+ Meer informatie

Over de praktijk van het huisbezoek

10 minuten leestijd

Als vervolg op wat dr. Van Pelt schreef over de praktijk van het huisbezoek (zie AC 2017 nr 6 pag. 7), vroeg de redactie mij iets te schrijven over het opbouwen van een vertrouwensrelatie en over de aanwezigheid van kinderen bij het huisbezoek.

Vertrouwen als basis

In het formulier voor bevestiging van ouderlingen en diakenen valt op dat alleen bij de vragen (over de geheimhouding) de vertrouwenspositie aan de orde is. De ambtsdragers dragen de zorg voor Gods kudde. De gemeente moet hen erkennen als dienaren van God.

Wat nodig is om die erkenning en het vertrouwen te krijgen, verdient meer aandacht.

Volgens 1 Kor. 4:1, 2 is een eerste vereiste voor ‘dienaren van Christus… dat ze betrouwbaar blijken te zijn’. Het verhaal van het gemeentelid of het gezin moet veilig zijn bij de ambtsdrager. Wie voldoende aanvaarding en respect ervaart, groeit in vertrouwen en durft zich kwetsbaar op te stellen. Dat biedt de basis voor goede pastorale zorg.

Niet vanzelfsprekend

Dat de ouderling het volste vertrouwen ontvangt, is niet vanzelfsprekend. Wellicht kon hij vroeger meer dan nu uitgaan van het gezag dat hij had vanwege zijn ambt. Ook toen gold echter evengoed als nu dat een echte vertrouwensrelatie moet groeien.

Niet dat de oprechtheid van de betreffende broeder meteen betwijfeld wordt, maar of hij de gemeenteleden echt aanvoelt en begrijpt? Hoe gaat hij om met hun kwetsbaarheid? Hij kan nooit deskundig zijn op elk gebied. En de ambtstermijn is beperkt. ‘Na hem komt weer een ander’, zegt iemand. ‘Moet ik mijn verhaal dan opnieuw vertellen?’

De een geeft zich gemakkelijker in een persoonlijk gesprek dan de ander. Maar ook een goede prater legt niet altijd zijn hele hart op tafel. De vraag is of we dat bij het huisbezoek altijd kunnen verwachten.

Wat beogen wij

De ambtsdrager heeft als dienaar van Christus niet automatisch het recht om alles te weten. Een voorwaarde voor een goede vertrouwensrelatie is dat de grenzen van iemands persoonlijke levenssfeer in elk opzicht (lichamelijk en geestelijk) worden gerespecteerd. We hoeven niet alleen te denken aan grensoverschrijdend gedrag in lichamelijk opzicht. Je kunt ook teveel vragen stellen, vanuit nieuwsgierigheid, meer gericht op (de zorg voor) jezelf, dan de zorg voor en de hulp aan de ander. Oprechte belangstelling is iets anders dan interesse in andermans ellende. Doorvragen over allerlei details dient geen ander doel dan het bevredigen van eigen nieuwsgierigheid of zelfs sensatiezucht. In ernstige zaken als overspel, misbruik en incest is het uiterst schokkend wanneer ambtsdragers tot in pikante details willen weten wat er gebeurd is. Dan gaan ze grenzen over die het vertrouwen in de ambtsdrager schaden.

Het vraagt een goed invoelingsvermogen om te onderscheiden wat dienstbaar is. Laten we duidelijk aangeven dat de ander nooit meer hoeft te zeggen dan hij of zij wil. Een goede vraag aan het eind is: Hebt u kunnen zeggen wat u wilde zeggen? Het doel zal altijd moeten zijn om een relatie tot stand te brengen, niet waarin wij als ambtsdrager krijgen te horen wat we willen horen, maar waarin de ander zich in elk opzicht veilig weet. Een vertrouwensrelatie is dienstbaar aan de ander en weerspiegelt daarmee hoe Christus Zich verhoudt tot de gemeente.

Organisatie

Om aan een echte vertrouwensrelatie te werken, is viermaal huisbezoek in vier jaar te weinig. Toch zegt de frequentie van het bezoek niet alles. Aan een predikant die pas in een gemeente staat, wordt soms meer toevertrouwd dan aan een ouderling die men al jaren kent. Binnen de gemeente bestaat een netwerk aan relaties (familie, vrienden) waar de ouderling ook al jarenlang deel van kan uitmaken. Soms kent men elkaar te goed. Vooral ingrijpende zaken als incest of misbruik vertel je niet gauw aan de broeder die ook een vriend van je achterbuurman is of je klasgenoot van vroeger. Daarom is het belangrijk dat naast de kerkenraad interne vertrouwenspersonen zijn aangesteld.

