+ Meer informatie

DE PINKSTERBEWEGING (VII)

13 minuten leestijd

„De kerk en de Pinkstergroepen”

De kerken hebben meer dan vroeger met de Pinksterbeweging te maken gekregen. Het is dan ook niet te verwonderen, dat er van kerkelijke zijde op gereageerd is.

In 1960 verscheen een herderlijk schrijven van de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk onder de titel: „De kerk en de Pinkstergroepen”.

De sterk toegenomen activiteit van allerlei Pinkstergroepen, waardoor ook leden en ambtsdragers van de kerk werden beïnvloed, was voor de synode een eerste reden om zich met dit schrijven tot de gemeenteleden te richten. Herhaaldelijk was ook gevraagd om voorlichting en advies inzake de houding, die men ten opzichte van de Pinkstergroepen moest aannemen. „Wat moet men aan met gemeenteleden, ja ook ambtsdragers, die zich laten her-dopen?”

Behalve deze directe aanleiding was er voor de Ned. Herv. Kerk nog een andere, diepere reden om met de Pinkstergroepen bezig te zijn: de situatie in de kerk zelf. Er is enkele jaren geleden gezegd (in een rapport over de stand van het geestelijk leven in de Geref. Kerken): „De kerk lijdt aan gebrek aan de

Heilige Geest”. De Generale Synode van de Ned. Herv. Kerk kon niet ontkennen „dat vruchten en gaven van die Geest vaak onder ons gemist worden, en dat er in de kerk een groot tekort is aan betoon van Geest en Kracht”. Naar haar oordeel is het voor de kerk een zaak van levensbelang om aandachtig te letten op wat zich in onze tijd aandient als manifestatie van het werk van de Heilige Geest, ook in kringen die tot nog toe afzijdig van of zelfs afwijzend tegenover de kerk stonden. Zeker niet om alles kritiekloos te aanvaarden! Het is daarom nodig om zich kritisch met de boodschap en de praktijk van deze groepen bezig te houden.

Verschillende voormannen van de Pinksterbeweging, leidende figuren als Donald Gee en David du Plessis, willen positief tegenover de kerk staan. Ook dit is een reden om de ontwikkeling met grote aandacht te volgen.

De kern van het herderlijk schrijven is de weergave van „de boodschap van de Pinkstergroepen” en een antwoord daarop, waarmee wij ons in grote lijnen wel kunnen verenigen.

Men heeft niet willen volstaan met een afwijzizng van de leer van de Pinkster-groepen. Men heeft zich afgevraagd: Wat heeft deze beweging ons te zeggen? In het laatste hoofdstuk gaat het daarom over de kerk en de vraag naar de vervulling met de Heilige Geest. „Wat moet gebeuren, wil het in de kerk komen tot een dusdanig leven en werken vanuit de Heilige Geest, dat de krachten van het Koninkrijk openbaar worden, en de kerk haar roeping ten aanzien van de wereld zó kan vervullen als haar Heer het van de aanvang af bedoeld heeft?” De Pinkstergroepen verwijten de kerk, dat zij leeft op een minimum, een minimum dat spot met het offer, dat Christus voor haar en de wereld bracht, een minimum dat haar niet opgewassen doet zijn tegen de grote en zware vragen, waarvoor zij in deze en in de eerstkomende tijd gezet wordt. En dat terwijl dezelfde gaven voor haar gereed liggen als in de tijd van de eerste christengemeente, als zij zich maar openstelt voor het ontvangen van de doop met de Heilige Geest!

In dit herderlijk schrijven wordt o.m. gezegd: Hoe weinig hongeren wij naar de volheid, blijdschap en heiliging van de geest, naar het eenparig ontdekken en beleven van de liefde van Christus. En willen wij de Heilige Geest ontvangen voor onszelf om ons er zelf heerlijker en gelukkiger door te voelen of om er door toegerust te worden tot dienstbetoon? Een kerk. die vervuld is met de Heilige Geest, is tegelijk een kerk, die leeft bij het Woord, en haar Heer tegemoet leeft.

De confrontatie met de Pinkstergroepen moet tot nieuwe bezinning leiden.

