+ Meer informatie

DE VERKIEZING VAN OUDERLINGEN EN DIAKENEN

9 minuten leestijd

Een jaarlijks terugkerend agendapunt op de kerkeraadsvergaderingen is de verkiezing van ouderlingen en diakenen. Het is een agendapunt dat vaak veel tijd vraagt. Meestal zijn de vergaderingen waarop de tallen gesteld moeten worden de meest langdurige; niet zelden strekken ze zich uit tot de nachtelijke uren. En dan is men nog niet klaar. Bovendien zijn deze vergaderingen dikwijls bijzonder moeilijk. Vele kerkeraden zowel in grote als kleinere en kleine gemeenten hebben de grootste moeite om de vereiste tallen samen te stellen. Toch blijft de verplichting op de kerkeraad rusten om deze zaak met de grootste zorgvuldigheid te behartigen.

Artikel 22 van de Kerkorde zegt: „De ouderlingen worden uit een voordracht van de kerkeraad met medewerking van de gemeente verkozen, doordat een aantal, dubbel zo groot als het te verkiezen aantal, aan de gemeente wordt voorgesteld, waarvan zij verkiest zoveel er nodig zijn, waarna de gekozenen, als zij door haar zijn geapprobeerd, onder aanroeping van de Naam des Heren volgens het daarvoor bestemde formulier worden bevestigd”.

Artikel 23 luidt: „Op dezelfde wijze als omschreven in artikel 22, heeft ook de verkiezing, approbatie en bevestiging van diakenen plaats”.

Hoe komt het dat vele kerkeraden zo’n moeite hebben om een voordracht te doen aan de gemeente?

Daar zijn verschillende oorzaken voor aan te wijzen. We noemen er enkele.

In de eerste plaats moet gesteld worden dat niet elk gemeentelid geschikt is voor dit werk. Het is verdrietig om dit te moeten vaststellen maar het is niet anders. Er zijn broeders die heel goed ingezet kunnen worden voor ander werk maar niet geschikt zijn voor het ambtswerk. Dat kan achtergrond hebben: levenswandel, karakter, aanleg, omgang met anderen, wijze van benadering, manier van optreden en dergelijke. Ook kan het gebeuren dat een broeder zo weinig kennis en inzicht heeft in het Woord des Heren en de belijdenis der kerken dat men moet zeggen: dit kan toch niet. Daarom kan zo’n broeder wel een oprecht christen zijn maar daarmee is hij nog niet geschikt voor het ambt. Het is altijd goed om op kerkeraadsvergaderingen waar de verkiezingen aan de orde komen, te lezen wat Paulus in 1 Timotheüs 3 schrijft over de ambtsdragers.

Een kerkeraad beseffe ook wel dat een broeder niet geschikt wordt voor een ambt wanneer hij de gemeente gelegenheid heeft gegeven om namen te noemen voor ambtsdrager en een bepaalde broeder meerdere malen wordt genoemd. De kerkeraad zal zelfstandig moeten oordelen en hij is niet verplicht mede te delen waarom een bepaalde broeder wèl of niet gekandideerd is.

Een moeilijkheid die in onze tijd er nog al eens bijkomt, is dat er (helaas) steeds meer broeders zijn die trouw zijn in het één keer naar de kerk gaan, terwijl er geen steekhoudende reden is op te geven waarom zij niet twee keer zouden gaan. Het argument dat wel eens gebruikt wordt om zo iemand wèl te kandideren nl. dat hij daardoor misschien gewonnen wordt voor twee maal per zondag naar de kerk te gaan, is geen houdbaar argument. Het is natuurlijk heerlijk als iemand in de toekomst een voorbeeld wordt voor de gemeente, maar om ambtsdrager te zijn moet hij een voorbeeld zijn. In Handelingen 2 lezen we van de eerste christengemeente dat de leden bleven volhar-den bij het onderwijs der apostelen. Het is zonder meer duidelijk dat dat van de grootste betekenis is geweest voor de gemeenten in die tijd. Maar dat is van niet minder belang voor de kerk van vandaag. Jammer genoeg wordt de kennis in onze tijd niet meer maar minder. Een ambtsdrager behoeft geen geleerde te zijn, maar hij moet wel weten te onderscheiden.

