denken aan de gave om bij bepaalde gelegenheden op een concrete en directe wijze een vertolking te geven van de wil of de weg Gods met een gemeente (Ritterbos). Wij mogen dit niet geringschatten, want het diende tot stichting van de gemeente des Heren. Maar is het zo bevreemdend, dat de profetie in de kerk niet meer zo’n grote plaats inneemt? Wij hebben nu de gehele Bijbel en wij hebben de geregelde dienst des Woords.

In elk geval bestaat het gevaar, dat men zich meer door de profetieën dan door de Heilige Schrift laat leiden: Niet zelden stelt men het Woord, dat God eenmaal gesproken heeft, achter bij Zijn spreken in het heden door middel van de gave der profetie.

Er is in dit opzicht overeenkomst tussen de Pinksterbeweging en de doperse en spiritualistische streming uit de zestiende eeuw. Luther en Calvijn hebben in hun tijd voortdurend strijd moeten voeren tegen geestdrijvers, die zich als profeten aandienden. Zij zeiden: De Geest, de Geest — maar het was de eigen geest van de heren (Luther). En Calvijn schreef: Het is dus niet de taak van de ons beloofde Geest nieuwe en ongehoorde openbaringen te verzinnen of een nieuwe soort van leer te smeden, waardoor wij van de ontvangen leer van het evangelie kunnen worden afgeleid.

Er moet ook thans gewaarschuwd worden tegen het vragen naar gezichten en naar speciale openbaringen.

Leven uit de Geest is leven bij het Woord!

De gave der genezing

Terwijl de tongentaal een typisch kenmerk van de Pinksterbeweging is, kan van de genezing op het gebed niet gezegd worden, dat deze alleen door de Pinkstergroepen naar voren wordt gebracht. Nergens wordt echter met zoveel nadruk geleerd, dat dit een gave van de Heilige Geest is.

Natuurlijk kunnen lang niet alle vragen rondem de „goddelijke genezing” in dit verband aan de orde worden gesteld. Dat is een onderwerp apart. En er bestaat genceg literatuur over, waarnaar verwezen kan worden.

Het gebed voor en met de zieken moet volgens de leer van de Pinkstergroepen gedragen worden door het geloof, dat Jezus Christus redt en geneest. Hij vergeeft de schuld van de zonde en Hij neemt ook de gevolgen van de zonde weg. Daartoe behoren de ziekten.

In Matth. 8: 17 staat toch, dat Hij onze ziekten gedragen heeft? Dikwijls wordt Mare. 16: 18 aangehaald: op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden. Met het gebed gaat dan ook meestal de handoplegging gepaard en het bevel, dat de „geest van de ziekte” — een boze geest — het lichaam zal verlaten.

Er zijn evangelisten, die zich met een beroep op een goddelijke opdracht op genezingen in massa toeleggen. Zij zeggen, dat er een bovennatuurlijke kracht in hen werkt.

Een van hen, Mc Alister, geeft ergens verslag van de genezing van een melaatse: „Nu weet ik uit ervaring iets te vertellen van wat de Here Jezus gevoelde, teen de melaatse tot Hem zei: Here, indien Gij wilt, kunt Gij mij reinigen. Jezus strekte vol medelijden de hand uit en zei: Ik wil het, word rein. Een soortgelijke ontferming, een soortgelijk medelijden voelde ik in mij”.

Hier vervaagt de grens tussen de evangelist, die wonderen doet, en de Heiland van zondaren.

Men mag, dunkt mij, wel aannemen, dat er echte genezingen bij zijn. Maar met Hutten moeten wij de vraag stellen, of de wonderen in de massasamenkomsten geloofsgenezingen zijn of suggestie-genezingen. Er wordt een bepaalde methode toegepast, waarbij alles berekend is op effect.

In de geladen sfeer van zo’n bijeenkomst kunnen de remmingen wegvallen, en bij ziekten met psychische oorzaken zou dat herstel kunnen betekenen. Sinds wij de psycho-somatische geneeskunde kennen, die ervan uitgaat, dat ziel en lichaam een eenheid vormen en elkaar wederkerig beïnvloeden, en dat de wil en het gevoel in sterke mate kunnen inwerken op het lichamelijk welzijn, behoeft ons dat niet te verwonderen. Allergische aandoeningen zoals astma, maagkwalen, die met bepaalde spanningen samenhangen, en allerlei verlammingen zijn er voorbeelden van, en wellicht ook verschillende gevallen van blindheid en doofheid.

Ook zijn er zonder twijfel schijnsuccessen. Velen zijn na aanvankelijke blijdschap bitter ontgoocheld, omdat de kwaal toch weer de overhand kreeg.

Men staat in de Pinkstergroepen al te onkritisch tegenover deze dingen. Men kan nog van Rome leren! In Lourdes vinden af en toe ook mirakuleuze gebeurtenissen plaats. Maar de R.K. Kerk publiceert zomaar niet officieel, dat iemand genezen is. Er komt een zorgvuldig onderzoek aan te pas, en de genezing moet onmiddellijk, volledig en blijvend zijn, terwijl er geen redelijke verklaring voor te geven is. Dan noemt men het een wonder.

