+ Meer informatie

Kerkregering XX

5 minuten leestijd

Kan deze legende over belijdenis-afleggen en Avondmaal-vieren de wereld niet uit? 4

Wat zeiden onze kerken in 1913 en in 1950?

Na 1879 kwamen de synoden van onze kerken tot nu toe nog tweemaal voor de noodzakelijkheid te staan een uitspraak te doen ten aanzien van de verhouding tussen belijdenis-doen en Avondmaal-vieren.

In 1913 heeft de synode de volgende uitspraak gedaan: „De Synode, handhavende het besluit der Synode van 1846 (de inhoud hiervan laat ik aanstonds volgen, H.), gehoord de toelichting en bespreking der instructie ’s-Gravenhage, spreekt uit, dat op grond van Gods Woord en de belijdenisschriften der Kerk, een levend geloof als eis Gods bij het afleggen van geloofsbelijdenis gevorderd moet worden. Zij erkent nochtans, dat de mensch niet kan zien wat in het hart van de belijder voor God is, zodat zij niet meer van de belijder eist dan wat de mond belijdt, indien het leven zulks niet tegenspreekt”, Acta art. 61.

De uitspraak van de synode van 1846, waarop de synode van 1913 doelt, luidt: „Dat een iegelijk moet worden opgenomen tot Lidmaat der Kerk en toegelaten tot het Heilig Avondmaal, die het ware voorwerp des geloofs regt belijdt en naar de ware godzaligheid zoekt te wandelen; evenwel volgt daaiuit niet, dat die allen ware en levendige geloovigen zijn, gelijk ook Art. 29 der Ned. Geloofsbelijdenis spreekt, dat er onder de Leden der Kerk hypocryten zijn”, Acta art. 18. sub 4.

Ook in 1950 moest de generale synode van onze kerken zich met deze zaak bezig houden. De Acta zeggen er dit van: „Met alle nadruk en grote klem wordt uitgesproken, dat belijdenis afleggen betekent: belijdenis des geloofs doen, en niet der waarheid zonder meer. Daarom geldt bij het doen van belijdenis dezelfde maatstaf als bij de voorbereiding voor het Heilig Avondmaal. Een kerkeraad, die bij het afnemen van en het

toelaten tot de openbare belijdenis tevreden is met de verklaring van een historisch geloof, is in strijd met de uitspraken van Gods Woord en de grondslagen van de Gereformeerde leer. Met beslistheid verwijst de Synode naar de uitspraken van 1574. 1836, 1879, 1913. Zij kan zich geheel aansluiten bij de conclusie van de Commissie van Rapport, en zij dringt er bij de Kerken ten ernstigste op aan, dat beleefd worde het onlosmakelijk verband tussen het afleggen van belijdenis des geloofs en het gebruik der sacramenten. Met deze uitspraak wil de Synode bevestigen, dat zij blijft in de lijn der vaderen”, Acta 1950, art. 89; zie ook bijlage XLII.

Vraagt iemand dus: wat is het standpunt der Chr. Geref. kerken ten aanzien van de verhouding belijdenis-doen en Avondmaal-vieren. dan vinden we in bovengenoemde synodale uitspraken van 1574 tot en met 1950 het antwoord. Daarin vinden we de leer van onze kerken vanouds af.

Nu kom ik tot de legende, die blijkbaar bezig is zich te vormen, en waarvan de zusters die mij om opheldering vroegen, gehooid hadden.

Op de generale synode van 1965/66 kwamen de deputaten die een nieuwe uitgave van de Kerkorde moesten voorbereiden, met het voorstel om bij art. 61 van de Kerkorde een paar van bovengenoemde synodale uitspraken te voegen, o.a. ook de uitspraak van 1950. Niet ieder beschikt over de acta van onze synoden, vooral niet over de acta van de synoden uit vorige eeuwen. Daarom wilden deputaten de belangrijkste besluiten omtrent de verhouding belijdenis-doen en Avondmaal-vieren in de uitgave van onze Kerkorde opnemen.

Wat gebeurde nu in 1965 op de synode? De Acta zeggen het in art. 194: „ln de tweede ronde maakt een der leden ernstig bezwaar tegen de bepalingen die deputaten voorstellen op te nemen bij art. 61”. Het ging deze broeder tegen de inhoud van deze bepalingen. In de bespreking is het hem duidelijk gemaakt dat deputaten niet andersgedaan hadden dan vroegere synodale uitspraken over deze kwestie opnemen in hun concept. De broeder-afgevaardigde meende zeker, dat deputaten zelf uitspraken over belijdenis-doen en Avondmaal-vieren hadden gemaakt! Maar...... hij was ook afgevaardigde op de synode van 1950, die boven-aangehaalde uitspraak deed, welke uitspraak deputaten voor de Kerkorde nu in de nieuwe uitgave wilden opgenomen zien! Maar volgens de Acta van 1950 heeft bedoelde afgevaardigde niet verzocht een protest in een of andere vorm in de Acta op te nemen.

Ziehier de historie. Maar nu moet niet verteld worden, dat de synode van 1965/66 iets heeft gewild of gedaan dat afwijkt van de leer en het standpunt der vaderen. ET kan alleen naar waarheid verteld worden dat zij de uitspraken van onze vaderen over het verband tussen belijdenis-doen en Avondmaal-vieren in de nieuwe uitgave van de Kerkorde heeft opgenomen. De broeder afgevaardigde die bezwaar had tegen de inhoud van deze uitspraken vergiste zich toen hij meende, dat er iets nieuws, iets onbijbels, iets on-gereformeerds werd ingevoerd. Welnu, vergissen is menselijk. En... bedoelde broeder-afgevaardigde heeft jarenlang gelegenheid gehad om eventuele bezwaren tegen de uitspraken van vroegere synoden in te brengen op de meerdere vergaderingen, maar tot dusver is dit, voorzover wij weten, niet geschied.

Van harte hopen we dat de legende, waarvan sprake was, voorgoed de wereld uit is. want het voortbestaan van zulk een legende vergiftigt het kerkelijk leven.

In een laatste artikel willen we nog even laten horen wat één van onze grote voormannen, namelijk docent F. P. L. C. van Lingen, over het verband tussen belijdenis-doen en Avondmaal-vieren dacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.