+ Meer informatie

Beroep: Jodenjager

Onthulling Van Liempt biedt deelverklaring voor hoge aantal omgekomen Nederlandse Joden

8 minuten leestijd

Maar weinig premiejagers konden het: Joden uit hun eigen woonomgeving aangeven. Wim Henneicke doet het. In januari 1943 incasseert hij vier premies voor twee opgepakte Joodse echtparen aan de Linnaeusparkweg 83 II in Amsterdam. Over een man die samen met superieuren en ondergeschikten meer Joodse landgenoten in de dood stortte dan tot nu toe werd aangenomen.

Dat Henneicke -in 1909 geboren uit een Duitse vader, maar zelf stateloos- tijdens de Tweede Wereldoorlog in de welgestelde wijk Watergraafsmeer aan de Linnaeusparkweg woont, mag een wonder heten. Zijn maatschappelijke carrière is niet echt een succes. In de jaren dertig is hij taxichauffeur, daarna verkoopt hij Nilfisk- en Excelsior-stofzuigers. In de begintijd van de oorlog fraudeert hij met uitkeringen, maar omdat hij voor de Sicherheitsdienst werkt, wordt dat door de vingers gezien.

Ook in zijn huwelijksleven is Henneicke niet erg gelukkig. Op de dag van de Nederlandse capitulatie -15 mei 1940- treedt hij voor de derde keer in het huwelijk.

In juni 1942 krijgt Henneicke een vaste aanstelling bij de Hausraterfassung, de Duitse organisatie die huizen van weggevoerde Joden moet leeghalen. "Het werd één grote dievenbende", schrijft dr. L. de Jong in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog. Henneicke krijgt de leiding over een van de vier colonnes die dit werk doen. Het grote graaien wordt zo erg dat drie colonnes worden ontbonden, omdat het anders al te bont wordt. Alleen Henneicke mag doorgaan, vermoedelijk omdat hij de fanatiekste leider is, zo denkt De Jong.

Premiejager

Dan begint het echte werk. Henneicke wordt premiejager. Hij ontvangt tips, martelt Joodse gevangenen, molesteert onderduikerhelpers, fleemt en dreigt kinderen om maar nieuwe adressen te krijgen waar Joden verblijven. Schrijnend is dat 53 van de 54 mannen in de colonne Nederlanders zijn.

Hun werk is, wat je noemt, succesvol. De invoering van een verradersloon van 15 gulden per gearresteerde (in die tijd een hoog bedrag, vergelijkbaar met nu zo'n 37,50 euro), doet de aantallen gepakte Joden omhoogschieten (zie kader). In de lente en zomer van 1943 proberen ze de "Endlösung" -de eindoplossing voor het Jodenvraagstuk- in Nederland nauwkeurig af te maken. Duizenden Joden worden ontdekt op hun schuiladres en via Westerbork of Amersfoort afgevoerd naar de vernietigingskampen. De meesten sterven daar een gruwelijke vergassingsdood. En zo komt Henneicke te wonen in een riante benedenwoning die is vrijgekomen omdat de bewoners zijn afgevoerd naar Polen.

Forse bijstelling

Het is de verdienste van de auteur van het deze week verschenen boek "Kopgeld, Nederlandse premiejagers op zoek naar joden, 1943", Ad van Liempt, dat hij de aantallen van door premiejagers vermoorde Joden op historisch verantwoorde manier fors naar boven heeft bijgesteld. Op grond van nieuw materiaal komt Van Liempt, eindredacteur van het historische tv-programma Andere Tijden, tot de conclusie dat het er minimaal 7557 moeten zijn geweest, en waarschijnlijk zelfs 8500 gedeporteerde Joden. Veel meer dus dan de 3428 waar De Jong in zijn standaardwerk op uitkomt.

"Van Liempts schatting is geen juridische maar een historische", relativeert prof. dr. J. Houwink ten Cate, hoogleraar holocaust aan de Universiteit van Amsterdam. "Laten er nu nog eens 2000 van die 8000 een vrijstelling hebben gehad die ook nog werd gerespecteerd, dan zijn het er nog 6000 die dank zij de premiejagers werden gedeporteerd." Een erg optimistische schatting van Houwink ten Cate. Zo veel respect toonden nationaal-socialisten niet in de oorlog.

En nationaal-socialisten waren het, de mannen van de colonne van Henneicke. "Het gaat om mannen van rond de veertig, maatschappelijk mislukt, bijna allemaal lid van de NSB, de meesten zwaar antisemiet, met allerlei menselijke trekjes, maar bereid heel ver te gaan om hun opdracht te vervullen."

Kinderjacht

Henneicke zelf is daarvan nog wel het beste voorbeeld. Op 8 juni 1943 maakt hij een uitstapje naar Utrecht; samen met zijn chef, Willem Briedé, wiens betrokkenheid nu door Van Liempt is ontdekt. Briedé staat boven Henneicke, maar is inmiddels door hem overvleugeld.

In de Schipbeekstraat moeten de twee helden even twee Jodenkinderen ophalen. De beoogde kinderen zijn er niet, wel twee anderen: een kleuter en een baby, Appie de Leeuwe, schrijft Van Liempt: ""Zo", zegt Briedé tegen het jongetje van vier jaar. "Jij bent zeker Judie Metzelaar." Het nogal Joods uitziende jongetje ontkent: "Ik ben Flipje Kamperman en ik woon Schipbeekstraat 25." Zo heeft hij het immers geleerd toen hij als onderduikertje in Utrecht kwam. Eigenlijk heet hij Flipje Plas, maar zoals zo vaak gebeurde, is hem zijn onderduiknaam goed ingepeperd. "Kom eens bij oom", zegt Briedé. "Heb jij zin om straks fijn met mij mee uit rijden te gaan in de auto?""