Een tweede belangrijke reden waarom het moeilijk is ambtsdragers te krijgen, is gelegen in het feit dat tal van broeders zich niet beschikbaar willen stellen voor een kandidatuur. Soms moet men daarbij een zekere gemakzucht constateren. Men zegt soms te gemakkelijk: dit doe ik niet of kan ik niet doen.

Daarbij moet men wel onderscheiden. Er zijn broeders die belangrijke functies vervullen in verschillende besturen als schoolbesturen e.d. Die taken zijn soms veelomvattend. En ook niet elke broeder kan een dergelijke taak vervullen. Een kerkeraad moet zich heel goed bezinnen als hij een broeder gaat kandideren die zo’n functie vervult. Het is inderdaad mogelijk dat men in een dergelijk geval moet zeggen: deze broeder heeft een belangrijke en verantwoordelijke taak en hij is daar geschikt voor en daarom kandideren wij hem niet.

Anderzijds zijn er broeders die veel te gemakkelijk een eventuele kandidatuur afwijzen. Ze hebben geen tijd; ze zijn niet geschikt; dat is niets voor hen of ze geven een andere reden op. De vraag is of men daar maar in moet berusten. Onzes inziens niet. Ook in andere kerkgemeenschappen worstelt men met deze mentaliteit. Zonder op enigerlei wijze de vrouw in het ambt te propageren verzucht je wel eens: hadden we de vrouw in het ambt maar dan konden we wat gemakkelijker ambtsdragers krijgen!

Is er nu iets aan te doen dat de geschetste situatie wat verandert? Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk.

Enerzijds zal er op langere termijn gewerkt moeten worden om hierin verandering te brengen; anderzijds zal men na moeten gaan of men op korte termijn iets kan veranderen en verbeteren.

Het valt niet te ontkennen dat de gemakzucht waarover we boven spraken, samenhangt met de geest van de tijd. Het zegt ook iets van de geestelijke instelling van gemeenteleden die zich steeds willen onttrekken aan het ambt. Deze instelling zal op zijn tijd in prediking en pastorale bearbeiding aan de orde gesteld moeten worden. Dat is werk op lange termijn, maar het zal moeten gebeuren. Het is inderdaad geen kleinigheid om in deze tijd die zo complex is en zoveel vragen stelt en antwoorden vraagt, ambtsdrager te zijn. Maar waar is dan de liefde tot de Here en het geloof dat Hij ons niet alleen laat in het ambt? Misschien moeten deze dingen meer en indringender aan de orde komen dan wel eens gedaan wordt of gedaan is.

Een kerkeraad kan ook niet genoeg bevorderen dat de leden van de gemeente alles doen om hun kennis en inzicht te vermeerderen. De vorm zal wellicht anders moeten dan vroeger, maar de zaak zelf is bijzonder urgent.

Op korte termijn zou men als kerkeraad zich voor een kandideringsvergadering eens kunnen bezinnen op de vraag hoe men de kandidaatsstelling zal aanpakken. Er zijn kerkeraden die zonder meer aan de kandidaatsstelling beginnen te werken. Men is daarin natuurlijk geheel vrij. Maar de gevolgen zijn er soms ook naar. Er worden namen genoemd door de kerkeraadsleden en die worden dan verder besproken. Als het maar even verantwoord is, worden er broeders gekandideerd. Maar als dan de stemming geweest is en de betrokken broeders een antwoord moeten geven, komen er allerlei bezwaren. Bezwaren die soms wettig zijn, bezwaren ook waarvan de kerkeraad achteraf moet zeggen: als we dàt geweten hadden, hadden we deze broeders niet gekandideerd. Dat zegt toch dat er iets fout is en dat er iets gebeurd is, dat niet verantwoord is. Men vergete niet dat men deze kandideringsvergaderingen houdt, terwijl men de Naam des Heren heeft aangeroepen. Als men een broeder heeft gekandideerd en na de verkiezing blijkt dat de betrokken broeder in bepaalde omstandigheden verkeert waarvan de kerkeraad naderhand moet zeggen: ja, dit is wettig en deze broeder kan in deze omstandigheden deze roeping niet aanvaarden, dan acht ik het een ernstige nalatigheid van de kerkeraad dat hij niet behoorlijk heeft geïnformeerd bij de betrokkene naar zijn om-standigheden. Ik vind het ook een zonde tegen het derde gebod. Dat is nu het ijdel gebruiken van de Naam des Heren.

