+ Meer informatie

Ambt en charisma in de nieuw-testamentische kerk

14 minuten leestijd

Een problematische verhouding?

Met de verhouding van ambt en charisma is een probleem gegeven dat een van de meest omstreden vraagstukken van de nieuwtestamentische wetenschap genoemd mag worden. Hoe men de verhouding van ambt en charisma ziet, is tegelijk bepalend voor de visie die men heeft op het karakter en de inrichting van de oudste kerk.

In grote lijnen bestaat er overeenstemming over de vraag welke elementen het meest karakteristiek zijn in de begrippen „ambt” en „Charisma”. Voor de ambt is allereerst karakteristiek, dat het vervuld wordt tijdens een langere periode. Het charisma heeft evenwel betrekking op een dienst met het oog op een bepaalde concrete situatie in de gemeente. Daardoor zal het charisma van iemand ook veelal incidenteel fuctioneren, hoewel het incidentele niet met het concrete van de situatie hoeft samen te vallen. In de tweede plaats is voor het ambt de gedachte van de erkenning bepalend. Deze erkenning komt tot uiting in een bepaalde vorm van aanstelling van de ambtsdrager. Het charisma gaat evenwel als een direkte gave van God buiten iedere menselijke erkenning om. In de derde plaats Staat de ambtsdrager altijd in een gezaghebbende positie tegenover de gemeente. Van dat „tegenover” is bij het charisma evenwel weer geen sprake. Allen in de gemeente bezitten immers een eigen door de Geest geschonken charisma. Bij het charisma staan daarom alle gelovigen juist op één lijn.

Door velen wordt een absolute tegenstelling gezien tussen ambt en charisma. Ambt en charisma zouden elkaar eigenlijk uitsluiten. In het Nieuwe Testament zouden we slechts het charisma tegenkomen, terwijl het ambt ontstaan zou zijn uit een latere - en negatief te beoordelen -ontwikkeling. Op een indringende wijze is deze opvatting aan het eind van de vorige eeuw verdedigd door de duitse geleerde R. Sohm. Als illustratie is op zijn gedachten te wijzen, omdat waar ook vandaag nog een tegenstelling tussen ambt en charisma aangenomen wordt vaak de door Sohm gebruikte argumenten in een of andere vorm aangevoerd worden.

Sohm stelt, dat de kerk als geestelijke grootheid geen enkele organisatie duldt. In de kerk heerst alleen en uitsluitend het Woord van God. Dat Woord is niet te herkennen aan formele kenmerken. Het wordt alleen gekend in zijn innerlijke kracht en erkend door het geloof. Sohm ontkent niet, dat in de nieuwtestamentische kerk bepaalde mensen bepaalde taken verricht hebben. Deze mensen ontvingen hun opdracht evenwel altijd direkt van God zelf. Deze door God gegeven opdracht paste niet in een kader van enige menselijke organisatie. In de nieuwtestamentische kerk ontbrak dan ook iedere organisatorische vorm. Er was geen recht van besluitvorming, geen leiding gevende instantie, geen tuchtoefening. Er was alleen het Woord van God, zoals dat uitsluitend van Godswege werd doorgegeven door apostelen, profeten en leraars die het „Charisma van de leer” bezaten. Naast dit „charisma van de leer” was er nog het „Charisma van de daad”. Dragers van dit charisma waren de oudsten. de weduwen, de asceten en de martelaars. Volgens Sohm wordt pas in geschriften uit de periode na die van het Nieuwe Testament duidelijk, dat het charismatische samenleven binnen de kerk verdrongen werd door een menselijke organisatie van de kerk. Eerst toen kwam de ambtsdrager naar voren. Sohm meent deze ontwikkeling het eerst te kunnen aanwijzen in het - uit het laasts van de eerste eeuw daterende - geschrift 1 Clemens. Uit dit geschrift blijkt, dat de bisschop bepaalde rechten die hem voor zijn leven waren toegekend kon laten gelden.

Het charisma.

