+ Meer informatie

Het gesprek over het heilig avondmaal op het huisbezoek (II)

14 minuten leestijd

Algemene opmerkingen over het gesprek.

Een ambtsdrager heeft tot taak op het huisbezoek met de gemeenteleden ook over het H. Avondmaal te spreken. Maar hij dient wèl toe te zien hoe hij dat gesprek voert.

Niet ieder spreekt even gemakkelijk over het geestelijke leven. Streeksgewijze kan dat wel eens verschillen. Maar in het algemeen hebben wij als nederlanders het hart niet cp de tong liggen. Moeilijker nog uit men zich over het H. Avondmaal. Dat is ook wel te begrijpen. Want het H. Avondmaal ligt voor velen uiterst teer. Als men over het Avondmaal spreekt moet men haast wel zeggen wat er diep in het hart leeft. En daartoe is men niet altijd direkt genegen.

Dit zou de ambtsdrager er toe kunnen verleiden om niet mèt zijn broeders en zusters te spreken over het Avondmaal, maar hen eenvoudig toe te spreken. Het gevolg zal dan meestal zijn dat deze toespraak een alleen-spraak wordt, die zwijgend wordt aangehoord. Op deze wijze kan het gesprek niet alleen niet beantwoorden aan zijn doel, maar worden ook dikwijls onherstelbare verwondingen aangericht. De harten, die zo dringend ambtelijke zorg behoeven sluiten zich hermetisch af en worden op geen enkele wijze geholpen.

Nu is het zeker waar dat een goed gesprek voeren over geestelijke zaken, in het bijzonder wel over het H. Avondmaal, moeilijk is. Een gesprek moet eigenlijk geboren worden. Dat kun je niet maken. Je kunt niet zeggen nu zal ik eens een goed gesprek gaan voeren. We zijn ook in dezen diep afhankelijk van de H. Geest. Een ambtsdrager zal daarom moeten beginnen met zichzelf voor te bereiden op de gesprekken die hij heeft te houden. En dan niet alleen in deze zin dat hij er over nadenkt hoe hij het gesprek zal aanpakken, maar ook zó, dat hij veel bidt om de leiding van de H. Geest. Een ambtsdrager moet in de eerste plaats een bidder zijn. Men neme dat heel serieus. Want dit wordt niet gezegd omdat het nu eenmaal zo hoort, maar omdat dit een noodzakelijke voorwaarde is voor een ambtsdrager. In gebeden vóór de diensten des Woords wordt vaak het onderscheid gemaakt tussen ambtelijke en kinderzegen voor de dienaar des Woords. En terecht. En ieder zal tot ervaring hebben, dat al heeft men altijd geen kinderzegen de ambtelijke zegen dan lang niet altijd ophoudt. Maar wij mogen het er niet op aan laten komen, dat de Here een verrassend God is. We zullen onze ambtelijke roeping ook in dezen hebben te vervullen. En wie zich biddend op zijn ambtswerk voorbereidt zal tot zijn beschaming ervaren hoe goed de grote Herder is voor zijn onder-herders.

Vervolgens zal een ambtsdrager vóór alles moeten kunnen luisteren. Hij moge vaak het gesprek op gang moeten maken, maar hij moet zich op tijd met zijn woorden terugtrekken. Hij moet het ogenblik aanvoelen, dat hij moet zwijgen en alleen maar luisteren. Let wel: luisteren. Dat is iets anders dan aanhoren. Als ik iets aanhoor kan hetgeen ik hoor geheel buiten mij blijven. Het doet mij niets en raakt mij niet. Maar luisteren is iets anders.

Ds W. A. Wiersinga zegt het in zijn boek „Weid mijne schapen” zó:

„Het eerste, het tweede en het derde op huisbezoek is: luisteren!

Luisteren wil maar niet zeggen: zijn mond dicht houden en zijn ooren openen — het is een werk met het hart.

Luisteren is maar niet stil zijn en een ander laten praten, — het is intensief bezig zijn, opnemen en verwerken, wat die ander zegt.”

Even verder lezen we in hetzelfde werk — en we halen het met instemming aan: „En als hij aan U gevoelt, dat gij luisteren wilt en werkelijk in zijn geval inkomt, — dan hebt ge hem al half gewonnen en kan hij heel wat in uw antwoord en opmerkingen verdragen.