Onze kerken en de „overdoop”

Dat de Pinksterbeweging ook onze kerken raakt, bleek in het jaar 1962 wel heel duidelijk, zowel uit de kwestie-Van der Linden als uit het feit, dat op de Generale Synode van Haarlem-Santpoort de vraag naar de kerkelijke houding ten aanzien van leden, die zich laten overdópen aan de orde werd gesteld. Deze vraag, die van een van de kerkeraden uit de Classis Apeldoorn afkomstig was, werd door de Part. Synode van het Oosten in 1962 reeds in deze zin beantwoord, dat de kerkeraden hebben vast te stellen, dat die leden, die zich hebben laten overdópen, zich hebben onttrokken aan de gemeenschap der kerk. Deze daad mag door de kerkeraden niet zonder meer geaccepteerd worden — de betrokkenen moeten worden vermaand en zo mogelijk worden bewogen tot terugkeer tot de kerk.

In het rapport, dat aan de Part. Synode was aangeboden en dat ook aan de Gen. Synode werd voorgelegd, wordt ingegaan op de dwalingen, die met deze „wederdoop” samenhangen. Daarna worden aanwijzingen gegeven voor de pastorale en kerkelijke bearbeiding.

Bij de behandeling van dit onderwerp in een van de laatste zittingen van de Gen. Synode ging het niet direct over de Pinksterbeweging zelf. Wel was er enige discussie over de beoordeling van de herdoop. Het is een grondige verloochening van de eens ontvangen doop.

Maar is het ook een zichzelf afsnijden van de gemeente des Heren door zich te voegen bij de kring, waar men de doop op belijdenis en door onderdompeling ontving, zodat er voor de kerk niets anders overblijft dan dit te constateren en er de consequenties uit te trekken?

Of moet men onderscheid maken tussen een zich feitelijk onttrekken aan en een definitief breken met de Kerk? Dan gaat het te ver, om zomaar te verklaren. dat de betrokkenen door het feit dat zij zich ergens lieten dopen, buiten de gemeenschap der kerk kwamen te staan. Er zijn er, die zelf te kennen geven dat dit een overgang is, maar er zijn er ook, die bij de gemeente willen blijven behoren. Het zijn dan dwalende leden, die — evenals anderen, die op een dwaalspoor zijn geraakt — onder het kerkelijk opzicht en de kerkelijke tucht vallen. De kerkeraad dient in elk geval met ernstige vermaningen te beginnen, en het staat aan hem te beoordelen, hoe de tucht verder moet worden toegepast. Dit laatste was de zienswijze van de commissie, die over deze zaak had te rapporteren.

De Generale Synode sloot zich hier in de hoofdzaak bij aan en sprak uit (art. 198):

1. dat de desgenaamde overdoop op grond van de Heilige Schrift niet als wettig kan worden erkend:

2. dat leden der kerk die zich laten overdopen, zich feitelijk onttrekken aan de gemeenschap der kerk al is dit feit nog niet altijd als een breken met de kerk te beschouwen;

3. dat het de taak is van de kerkeraad om kerkelijke vermaning en tucht toe te passen, omdat de daad van de dusgenaamde overdoop geheel in strijd is met Gods Woord en met de belijdenis en de orde der kerk;

4. dat opheffing van de tucht plaats vindt bij oprechte schuldbelijdenis en herroeping van de dwalingen die met de overdoop samenhangen.

De bekoring van de Pinkstergroepen

Hoe is het toch te verklaren, dat tal van mensen in deze tijd door de Pinksterbeweging worden bekoord?

Hier zijn verschillende factoren in het spel.

a. Er is de eeuwen door een heimwee geweest naar de dagen van de eerste christelijke gemeente, waarover de gouden glans ligt van het nieuwe begin. Een vergelijking loopt altijd uit op de conclusie, dat de christenheid daarna ver beneden dit niveau heeft geleefd. Maar zo mag het niet blijven! Vandaar de opwekkingsbewegingen, die weer teruggrijpen op het Pinkstergebeuren.

Zo zien wij in de Pinksterbeweging een reactie op eeT verdord en verstard kerkelijk leven, een reactie op verstandelijkheid en lijdelijkheid. De „stromen van Kracht”, die ons in de Heilige Geest beloofd en gegeven zijn, mogen wij niet langer miskennen en vergeten! Door de kerken wordt het Pinksterwonder niet ernstig genoeg genomen. Wij moeten ons voor de Geest openstellen, zoals gemeente van Jeruzalem dat deed.

Wij mogen geen streep zetten tussen de tijd van de apostelen en latere tijden. Wie dat doet, veroordeelt zichzelf tot geestelijke armoede, terwijl hij door het Geloof in de Heilige Geest zo rijk kon zijn. Het is een armoede door eigen schuld, een armoede, die het gevolg is van ongeloof!

Maar Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid.

Daarom moeten de wonderen van de Geest ook nu werkelijkheid worden!

b. Er is vooral in deze tijd een hunkering naar het suggestieve. Niet alleen op godsdienstig terrein!