Het blijft voor elke ambtsdrager nodig om aan vertrouwen te werken. Het vraagt om meer dan alleen de jaarlijkse huisbezoeken. Vertrouwen groeit wanneer je aanwezig bent wanneer dat nodig is, in blijde en droeve dagen, en laat zien dat je oog hebt voor wat de ander bezighoudt. Dat kan een extra bezoek betekenen. Telefoon en sociale media kunnen ook een goede rol vervullen. Daarnaast zijn genoeg andere mogelijkheden om elkaar te ontmoeten, zoals wijkavonden of wijkkringen, of het koffiedrinken na de dienst. Ambtsdragers doen er goed aan om dan bijzonder oog te hebben voor wie aan hen zijn toevertrouwd en wellicht in de schaduw staan.

De grootte van de wijken zal het misschien lastig maken om al die extra aandacht te geven. Laat niet alles bij de ouderling worden neergelegd. Hij zal niet met elk gemeentelid een even diepgaande relatie kunnen onderhouden. Verschil in karakter en levenservaring spelen mee. We moeten daar niet een te groot probleem van maken. Misschien vindt iemand veel steun bij een andere broeder of zuster. Daarin kan de rijkdom naar voren komen van de gaven in de gemeente. Vooral in grotere gemeenten kunnen naast de kerkenraad pastorale bezoekers (broeders en zusters) een belangrijke rol vervullen. Laten ze dan wel een officiële aanstelling hebben, regelmatig overleggen met de wijkouderling, en een belofte van geheimhouding ondertekenen.

Houding

Je medebroeders en zusters kennen is belangrijk, laten zij zich vooral gekend weten. Een hoge frequentie van elkaar ontmoeten, zegt niet alles. Onze houding en de indruk die we achterlaten wegen het zwaarst.

Een vertrouwensrelatie is wat anders dan dat je intieme vrienden van elkaar bent. Voor echte betrouwbaarheid is naast betrokkenheid gepaste distantie onmisbaar. Dat is geen afstandelijkheid, wel een houding van respect waarbij de noodzakelijke vrijheid voor de ander gehandhaafd blijft en geen afhankelijkheid van de ambtsdrager ontstaat. Theoloog en psychoanalyticus Jan Bodisco Massink noemt het ‘daar houden’. Het gaat om de woorden, het verhaal van de ánder. Wie teveel naar zich toehaalt, met de beste bedoelingen misschien, kan daarin verstrikt raken en dat leidt slechts tot teleurstelling. Teveel nabijheid leidt tot verwachtingen die je nooit waar kunt maken. We helpen niemand door zijn of haar problemen tot de onze te maken.

De verleiding is dat we denken te weten wat goed is voor de ander. We weten ons immers verantwoordelijk, geroepen door de Here. Ondertussen kunnen we teveel in eigen hand houden en de ander geen recht doen. We hebben onze plaats te kennen als dienaar. Dus geen macht uitoefenen. Goed luisteren, om Gods stem in deze situatie gewaar te worden. Ingaan op wat de ander zegt, daaraan volop recht doen. Altijd op positieve wijze verbinding zoeken, in alles laten merken dat de ander en alles wat hij of zij zegt, ertoe doet. Altijd respect tonen, ook wanneer opvattingen of levensstijl weerstand bij ons oproepen. Langs die weg ontstaat vertrouwen, waarin je nader komt en de zegen van de Zender tastbaar wordt.

Zorgvuldigheid

Trouw en betrouwbaar zijn, vraagt zorgvuldigheid in ons zeggen en handelen, nakomen van beloften, niet spreken over anderen en niet met anderen spreken over wat je gehoord hebt. Hoe gaan we om met de verslaglegging? Huisbezoek vindt plaats in opdracht van de kerkenraad. Daarom zal ook de kerkenraad iets terug moeten horen. De anderen hoeven echter, al geldt ook voor hen ambtelijke geheimhouding, niet alles te weten. In geval van misbruik geeft het protocol aan wanneer anderen uit de kerkenraad erbij betrokken moeten worden. Het Meldpunt Misbruik kan daarin goede adviezen geven. In gevallen van kerkelijke tucht wijst Matth. 18:16 de weg. In andere gevallen geldt dat vertrouwelijke zaken alleen gerapporteerd worden wanneer het gemeentelid daarmee instemt, en het dienend is b.v. om andere kerkenraadsleden om hulp of advies te vragen. Om de communicatie zuiver te houden geldt altijd de regel dat we niet aanwezig zijn bij de verslaglegging van bezoeken aan familieleden.

Kinderen bij het huisbezoek

Een heel ander onderwerp, hoewel het raakt aan het voorgaande. Welke plaats hebben kinderen bij het huisbezoek? Een kleine rondvraag in mijn omgeving leverde verschillende reacties op. Daaronder een mooie herinnering aan een ouderling die de kinderen in een gezin altijd prachtig wist aan te spreken. Hij begon zijn bezoek vroeg in de avond en gaf eerst de jongsten alle aandacht. Daarna kregen de tieners alle ruimte. Ten slotte volgde een diepgaand gesprek met de ouders. Het lijkt een ideaal. Het is de vraag of van elke ouderling zoveel vaardigheid verwacht kan worden en of het altijd vol te houden is.