Hoeveel wonderen zouden er bij de Pinksterbeweging overblijven, als ze even nauwkeurig werden getoetst? En tegenover de genezingen, waarvan men zoveel ophef maakt, staat dat velen niet beter worden. Dat wordt, als er geen onkunde in het spel is, aan ongeloof toegeschreven.

Maar waar wordt ons in de Bijbel beloofd, dat het geloof alle ziekten zal overwinnen? Niet alle gevolgen van de zonde worden nu al weggenomen. Denk aan de dood …

Misschien wordt onder ons al te spoedig gezegd, dat wij er maar in moeten berusten. Dat is echter niet de taal van het geloof. Wij geloven, dat God alles in Zijn hand heeft en dat ons niets bij geval overkomt. Wij moeten vragen, wat Hij ermee bedoelt. Het gaat er in dagen van gezondheid en in dagen van ziekte om van Zijn genade te leven, want daar wordt Hij in verheerlijkt. En er kan in de beproevingen een zegen verborgen zijn.

In de massale samenkomsten van de Pinksterbeweging is het gevaar groot, dat het spectaculaire overheersend wordt. Er wordt eerst opgeroepen tot geloof en bekering, maar dan komt het! Alsof de genezingen de hoofdzaak zijn. „Gebedsgenezing en masse”!

Zo heeft Christus het ons niet geleerd. Hij is gekomen om zondaren zalig te maken. De wonderen, die Hij deed, waren een bevestiging van de boodschap van de komst van het koninkrijk Gods.

Die wonderen hebben op zichzelf geen geloof gewekt. Wij zeggen of denken misschien wel eens: Gebeurden er maar opzienbarende dingen! Dan zouden er wel meer mensen geloven. Maar wij moeten niet vergeten, dat het grootste deel van het Joodse volk de Here Jezus Christus verworpen heeft ondanks de machtige wonderen, de genezing van blinden en doven, verlamden en melaatsen, en de opwekking van doden.

Osborn beweert: „Als er geen wonderen gewerkt worden, is er niets dat de heidenen trekt om naar het evangelie te luisteren, noch om ze te bewegen het te geloven”. Andere evangelisten nemen hetzelfde standpunt in.

Maar dit is geheel in strijd met de ervaringen van de zendingsarbeiders, het is een aantasting van de kracht van het Woord en de vrijmacht van de Geest. Ook voor de mensen van de twintigste eeuw staat er: Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven.

Wij zeggen niet, dat er nu geen wonderen meer gebeuren Maar het is een „naïve illusie” om te menen, dat alles precies zo kan doorgaan als het in het Nieuwe Testament toeging. Dat is niet te herhalen. Wanneer wij in volle ernst ons geloof, onze ongehoorzaamheid, onze schuld in rekening brengen bij het uitblijven der tekenen, mogen wij toch met niet minder ernst wijzen op de wijsheid en vrijheid van God, Die niet altijd en niet overal op dezelfde wijze handelt (Vgl. „Vragen rondom de gebedsgenezing”, Rapport aanvaard door de Gen. Synode van de Ned. Herv. Kerk in 1959. blz. 129-131).

Wij geloven, dat God nog wonderen doet. Is iedere genezing niet een wonder, dikwijls ongedacht, altijd onverdiend? Maar ook als er geneesmiddelen gebruikt zijn of een operatieve behandeling toegepast is, zien wij er Gods hand in. De medische wetenschap is ook een gave van God.

Wij moeten de genezing dus in gelovige overgave van de Here, onze God, verwachten. Dat houdt niet in, dat we geen middelen meer nodig hebben. Dat zou een heel gevaarlijke conclusie zijn. En dat houdt ook niet in. dat de genezing alleen maar van ons geloof afhankelijk is. Dat lijkt een blijde boodschap, maar het is een harde leer. Vele oprechte christenen zijn diep geschokt, toen zij niet genezen werden, en hun het verwijt werd gemaakt, dat hun eigen ongeloof daar de oorzaak van was. En leidt de leer van de Pinksterbeweging er niet toe, om wondergeloof aan te zien voor echt geloof? Wij zijn gevaarschuwd: Matth. 7: 22, 23.

Op de debetzijde van de Pinksterbeweging staat de onberekenbare geestelijke schade, die erdoor wordt veroorzaakt.

In onze kerken geloven en ervaren wij. dat God de Hoorder der gebeden is. Er zijn geen grenzen aan Jezus’ macht. Er gebeuren in de gemeente ook dingen, die de medici voor een raadsel plaatsen, en die wij als wonderen mogen zien. Maar wij maken er geen reclame mee.

We kunnen instemmen met het geciteerde rapport: Wat wij nodig hebben zijn géén massa-bewegingen tot genezing, waarbij, onbedoeld, op grote schaal magie bedreven wordt, en gevoelsontladingen dreigen te komen in de plaats van bewuste, de diepten van de mens rakende geloofsbeslissingen, maar een innerlijke vernieuwing der gemeente tot een biddende gemeenschap; een gemeente, wier gebed gelijkelijk vrijmoedig en ootmoedig is; een gemeente die veel van haar Heer verwacht, maar alles aan Hem overlaat, ook de bepaling van tijd, vorm en plaats van de openbaring Zijner kracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.