Over de charismata wordt in het Nieuwe Testament het meest uitvoerig gesproken in 1 Cor. 12 en 14. Daarnaast vinden we belangrijke gegevens in Rom. 12. In 1 Cor. 12 geeft Paulus verschillende opsommingen van de charismata. In de verzen 7 - 10 worden als charismata genoemd: het spreken met wijsheid, het spreken met kennis, het geloof, de gaven van genezingen, de werking van krachten, de profetie, het onderscheiden van geesten, allerlei tongen en het vertolken van tongen. In vers 28 wordt een tweede opsomming gegeven. Hier worden achtereenvolgens genoemd: apostelen, profeten, leraren, krachten, gaven van genezing, bekwaamheid om te helpen, bekwaamheid om te besturen, verscheidenheid van tongen. In de verzen 29 en 30 wordt in vragende vorm teruggegrepen op de in vers 28 gegeven opsomming. Toch zijn ook nu weer kleine verschillen aanwijsbaar. In de verzen 29 en 30 wordt niet meer gesproken over de bekwaamheid om te helpen en de bekwaamheid om te besturen. Aan de andere kant wordt het vertolken van tongen toegevoegd. In Rom. 12 : 7 - 8 wordt weer een andere opsomming gegeven: de profetie, het dienen, het onderwijzen, het vermanen, het mededelen, het leiding geven en het bewijzen van barmhartigheid.

Aan een vergelijking van die verschillende opsommingen zijn belangrijke conclusies te verbinden. In de eerste plaats maken de verschillen duidelijk, dat de nieuwtestamentische kerk niet wist van een vaste orde van charismatische diensten. De charismatische diensten functioneerden niet als een alternatief voor de ambtelijke diensten. De verschillen in de opsommingen die Paulus geeft verhinderen iedere institutionalisering van de charismata. Het verband waarin de opsommingen staan draagt een duidelijk vermanend karakter. Zowel de gelovigen in Corinthe als die in Rome worden gewaarschuwd voor alles waardoor de eenheid van de gemeente in liefdeloosheid verbroken kan worden. Dat kan ook gebeuren, doordat iemand zich door iets wat hij bezit en dat als heel „geestelijk” beschouwd wordt boven een ander verheven acht. In deze situatie grijpt Paulus naar het woord „charisma”. Aan allen in de gemeente zijn charismata geschonken opdat de een de ander zal dienen, zoals de verschillende leden van één lichaam elkaar dienen. Deze pointe van Paulus’ spreken over de charismata mag niet uit het oog verloren worden.

Een tweede conclusie vloeit hier direkt, uit voort. De verschillen in de opsomming) van de charismata maken duidelijk, dat Paulus alles wat tot de opbouw van de gemeente dienstbaar is als een charisma beschouwt. Daartoe noemt Paulus ook zo veel mogelijk charismata. De wijze waarop Paulus de opsommingen van charismata geeft doet vermoeden. dat hij niet naar volledigheid gestreefd heeft. Hij noemt slechts wat hem op dat moment voor de aandacht kwam. Daarom is de tweede opsomming van charismata in 1 Cor. 12 (in vers 28) niet aangepast aan de eerste (in de verzen 7 - 10), maar verschilt de tweede opsomming niet onaanzienlijk van de eerste. Daarom kan Paulus in Rom. 12 ook nog weer heel andere charismata noemen dan in 1 Cor. 12. We krijgen de indruk, dat voor Paulus de veelheid van charismata correspondeert met de veelheid van gelovigen binnen de gemeente. Daarom komt ook tot ieder in de gemeente de vermaning geen gedachten te koesteren die hoger zijn dan iemand voegen, „maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld” (Rom. 12 : 13). In de gemeente heeft ieder een eigen plaats en daarom heeft ook ieder een eigen charisma om op een eigen wijze de ander te dienen.

Juist hierdoor wordt duidelijk, dat Paulus niets weet van een onderscheid - laat staan een tegenstelling - tussen charismatische en niet-charismatische diensten. „Heel de onderscheiding tussen charismatische en niet-charismatische diensten in de gemeente laat zich met de paulinische opvatting van charisma dus ook niet verenigen” (H. N. Ridderbos). Het ambtelijke is niet als „niet-charismatisch” tegenover het „charismatische” te stellen. Ook het werk van b.v. de apostelen is, zoals blijkt uit de opsomming van charismata in 1 Cor. 12 : 28, te beschouwen als een charisma van de Geest. Het werk van de apostelen is stellig te karakteriseren als een „ambtelijk” werk. Dat neemt niet weg, dat het evenzeer een charismatisch karakter draagt. Wanneer Paulus in Cor. 12 : 28 ook de apostelen noemt, geeft hij dus ook zichzelf een plaats temidden van de dragers van de charismata, d.w.z. temidden van de gelovigen. Het begrip charisma blijkt dus bij Paulus een zeer breed begrip te zijn. Als het begrip dat alles omvat wat dienstbaar is aan de opbouw van de gemeente omvat het ook het ambt. Ieder ambt is een charisma, ook al kan niet omgekeerd gezegd worden, dat ieder charisma een ambt is.

Het ambt.

Met het woord „Charisma” is niet het totaal van de functionering van het leven van de nieuwtestamentische kerk te karakteriseren. Naast het woord „charisma” moet daartoe ook het woord „ambt” gebruikt worden.

