+ Meer informatie

Van het Zendingsveld

4 minuten leestijd

(39.)

J. T. v. d. Kemp. Zijn bekering.

't Is midden in de zomer van het jaar 1791. Tussen Dordrecht en Zwijndrecht, op de Merwede, vaart een zeiischeepje. De wind bolt de zeilen en de golven klotsen tegen de boeg van het ranke vaartuigje. Hier, op het water, is het heerlijk fris. De dokter met vrouw en kind genieten van het spelevaren, 't Is een dokter uit Zwijndrecht; de ons bekende Johannes Theodorus van der Kemp, die met vaste hand het scheepje stuurt, 't Is juist wéér om te zeilen, midden in de zomer, Maar het zomerweer kan ook grillig zijn. Er kan plots een windhoos voorbij trekken. En dan helpt de bekwaamheid van de stuurman maar weinig. Onverwachts kunnen de zeilen gegrepen worden door felle rukwinden, waar je niet op bedacht bent. Zo gebeurt ook hier. Plotseling giert de wind door het want. Eén hevige ruk is voldoende om het zeilscheepje om tc slaan. Zie, daar raken de zeilen het water. Waar zijn de inzittenden? Daér komt een hoofd boven water, en ginds nog één, en een eindje verder zien we nog iets aan de oppervlakte verschijnen. Maar die drenkelingen verdwijnen weer in de golven. Neen, toch niet. Eén hoofd komt weer boven, 't Is Van der Kemp, die zich drijvende kan houden. Zie, hoe hij worstelt om aan de kant te komen. Als het lang moet duren, dan is hij verloren. Hij worstelt met de dood voor ogen. Door zijn worstelen gelukt het hem op het droge te komen. Hij is gered. Maar waar zijn zijn vrouw en zijn kind? Wie zal het zeggen? Hij zal ze niet levend meer zien.

Er is maar één schrede tussen ons en de dood. Dit werd hier wel bewaarheid. Vreselijke slag voor Van der Kemp! Waar moest hij troost vinden? De mensen zijn nietige vertroosters. De ware troost kan dc Heere schenken. We kunnen niet beschrijven wat er in de ziel van Zwijndrechts dokter omging. Zelf heeft hij er van getuigd, dat hij tot een gewillig overgeven van vrouw en kind in Gods hand mocht komen. Het vijfde hoofdstuk van de Romeinerbrief over de noodzakelijkheid en de heerlijkheid der verlossing door Christus ging voorzijn ogen open. En daar zag hij bij Geestes licht zijn afschuwelijke gedaante: door erf-en dadelijke zonden verdoemelijk voor God. Daar kwam bij, dat de aanstaande Zondag het Avondmaal bediend stond te worden. 't Was of de Heere Van der Kemp afvroeg: „Wat zult ge Mij geven? " En het antwoord was: „Heere, Gij hebt mij overweldigd. Gij hebt U van mij meester gemaakt. Alles wat ik heb is van U. Ik heb niets over gehouden dan een hart vol ongerechtigheden." Op deze belijdenis klonk het met kracht in zijn hart: „Geef Mij dat hart."

Toen het Avondmaal werd bediend, maakte de voorafgaande predikatie diepe indruk op hem. De dominee sprak naar aanleiding van Johannes 10 over de schapen en noemde de eigenschappen van die dieren. Niet één zo'n eigenschap bezat Van der Kemp, en in stilte zuchtte hij: „Heere, nodig mij bij uw zwijnen."

Bij de nodiging tot de Dis durfde Van der Kemp niet op zijn plaats blijven zitten. Hij naderde tot de tafel zoals hij was en heel zijn zondige hart mocht hij in oprechtheid aan Christus overgeven.

Van der Kemp schrijft: „Op dit ogenblik ging een nieuw licht op in mijn ziel. Ik zag mijn vroeger ongeloof, mijn verwaarlozing en afkeer van de weg der verzdening als blindheid, ontrouw, ongeloof en terzelfdertijd wist ik mijn hart gereinigd van al deze gebreken, die Jezus op Zich genomen had, toen Hij mij aannam als Zijn kind."

„Een stroom van ongerechtigheden Had d' overhand op mij; Maar ons weerspannig overtreden Verzoent en zuivert Gij."

M. NIJSSE.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.