Wat moet men dan? Gaarne geven we onze gedachten voor beter. Men zou het volgende eens kunnen overwegen en wellicht nog beter en meer uitwerken.

Men beginne vroegtijdig aan de kandidaatsstelling. Een paar maanden voor de vergadering van de kerkeraad over de wisseling van ambtsdragers herinnere men elkaar er aan dat deze zaak binnenkort aan de orde komt. Men kan zich dan vast bezinnen. Mogelijk kan dan op de volgende vergadering een groslijst worden samengesteld die men bespreekt. De ene broeder weet dit, de ander dat van een bepaalde broeder. Maar soms weet niemand het rechte. De een zegt: nee, die broeder kan niet want hij heeft dit; de ander zegt: ja, maar daar is hij mee opgehouden. Welnu, wat is er tegen dat men gaat informeren en dat men nagaat of er objectieve bezwaren zijn tegen een kandidatuur.

Direct moet hierbij gezegd worden dat de grens tussen objectieve bezwaren en onwettige en gemakzuchtige bezwaren is de praktijk soms moeilijk te trekken is. Maar de praktijk leert ook dat het groot verschil maakt, hoe men een dergelijk gesprek aanpakt. Wie binnenkomt bij iemand en zegt: wilt u wel ambtsdrager worden en dat kom ik namens de kerkeraad u vragen, moet zich niet verwonderen dat hij nee als antwoord krijgt.

Tijd en wijze zal men moeten weten. En men zal een dergelijk gesprek moeten voeren met als achtergrond de gedachte (die gerust uitgesproken mag worden) hier kan voor u een roeping liggen. En zijn uw argumenten om nee te zeggen voor u voor het aangezicht des Heren houdbaar en kunt u daarvoor bidden? Men komt immers niet voor zijn eigen zaak?

Niet iedereen is geschikt voor een dergelijk gesprek. Laat men dat toch eerlijk bekennen. Dat is toch geen schande. De een heeft deze gave de ander een andere. Mogelijk kan het moderamen van een kerkeraad met grote zorgvuldigheid uitzoeken wie wie bezoekt.

Heeft een kerkeraad de gemeente gelegenheid gegeven om namen te noemen van broeders die zij geschikt acht voor het ambt, dan overwege men goed of er reden bestaat om aan de opgegeven naam (namen) aandacht te geven. Er kunnen ook verborgen krachten in een gemeente zijn.

Het is vanzelfsprekend mogelijk dat een verkozen broeder na zijn verkiezing bedenktijd vraagt. De kerkeraad zal dan en ook wanneer een broeder staande de verkiezingsvergadering van de gemeente nee zegt, met zo’n broeder moeten gaan praten. Soms zal dat gebeuren door middel van een deputatie van de kerkeraad soms ook ter kerkeraadsver-gadering. Hoe men het ook doet, men bedenke dat men niet komt vragen of de betrokken broeder ja of nee zegt, maar dat men met hem gaat praten over een roeping die via de gemeente van de Here tot hem komt. Dat geeft het gesprek een ander karakter dan dat men even komt informeren welke beslissing genomen is.

Overigens is het zeer aan te bevelen dat de ambtsdragers op het huisbezoek deze dingen ook voorzichtig, peilend aan de orde stellen. Het zal een moeilijke zaak blijven om ambtsdragers te krijgen (en vermoedelijk zal het nog moeilijker worden) maar men werke met overleg en wijsheid onder biddend opzien tot de grote ambtsdrager Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.