Niet te ontkennen is, dat een Grieks aequivalent voor het woord „ambt” in het Nieuwe Testament niet te vinden is, althans niet met betrekking tot hen die leiding mogen geven aan het kerkelijk leven. De afwezigheid van een specifiek begrip ter aanduiding van het kerkelijk ambt betekent evenwel niet, dat ook de zaak waar het brj ons woord „ambt” om gaat in het Nieuwe Testament afwezig is. Paulus weet van mensen in de gemeente die - hoezeer ze temidden van de andere gelovigen staan - tegelijk ook met gezag tot die gelovigen komen. Ze nemen in dit opzicht een aparte plaats in de gemeente in en staan „tegenover” de gemeente. Terwijl aan alle gelovigen door de Geest een (eigen) charisma geschonken is, geven niet alle gelovigen op gezaghebbende wijze leiding in de gemeente. Onmiskenbaar roept Paulus op om bepaalde mensen die in de gemeente een bepaalde plaats innemen - onderscheiden van die van alle gelovigen - te erkennen. Soms worden dan door Paulus ook bepaalde titels, verbonden aan een permanente taak, genoemd. Hier gaat het om mensen die wij met het woord „ambtsdragers” aanduiden.

Allereerst is - wat de brieven van Paulus betreft - daarbij aan Paulus zelf als apostel te denken. Paulus is zich bewust als apostel een zeer bepaalde taak te vervullen waarbij hij met een bepááld gezag bekleed is. Hij beroept zich in de aanhef van zijn brieven ook voortdurend daarop. Op grond van de hem toevertrouwde taak kan Paulus ook bevelen geven die in de gemeente opgevolgd moeten worden (vgl. b.v. 1 Cor. 7:17; 11 - 34). Hierin is stellig een onderscheid tussen Paulus als apostel en alle gelovigen te zien. Niet allen kunnen zo spreken, zoals hij doet.

Wanneer deze verhouding van Paulus als apostel tegenover de gemeente miskend wordt, heeft dit duidelijke consequenties voor de visie van iemand op de struktuur van de gemeente zoals daarover in de brieven van Paulus gesproken wordt. „In de figuur van de apostel komt tot uitdrukking, dat de gemeente niet leeft bij de gratie van haar geloof, haar enthousiasme, haar charismata, maar van het Woord van oog- en oorgetuigen der Openbaring dat gezaghebbend tot haar komt. Een gemeente zonder ambt wordt een enthousiaste sekte, een groep van charismatici met de neiging tot dweperij” (A. F. N. Lekkerkerker).

Duidelijk heeft het apostelambt iets unieks. Het kan niet op een ander worden overgedragen. Dit unieke betekent ook, dat van het apostelambt geen direkte lijnen getrokken kunnen worden naar „het” ambt in het algemeen. Wel laat ook dit unieke ambt zien, dat de kerk vanaf het eerste begin het ambt gekend heeft. Vanaf het eerste begin behoorde niet alleen het charismatische, maar ook het ambtelijke tot de struktuur van de kerk. In de brieven van Paulus komt niet alleen de leidinggevende positie van Paulus als apostel uit, maar blijkt ook, dat anderen in de door hem gestichte kerken een leidinggevende positie bezaten. In dit verband is vooral opmerkelijk wat Paulus zegt in 1 Thess. 5:12. Hier vraagt Paulus aan de gemeente hen die zich voor de gemeente moeite getroosten, die de gemeente leiden in de Here en haar terechtwijzen, te erkennen en hen zeer hoog te schatten in liefde, om hun werk. Het gaat dus duidelijk om mensen die een bepááld werk verrichten en die daarom op een bijzondere wijze erkend dienen te worden.

De eerste brief aan de Thessalonicenzen is kort na de stichting van de gemeente geschreven. Te meer valt het dan op, dat zo kort na die stichting van de gemeente Paulus reeds een bepaalde groep binnen de gemeente kon onderscheiden waarvoor hij bijzondere erkenning en hoogachting vroeg. Van meet af waren er dus in deze gemeente mensen die zich in bijzondere zin voor de gemeente inzetten, haar leiding gaven en tot haar met hun vermaningen en waarschuwingen kwamen.