Massale samenkomsten, waar indrukwekkende getuigenissen worden gehoord en opzienbarende genezingen plaats hebben, doen velen naar de Pinkstergroepen overhellen. Terwijl wij in een situatie verkeren, waarin over de „afwezigheid van God” wordt gesproken, schijnt dit het overtuigend bewijs te zijn, dat God er is.

Aan degenen, die een sterke behoefte hebben aan emotionele ervaring en een honger naar het absolute moment, wordt in de samenkomsten van deze groepen wel iets geboden, dat hen bevredigen kan.

Er wordt vurig gebeden om de tegenwoordigheid van de Geest. Er is een spanning, die op een bepaald ogenblik een hoogtepunt bereikt. En het is een feit, dat men er iets beleven kan!

Gebrek aan bezinning

Zo vreemd is het niet, dat de Pinksterbeweging een grote aantrekkingskracht uitoefent.

En toch moest het anders zijn.

Men vergeet, dat de uitstorting van de Heilige Geest een unieke plaats in de heilsgeschiedenis inneemt.

De apostelen hebben tekenen en wonderen gedaan, waarvan wij nu niet horen.

Er zijn zelfs doden opgemekt. Maar zij moesten Christus ook op een bijzondere wijze vertegenwoordigen.

Er staat meer in de Bijbel dan het boek Handelingen en 1 Cor. 12 en 14.

Wij hebben ons hiervan al rekenschap gegeven.

In zijn onlangs verschenen boek: ”„Ik geloof in de Heilige Geest” zegt prof. dr. J. H. Bavinck er dit van:

1. Er is in de toestand, waarin de Kerk zich sinds het Pinksterfeest bevindt. geen principiële verandering gekomen. Zij heeft de Geest ontvangen en er zijn ogk nu geen grenzen aan de macht van de Geest. De Kerk wandelt ook nu op de rand van het wonder.

2. Het is niet onmogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, dat sommige van de tekenen die zich rondom het Pinkstergebeuren hebben voorgedaan, door God bedoeld zijn als onthulling van wat Hij uiteindelijk, in het vrederijk. met zijn Kerk be doelt en dus vooruitgrijpen naar de „laatste dagen”. Bij die tekenen ligt de nadruk op het eschatologisch openbaringskarakter. Zij zijn dus geen aanduiding van wat de Kerk als „normaal” in deze wereldperiode verwachten mag. Toch zijn ook deze tekenen zeer gewichtig voor het begrijpen van wat de tegenwoor digheid van de Geest voor de Kerk betekent. Zij vertonen de richting, waarin Hij de kerk voeren wil (blz. 92).

Wellicht zeggen wij wel eens bij onszelf: Zagen wij maar meer van Gods werk!

Intussen zou het ondankbaar zijn om voorbij te gaan aan al wat er gebeurd is en nog gebeurt.

Wij geloven en ervaren, dat de Here mei Zijn geest ook in de twintigste eeuw in Zijn kerk woont. Telkens zijn er weer verrassende tekenen van Zijn doorwerking in de harten van ouderen en jongeren.

Bavinck merkt ook op, dat men vrij algemeen geneigd is aan te nemen, dat wij leven in een tijd van diepe luwte. Maar welke maatstaf legt men aan? Als geestelijke krachten, bovennatuurlijke gaven en enthousiasme het criterium vormen, is er in de kerken inderdaad een tekort.

Maar dat is niet het eerste.

Het eerste is volgens Gods Woord, dat de Geest ons doet delen in het heil van Christus. Dan zal ook de vrucht van de ”Geest gezien worden als liefde, blijdschap en vrede (Gal. 5 : 22).

Hij zal ons inschakelen, zodat wij ons leven meer en meer toewijden aan de Here en Zijn dienst. En dan zal Hij ons ook de gaven en krachten schenken om te beantwoorden aan onze roeping.

Dat laatste is dus niet het enige, en zelfs niet het eerste.

En zoals er in het werk van de Geest een verscheidenheid is, die overeenkomt met de veelkleurige wijsheid van God, is er ook variatie in de gaven, die Hij verleent. Alle schema’s van de Pinkstergroepen schieten erbij te kort.

Men geeft een eenzijdige voorstelling, die slechts schijnbaar bijbels is. Men gaat van een selectie van teksten uit, die aangevuld wordt door allerlei „openbaringen” van de Geest.