Na het oppakken van deze twee kinderen en de kinderen Metzelaar op een ander adres lopen ze op het station nog een vrouw met Joodse trekken tegen het lijf. Haar papieren blijken een vervalsing, leert Henneicke zijn chef. Ook zij wordt meegetroond naar de Hollandse Schouwburg in Amsterdam, de verzamelplaats van gearresteerde Joden in de oorlog. Een goede vangst voor de Jodenjagers.

Appie de Leeuw en Flipje Plas overleven desondanks de oorlog. Het baby'tje door moedig optreden van de onderduikmoeder, Dirkje Kamperman-de Vries (destijds 43). Zij kon na haar tweede reis naar de schouwburg de crèche binnendringen, waar zij Appie onder haar kleren stak en via de tuin van de aangrenzende Hervormde Kweekschool ontsnapte. Bij Flipje werd roodvonk gesuggereerd, waardoor hij naar het Nieuw Israëlisch Ziekenhuis moest. Daar is hij door het verzet bevrijd en via twee onderduikadressen in Friesland gered.

Met de meeste slachtoffers van Henneicke en de zijnen liep het minder goed af. "Werden na een week in vergast", valt vaak te lezen bij Van Liempt.

Bizar verzoek

Eind maart 1943 krijgt Ferdinand aus der Fünten, een chef van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, die voor deportatie van Joden zor gt, een bizar verzoek. Allevijf medewerkers van de cartotheek die de kaarten van alle nog in Amsterdam wonende Joden registreert, vragen of zij wat mogen bijverdienen door het opsporen en zelf arresteren van Joden.

Aus der Fünten stemt ermee in, na aanvankelijke weigering. Op voorwaarde dat ze niet de tips van Henneicke gebruiken en dat ze het voor een aanmerkelijk lagere premie doen: slechts 5 gulden telt hun verradersloon.

Henneicke en de mannen van de cartotheek vallen in hun eigen zwaard. Ze doen zo grondig hun werk dat de Joden 'opraken'. In augustus en september 1943 zijn de meeste Amsterdamse Joden al weggevoerd of hebben elders hun toevlucht kunnen vinden. "Amsterdam is in 1943 vergeven van de verraders en verklikkers, en vaak zijn daar helemaal geen premies voor nodig. Eigenlijk kan een joodse Nederlander niemand vertrouwen: je kunt door iedereen worden verraden."

In 1944 loopt het werk af. Na Dolle Dinsdag, 5 september 1944, beraadt Henneicke zich op de toekomst. Hij knoopt banden aan met de ondergrondse en speelt daadwerkelijk namen van collaborateurs, onder wie die van Briedé, door aan de illegaliteit. Een aantal verzetsmensen vertrouwt de dubbelspion echter niet.

Van Liempt schetst een ontluisterend beeld van Nederlanders die -mislukt als zij waren in de maatschappij- carrière konden maken als Jodenjager. Het is een groep mensen die profiteerde van het ongeluk van een andere groep die net tot het 'verkeerde' ras bleken te behoren. "Menselijke trekjes bij jodenjagers - ze bestáán. Er zitten nogal wat goede huisvaders tussen, die door hun gezinnen oprecht worden gemist", stelt Van Liempt in zijn groepsportret van de daders.

Al jaren woedt een discussie over de vraag waarom vanuit Nederland verhoudingsgewijs zoveel meer Joden de oorlog niet overleefden (90 procent van het totaal) dan in vergelijkbare landen: Frankrijk, Noorwegen en België (40 procent), en Denemarken, waar de meeste Joden ontkwamen. De premiejagers zijn met hun minimaal 8500 van de in totaal 108.000 gedeporteerde Nederlandse Joden een deel van de verklaring, concludeert Van Liempt.

Doodstraf

Van de zestig premiejagers kregen er 26 na de oorlog de doodstraf. Bij drie van hen, allen cartotheekbeheerders, werd die daadwerkelijk uitgevoerd. Briedé, de door Van Liempt ontmaskerde chef van Henneicke, ontsnapte naar Duitsland. De "hardvochtige stateloze" zelf kreeg dit rustige einde niet. Op 8 december 1944 werd hij, vermoedelijk door een lid van de Amsterdamse knokploeg, op weg naar zijn werk doodgeschoten. De nog immer onbekende dader ontkwam. Na de oorlog kreeg zijn weduwe een tijdlang een uitkering van 200 gulden per maand van de illegaliteit, wegens verstrekte nuttige informatie.

"Wim Henneicke werd op 9 december begraven op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Hij kwam eerste klas te liggen, in vak 79 rij 10. De steen is in 1983 weggehaald, maar zijn stoffelijke resten liggen er nog. Op zijn gebeente bloeit, in het voorjaar, de bloesem van een Japanse kers. Het is een van de mooiste bomen van het hele kerkhof."

Mede n.a.v. "Kopgeld, Nederlandse premiejagers op zoek naar joden, 1943", door Ad van Liempt; uitg. Balans, Amsterdam, 2002; ISBN 90 5018 478 2; 373 blz.; 21,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.