Van een aparte positie spreekt ook Gal. 6:6. Hier geeft Paulus de vermaning: „En hij die onderricht wordt in het woord, dele van alle goed mede aan wie dat onderricht geeft”. Zij die onderricht geven zijn stellig vooral de leraren (vgl. 1 Cor. 12 : 28; Ef. 4 : 11; zie ook Hand. 13 : 1). Uit de vermaning in Gal. 6 : 6 blijkt, dat reeds in Paulus’ dagen de positie van de leraren zozeer beslag legde op hun tijd, dat voor hun onderhoud gezorgd diende te worden door de gemeente waarin zij werkzaam waren. Van groot belang voor de vraag naar het ambt is de aanhef van de brief aan de Filippenzen. De brief is gericht „aan al de heiligen in Christus Jezus die te Filippi zijn, tezamen met hun opzieners en diakenen” (Fil. 1 : 1). Zonder twijfel zijn met „de heiligen” de leden van de gemeente te Filippi bedoeld. Van deze „heiligen” worden de „opzieners en diakenen” duidelijk onderscheiden. De laatsten nemen ten opzichte van de eersten een bijzondere positie in. Nader is deze positie te omschrijven als een ambtelijke positie. Het opmerkelijke in Fil. 1 : 1 is, dat hier niet alleen een groep ambtsdragers onderscheiden wordt, maar dat deze ambtsdragers - anders dan in 1 Thess. 5 : 12 en Gal. 6 : 6 - ook een vaste ambtsnaam blijken te bezitten. Bijzonder duidelijke ambtsaanduidingen vinden we in Ef. 4 : 11. Hier wordt van Christus die nedergedaald is, maar ook weer opgevaren ver boven alle hemelen om alles tot volheid te brengen gezegd: „En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraren”. Alle hier genoemden worden in vers 12 onderscheiden van „de heiligen”. Gezegd wordt, dat zij gegeven zijn „om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon”. Het werk van de in vers 11 genoemden is gericht op het werk van „de heiligen” en kan dus met het werk van „de heiligen” niet samenvallen. Het gaat niet om iets dat van allen in de gemeente verwacht wordt, maar om iets dat aan bepaalde leden van de gemeente geschonken is. Bovendien wordt hier zo in het algemeen over de toerusting van „de heiligen” door de ambtsdragers gesproken, dat duidelijk is, dat tot die toerusting altijd -en niet alleen in de tijd van het schrijven van de brief - de ambten noodzakelijk zijn. Het gaat hier om een blijvende instelling van Christus tot de opbouw van Zijn gemeente door de eeuwen heen. Onmiskenbaar is ook van het ambt sprake in de Pastorale brieven. Allereerst worden als ambtsdragers genoemd de oudsten en de opzieners. Waarschijnlijk hebben we deze verschillende aanduidingen, aanduidingen van dezelfde groep ambtsdragers in de gemeente te onderkennen. Een andere groep ambtsdragers die we in de Pastorale brieven tegenkomen is de groep van de diakenen. Zij worden evenals in Fil. 1 : 1 in de Pastorale brieven in nauw verband genoemd met de oudsten, resp. met de opzieners. (Zie 1 Tim. 3 : 8 in vergelijking met 3:1).

Conclusies.

Met betrekking tot de verhouding van ambt en charisma kunnen we het volgende concluderen:

1. Het begrip charisma is het meest omvattende begrip. Iedere gelovige heeft in de gemeente een charisma, terwijl niet ieder een ambt heeft. Hiermee hangt samen, dat wel ieder ambt een charisma is, terwijl niet ieder charisma een ambt is.

2. Het ambt en het charisma hebben een kritische functie ten opzichte van elkaar. Het ambt heeft het charisma nodig om aan het gevaar van verstarring te ontkomen. Het charisma heeft het ambt nodig om aan het gevaar van verwarring te ontkomen. Het ambt veronderstelt het charisma en het charisma veronderstelt het ambt.

3. Het ambt verdringt het charisma niet, maar wil de gemeente als charismatische gemeente dienen. Juist onder de leiding van het ambt kunnen de verschillende charismata tot hun recht komen en zich ontwikkelen. Het ambt is immers gegeven „om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon” (Ef. 4:12).

4. In veel gevallen tendeert het charisma naar het ambt. De door de Geest geschonken charismata doen in de gemeente de dragers van die charismata opvallen. In veel gevallen zal hieruit de erkenning van de ambtelijke dienst in de gemeente voortvloeien. Niet van alle charismata is evenwel een lijn te trekken naar het ambt.

5. In alle gevallen komt het ambt uit op het charisma. Geen ambtsdrager kan in de gemeente als zodanig erkend worden, wanneer hij niet eerst door het hem geschonken charisma reeds langer in de gemeente gediend heeft. Altijd loopt van het ambt een lijn terug naar het charisma.

6. Van een tegenstelling tussen ambt en charisma is dus op geen enkele wijze sprake.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.