En velen, die niet kunnen onderscheiden, wat schriftuurlijk en wat onschrif-tuurlijk is, wat echt geestelijk en wat overgeestelijk is, zijn ervan onder de indruk gekomen. Dit zou het „volle evangelie” zijn??

Slotopmerkingen

Met argumenten alleen kunnen wij het offensief van de Pinkstergroepen niet weerstaan. Er is verschil.

Er zijn er onder, die geen goed woord voor de kerk over hebben, en die hun eigen visie op echt sektarische wijze verabsoluteren.

Er zijn ook christenen onder, met wie het gesprek wel mogelijk is, mensen die gedreven worden door een hunkering naar de levende en warme gemeenschap. die ze daar menen te vinden en die ze menen te missen in de kerk, waartoe ze behoren.

Wij kunnen, zegt Bavinck. wanneer we met zulke mensen spreken, hen wijzen op allerlei gevaren die hen bedreigen en op allerlei punten, waarin ze feil gaan. Maar in onze hele aanvat zal moeten blijken, dat we ook heel goed voelen, dat er achter hun onbevredigdheid en achter hun tasten iets kan liggen van een aandrang van de Geest, doch dat zij die aandrang op een andere en zuiverder wijze kunnen beantwoorden.

Wij zullen de kritiek op het kerkelijk leven niet naast ons mogen neerleggen maar eerlijk moeten erkennen, dat er veel aan ontbreekt. Er is genoeg, dat ons moet verootmoedigen of verontrusten.

Wij hebben geen moeite, in het opkomen van de Pinksterbeweging mede te zien een protest tegen te weinig leven, vurigheid, blijdschap en gemeenschap in de kerken. Maar de Geest is toch nog beter thuis in een arme kerk dan bij een sekte, die door geestesrijkdom niet meer weet, wat arm van geest zijn betekent (dr. S. van der Linde).

De Heilige Geest zal Chiristus vgrheerlijken en niet de vrome mens!

Hij wüCrïrTstus verheerlijken in een gemeente, die een gemeenschap is, die leeft bij de beloften van het Woord, die het verwacht van genade alleen, en die de Here door Zijn Geest in zich laat werken.

Van Genderen

Enige litteratuur over de Pinksterbeweging

Van de zijde van de Pinksterbeweging zelf:

L. Steiner, Mit folgenden Zeichen, 1954.

D. Gee, Over de geestelijke gaven, 1960.

T. L. Osborn, Zeven stappen om genezing van Christus te ontvangen, z.j

Broederschap van Pinkstergemeenten in Nederland, De Pinkstergemeente en de kerk, z.j.

Bladen als: De Pinksterboodschap, Genezing, Heilsfontein, Stromen van Kracht en Kracht van Omhoog.

Over de Pinksterbeweging:

K. Hutten, Seher, Grübler, Enthusiasten, 1954, blz. 366-416.

O. Eggenberger, Evangelischer Glaube und Pfingstbeweging, 1956.

P. Fleisch, Die Pfingstbewegung in Deutschland, 1957.

G. Y. Vellenga en A. J. Kret, Stromen van Kracht, 1957.

F. J. Hoogenraad, Gebeds-genezing - Pinksterbeweging, 1958.

F. A. Nolle, Gebedsgenezing en masse, z.j.

Vragen rondom de gebedsgenezing, Rapport aanvaard door de Gen. Synode van de Ned. Herv. Kerk, 1959.

De kerk en de Pinkstergroepen, Herderlijk schrijven van de Gen. Synode van de Ned. Herv. Kerk, 1960.

Acta van de Gen. Synode der Chr. Ger. Kerken in Nederland, gehouden te Haarlem-Santpoort, 1962, blz. 91, 92 en 334-341.

S. van der Linde, De Pinksterbeweging in verband met het werk van de Heilige Geest, art. in Theologia Reformata, V, 1962, blz. 88-100.

C. Graafland, De Heilige Geest en de kinderdoop, art. in Theol. Ref., VI, 1963, blz. 239-254.

A. G. Kornet, De Pinksterbeweging en de Bijbel, 1953.

J. H. Bavinck, Ik geloof in de Heilige Geest, z.j.

Zie ook de litteratuuropgave in Ambtelijk Contact, nr. 14 (blz. 136).


AANGEBODEN

Onze diaconie te Den Haag (Centrum) heeft overcompleet

Een prima onderhouden INYAUDENWAGEN

WEINIG GEBRUIKT, moet weg, daarom slechts 30% der kostprijs

Inlichtingen bij Joh. Trommel Nunspeetlaan 482, Den Haag Tel. 070-320083

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.