Negatieve herinneringen worden ook genoemd. Huisbezoeken die een kind als last heeft ervaren. Tegen je zin antwoord moeten geven op een serie vragen. Blij wanneer je weer naar je kamer kon gaan. In die gevallen heeft het huisbezoek voor de kinderen het doel gemist.

Het is mooi wanneer de kinderen bij een deel van het huisbezoek aanwezig kunnen zijn, laat daar ook de mogelijkheid voor geboden worden. Als vaste regel zal het niet kunnen gelden. Voor kinderen en jongeren zijn er andere wegen dan het jaarlijkse huisbezoek, waarbij ze misschien nog wel veel beter merken wat het betekent bij de gemeente te horen, dat er oog voor ze is. Het is wel belangrijk dat in de gemeente duidelijkheid bestaat t.a.v. het beleid. Het kan nooit alleen de verantwoordelijkheid van de jeugdouderling zijn. Een team voor jeugdpastoraat kan hierbij veel betekenen. De kerkenraad zal een vastgesteld beleid moeten hebben, dat ook bekend is bij iedereen en regelmatig wordt herijkt.

Wie recht wil doen aan het gezin dat hij bezoekt, doet er goed aan het hele gezin te leren kennen, de namen van de kinderen en hun achtergronden. Belangstelling tonen dus voor wie ze zijn en voor wat zij doen. Laat het huisbezoek voor de kinderen vooral geen plichtmatig zitten op de bank zijn, waarbij ze het gevoel krijgen overhoord te worden. Laat hun verhaal vooral de ruimte krijgen, zodat ze de aandacht en liefde voelen van iemand waarvan ze het misschien nooit hadden verwacht. Dat legt een belangrijke basis van vertrouwen en geeft ruimte voor het zaad van het Evangelie.

Wie is voor deze taak bekwaam?

Wie zichzelf zoekt, moet niet aan pastoraal werk beginnen. De stijl van het Koninkrijk van God betekent volgens Paulus in Rom. 12:3: ‘niet hoger denken dan hij moet denken (…), denken in bescheidenheid’ (HSV). ‘U moet zichzelf niet hoger aanslaan dan u kunt verantwoorden, maar u moet verstandig over uzelf denken’ (NBV). Dat is niet anders dan priesterdienst, jezelf als offer stellen in Zijn dienst. Vernieuwing van ons denken is noodzakelijk (Rom. 12:1,2). Integer te werk kunnen gaan, vraagt om voortdurend gebed: geef ons wijsheid! In ons dienen zijn we vaak meer bezig met onszelf dan we onszelf bewust zijn. Wanneer een huisbezoek moeilijk verloopt, wanneer we moe worden of irritatie voelen, dan heeft dat wellicht meer met onszelf te maken dan met de ander. Verstandig over jezelf denken houdt in dat we ons bewust zijn van wat we van onszelf meedragen in het gesprek, van projecties van eerdere ervaringen wellicht. Het zou de moeite waard zijn als daar in een apart artikel aandacht aan besteed kon worden. Veel valt te leren in toerustingscursussen. Wie begint aan het werk als ambtsdrager, doet er goed aan daar volop gebruik van te maken. Iedere kerkenraad zou het als regel moeten hebben een dergelijke toerusting aan te bieden, waarbij alle aandacht is voor je houding als ambtsdrager in het pastoraal gesprek.

Toezien op elkaar

In Hand. 20:28 horen de oudsten van Efeze de belangrijke regel ‘Zie toe op uzelf en op de hele kudde’.

Het nieuwe bevestigingsformulier legt dit uit als ‘voortdurend Gods Woord onderzoeken en zich oefenen in het dienen van de Here’. Het houdt ook een gezonde zelfreflectie in. Wie niet in de spiegel durft te kijken, moet aan dit werk niet beginnen. Het verslag aan de kerkenraad kan goed dienen om elkaar toe te rusten: wat maakte het gesprek tot een goed gesprek, of waar had het wellicht anders of beter gekund? We hoeven het niet alleen te doen. Wie op weg gaat in afhankelijkheid, in bereidheid om van elkaar te leren, in kwetsbaarheid en in opzien naar de goede Herder, zal vaak mogen zeggen: ‘Heer, wat een voorrecht, in liefde te gaan, schouder aan schouder in Uw wijngaard te staan.’

Meer hierover:

C. van der Leest, Dienstvaardig, deel 2, de werkwijze van ouderlingen en diakenen. Barneveld, 1989.

Jan Bodisco Massink, Tussen de regels. Psychotherapeutische vaardigheden voor pastoraat en geestelijke verzorging. Tilburg, 2013.

Ds. Van der Wal is predikant te Baarn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.