Oefen U daarom in deze kunst. Zij is voor geen mens gemakkelijk, want ze vraagt veel zelfverloochening. Zeg daarom niet dadelijk: ik kan dat wel. Want om het te kunnen, moet gij niet-aldoor zoo met Uzelf bezig zijn, en och, welk mensch loopt niet het gevaar dat juist wel te doen? Om te luisteren moet gij Uzelf kunnen vergeten, en in de gedachtengang, in ’t karakter, in de situatie van de ander inkomen. U dus geheel voor dien man openstellen. Hem trachten te begrijpen met een liefdevol hart.”

Deze wijze woorden kunnen niet genoeg benadrukt en in praktijk gebracht worden. Er zijn ambtsdragers, die de hele avond, dat zij op huisbezoek zijn zelf aan het woord zijn, zo zelfs dat de bezochte leden er geen woord tussen kunnen krijgen. En dan menen ze nog dat ze een goede avond gehad hebben omdat ze hun woorden zo goed kwijt konden.

Nee, men zal eerst moeten peilen waar de mede-broeder of -zuster zit. Wat de gedachtengang is en hoe de dingen gezien worden. En niet minder: al of niet beleefd worden.

Men mene ook niet, dat, als iemand zich eens wat bloot gegeven heeft, men hem altijd op dezelfde wijze moet benaderen. Een aanpak van een andere kant kan soms verrassend werken.

Dit alles geldt dubbel als het gaat over het H. Avondmaal. Want — zoals reeds gezegd werd — dat ligt uiterst teer.

Een ambtsdrager komt met het Evangelie. En Evangelie betekent nog altijd: goede boodschap. Dat wil helemaal niet zeggen, dat men op tijd niet moet vermanen. Als dat nodig is moet dat zeker gebeuren. Maar dan zal het vermaan altijd nog gedragen moeten worden door de liefde. En die liefde zal ook gevoeld moeten kunnen worden door degene, die bezocht wordt.

Uiteraard zal het gesprek over het H. Avondmaal gedifferentieerd moeten zijn. Geen mens is gelijk en geen geval is gelijk. De een zit met deze moeilijkheid, de ander met een andere. Als men eerst maar weet: welke moeilijkheid?

Het is ook heel goed mogelijk, dat er van moeilijkheden geen sprake is maar dat er in het gesprek iets gemist wordt. Heel vaak wordt in onze kringen over de moeilijkheden met betrekking tot het H. Avondmaal gesproken en dan in een zeer bepaalde zin. Maar men zou als ambtsdrager ook eens voorzichtig kunnen informeren naar het stuk der dankbaarheid en ook dan concreet worden. Na het luisteren is er het gesprek. Het woord „gesprek zegt eigenlijk al, dat er twee of meer moeten zijn. Als ambtsdragers hebben we zeker de plicht ook van onze zijde te zeggen wat we moeten zeggen. Maar dan in de vorm van een gesprek waarbij men zijn ambtelijke bevoegdheid niet uit het oog behoeft te verliezen.

Het heeft bitter weinig zin in een gesprek met iemand, die innerlijk niet erg geraakt is door de opdracht van de Here Jezus om het Avondmaal te vieren, alleen maar teksten aan te halen, die het gebod benadrukken. Veeleer zal men duidelijk hebben te maken waarom dit liefde-gebod gegeven is. De prediking heeft ook niet tot taak om alleen maar de tekst voor te lezen.

De prediker, die na voorlezing van zijn tekst zou zeggen: dit is duidelijk genoeg, hier behoef ik niets meer van te zeggen, schiet te kort in de uitoefening van zijn taak. Hij heeft het Woord te prediken en dat houdt o.m. in: uit te leggen en toe te passen. Hoewel Apollos doorkneed was in de Schriften legden Priscilla en Aquila hem de weg Gods nauwkeuriger uit. (Hand. 18 :26) en dat nog wel terwijl hij van te voren nauwkeurig geleerd had (d.i. onderwezen had) hetgeen op Jezus betrekking had.

Hieruit blijkt dus dat men alles kan weten en toch niet goed kan weten. En daar ligt de prachtige taak van de ambtsdrager.

Men hoort dan ook wel zeggen als er een „gesprek” gevoerd is met Bijbel-teksten zonder meer: dat wist ik allemaal wel, maar daar heb ik niets aan. Terwijl de ambtsdrager dan soms naar huis gaat met de gedachte: het Woord doet ook niet veel bij die broeder of zuster. Maar hij is helemaal mis. Zijn aanpak is verkeerd geweest hoe goed hij het ook bedoelde en hoe schriftuurlijk hij ook gesproken heeft. Dit komt meer voor dan men denkt en daarom zij men er voor op zijn hoede.

