+ Meer informatie

Spreken vanuit het bezit

7 minuten leestijd

Het rijke bezit.

Bezitten wij de geestelijke rijkdommen, die in Christus liggen, dan is dat het rijkste bezit wat maar te denken is. Dan zouden wij arm kunnen zijn naar de wereld. Arm in eer en aanzien, in grootheid en heerlijkheid, maar dan zegt de Schrift: „doch gij zijt rijk”! Wijk wereld, wijk schatten, Gij kunt niet bevatten, Hoe rijk ik wel ben; k Heb alles verloren, Maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben. Hoe groot, als wij vanuit dat bezit ook mogen spreken. Veel goeds van God, en de rijkdommen van Zijn genade mogen vertellen. Dan worden wij klein, en God alleen groot. Dan verliezen wij ons in het wonder van de aanbidding: „Mijn God, U zal ik eeuwig loven, Omdat Gij ’t hebt gedaan. „Niet ons, O Heere, niet ons, maar Uwe Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil”. Hoe gevaarlijk echter en misleidend, als ons spreken vanuit het bezit, niet anders zou zijn dan een spreken vanuit een zekere beschouwing van de geestelijke rijkdommen, die in Christus liggen. Dan wordt dat bezit een onrechtmatig bezit. Dan wordt dat spreken een onrechtmatig spreken, over dingen, die in wezen nog buiten ons staan.

Wij dachten daaraan in verband met de algemene tendens, die in jeugdbladen, in kerkbladen, in meditaties, preken en dogmatische verhandelingen, steeds maar weer naar voren wordt gebracht. De tendens van „wij hebben het”, „wij bezitten het”, „wij zijn rijk”, „wij zijn kinderen des Verbonds”, „wij zijn allemaal gelovigen”, Dat zijn allemaal klanken, die de vraag doen oprijzen: gaat men zo langzamerhand ook in onze kringen vergeten, dat er een wég, een geloofsweg, een genadeweg is, die leidt naar dat rijke bezit. Dat het geen vanzelfsheid is, dat wij dat genadeheil bezitten, maar dat wij het van nature allemaal missen, en dat wij alleen in de weg van wedergeboorte en bekering, geloof en rechtvaardigmaking, tot dat rijke bezit kunnen worden gebracht?

Het trof mij laatst zelfs in ons kerkelijk orgaan te lezen: „Er is veel om dankbaar te zijn. Dat je het leven krijgt, dat je mag en kunt werken, dat je liefde mag geven en ontvangen, dat je gehuwd bent, kinderen mag verzorgen, dat je ouders hebt en naar school mag gaan, dat je - en wat nu komt is van dezelfde éne Vader, en hoort bij de zegen in elke kerkdienst - geborgen mag zijn, omdat Jezus voor je heeft geleden en gebeden en zo bewaart, dat zonder de hemelse Vader je niets overkomt, en geen ding je kan scheiden van de liefde Gods. Je zou deze lange zin ook kort kunnen omschrijven: dankbaarheid als voor het feit dat je er bent, en dat je verlost bent.” Dat wordt dan zo maar, zonder verder commentaar, tot geestelijke leiding van jong en oud doorgegeven. Zulk een spreken vanuit het bezit, noem ik gevaarlijk en zielsmisleidend, want er is één ding vergeten en dat is: de weg, die leidt tot dat bezit.

De weg tot dat bezit.

Onze Chr. Ger. Kerken hebben steeds de nadruk willen leggen op de noodzakelijkheid van wedergeboorte en bekering, op de schenking, maar ook op de toepassing en toeëigening des heils. Bij de bespreking met de Deputaten der Ger. Kerken, en ook met de Deputaten der Ger. Kerken vrijgemaakt, werd dit steeds het punt van verschil, en het grote struikelblok. Is dat alles nu weggevallen? of wordt dat wezenlijke verschilpunt al meer en meer verdoezeld? Mag men nu ook in onze kerken gaan spreken vanuit het bezit, zonder te akcentueren de weg, die leidt tot dat bezit? ’k Herinner mij eens in een preek gezegd te hebben, dat er om verloren te gaan niets bijzonders behoefde te gebeuren, maar dat er om zalig te worden, in het leven van ieder mens, een wonder moest gebeuren. Vol verwondering werd mij toen, zelfs door een predikant gevraagd, of ik vergeten was, wat er bij de Doop gebeurd was. In Christus van de zonde afgewassen, en tot kinderen Gods aangenomen. De schenking des heils werd gewoonweg geassimileerd met de toepassing en toeeigening des heils. Het zo noodzakelijke werk van de Heilige Geest werd ten enenmale uitgeschakeld. Het is de mens die gelooft, de mens die aanvaardt, het is de mens, die zonder enige geestelijke beleving, spreekt vanuit een vermeend bezit! Gevaarlijk nogmaals en zielsmisleidend, want de wég tot dat bezit, tekent de Schrift, als een weg van missend begeren en biddend verwachten.

Missend begeren en biddend verwachten.

Alle echte bezitters hebben in de eerste plaats zichzelf als missers leren kennen. Als missers van God, en het waarachtige leven. Als missers van Christus, en de rijkdommen van Zijn heil. Als missers van de Heilige Geest, en de bedieningen van Zijn werk. Als missers, die niets bezitten dan zonden en nog eens zonden, schuld en nog eens schuld!

Wordt dat gemis gekend en beleefd, dan wordt daaruit de nood van het leven geboren. De nood van de geestelijke armoede! De nood van de geestelijke schuld! Dan worden wij geen rijke mensen, maar diep arme, ongelukkige mensen. Ik ben ellendig, arm en naakt, O God, mijn helper uit d’ellende, Haast U tot mij, wil bijstand zenden, Uw komst is het die mijn heil volmaakt.

Mag het Woord van God dan voor ons opengaan, en de schatten van Gods genade, de rijkdommen, die in Christus liggen, worden daarin ontdekt, dan komt er ook een missend begeren, en een biddend verwachten. Wordt dan de gang naar Gods huis gemaakt, wat kan het dan leven in de ziel: „Och mocht ik in die heilige gebouwen, De vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog, Zijn liefelijkheen en schone dienst aanschouwen, Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog”.

Dan mogen de klanken „och” en „ach”, geen moderne klanken zijn, voor de moderne mens van deze tijd, maar het zijn wel Bijbelse klanken, die geleerd worden op weg des heils. Dat missend begeren wordt ook een biddend verwachten!

Dan kunt u het niet grijpen, maar dan leert u het wel verwachten van de kant van toepassing, en toeëigening des Heiligen Geestes. Zó alleen zult u dat rijke bezit als een gegeven, als geschonken genadebezit moeten leren kennen. Genade in de verdienste, maar ook genade in de toepassing!

Alleen langs deze weg, als God door Zijn Geest het voorhangsel scheurt, Christus in Zijn lijden en sterven, in Zijn middelaarsglorie in het hart verklaart en toepast, dan komt er een rechtmatig bezit, in de toeëigening van een kinderlijk geloof! „Ik ben Zijn, en Hij is mijn”! Zou daaruit dan niet geboren worden een sprekend getuigen?

Sprekend getuigen.

Alle rechtmatig bezit maakt ook de tong des harten los. Dan horen wij de apostel jubelend juichen en juichend jubelen: „Ik weet in Wien ik geloofd heb. Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onze Heere”.

Dan roept zelfs Job op de ashoop der beproeving het uit: „Ik weet mijn Verlosser leeft”! Dan komt er een spreken uit het bezit, waarbij alles zich verliest in dat grote wonder: „Deze ellendige riep, en de Heere hoorde, en verloste hem uit al zijn benauwdheden”.

Zó te spreken uit het bezit is Godverheerlijkend, de mens in zijn vermetele hoogmoed en eigengerechtigheid dodend, dan blijft er voor heel ons leven, maar één klein woordje over, en dat is het woordje: genade, genade alleen!

Driebergen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.