Men mag hieruit niet de conclusie trekken, dat Bijbel-teksten niet gebruikt mogen worden. Alles wat we zeggen moet geworteld zijn in de Schrift en het moet soms gezegd worden: zo spreekt de Here in Zijn Woord. Maar het gesprek zij geen aaneenrijging van teksten doch werkelijk: gesprek, ambtelijk gesprek.

Tenslotte zal het gesprek, ook over het H. Avondmaal, gevoerd moeten worden in geloof. Dat geldt vanzelfsprekend van elk geestelijk werk maar niet in het minst wanneer het gaat om dit sacrament. Ambtsdragers kunnen gemakkelijk in verleiding komen om te denken, dat het allemaal toch niet helpt. Temeer waar men soms in moet worstelen tegen gedachtengangen, die gedurende hele geslachten het denken hebben beheerst.

Een ambtsdrager komt echter wanneer hij Schrift en Belijdenis naspreekt over het H. Avondmaal niet met zijn eigen woord maar met Gods Woord. En dat Woord is zelf waarborg dat het ingang vindt. Want het is het Woord van Hem, Die krachten Zijn natuur niet gebonden is aan dat Woord maar Die in Zijn souverein welbehagen Zichzelf aan dat Woord verbonden en gebonden heeft. Dat alleen kan de kracht van ambtsdragers zijn: er staat Eén achter mij. Hij zendt mij en ik waag met Zijn Woord niets want Hij is trouw aan Zijn eenmaal gegeven belofte.

Elke ambtsdrager, die dat Woord gebracht heeft weet bij ervaring, dat het Woord een kracht Gods tot zaligheid is. En hij ziet het soms voor zijn eigen ogen gebeuren, dat gedachten, die men jarenlang gekoesterd heeft worden prijsgegeven en dat Het Woord de harten gevangen neemt.

Alleen men hebbe geduld. Wij willen altijd direkt succes zien, terwijl het gaat om de zegen. En de zegen ervaart men soms eerst veel later. De weerstanden zijn zo ontzaglijk groot. En heel de Bijbel is er om te bewijzen, dat de Here Zelf een oneindig geduld heeft moeten hebben en nog moet hebben met zondaren. Zouden wij het dan niet moeten hebben? Zou een dienstknecht meerder zijn dan Zijn Heer?

Moeilijkheden waarop de ambtsdrager stuit bij het gesprek over het H. Avondmaal.

Het zal duidelijk zijn, dat het niet mogelijk is om in het bestek van enkele artikelen alle moeilijkheden te bespreken, die men bij het gesprek over het H. Avondmaal kan ontmoeten. We zullen ons zeer moeten beperken en slechts enkele zaken kunnen aanstippen.

1. op onwaardige wijze eten en drinken.

Elke ambtsdrager zal in zijn praktijk mensen tegenkomen, die zeggen, dat zij zo onwaardig zijn en die daarom van oordeel zijn, dat zij niet aan het H. Avondmaal mogen deel nemen.

De achtergrond van dit gezegde moet men o.m. zoeken in het verkeerd verstaan van het bekende woord uit 1 Cor. 11: „Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heren”. Het hangt ook samen met een te sterke nadruk leggen op de innerlijke gesteldheid van de avondmaalganger. Men eiste allerlei kenmerken en gestalten, waaruit dan zou blijken dat men een waar christen was. En bezat men deze niet dan moest men zich van de tafel des Heren onthouden.

Wie deze tekst aandachtig leest moet wel tot de conclusie komen, dat het hier niet gaat over de onwaardigheid van de avondmaalganger maar over de onwaardige wijze waarop een avondmaalganger aangaat. In de tekst heeft dit tot achtergrond het feit, dat men vóór de viering van het H. Avondmaal het z.g. liefdemaal hield. Dit liefdemaal waaraan heel de gemeente deel nam ontaardde in een liefdeloos maal waarbij het zelfs gebeurde, dat er één hongerig en de ander dronken was. En dan kwam men in strijd met het karakter en het doel van het H. Avondmaal. Het karakter van het H. Avondmaal kan men omschrijven als gemeenschap hebben aan het lichaam en het bloed van Christus, terwijl het doel ligt in een eten en drinken tot gedachtenis aan de Here Jezus. Maar dit alles kwam in gedrang door de onwaardige wijze waarop men aldus doende — hongerig en dronken zijnde — het H. Avondmaal vierde.

Er staat trouwens in de tekst duidelijk „onwaardiglijk”. Dat zegt dat onwaardig niet een bijvoeglijk naamwoord is bij de Avondmaalganger maar een bijwoord, dat iets zegt van de wijze van aangaan.

Hieruit wordt ook duidelijk, dat zelfs een kind van God onwaardiglijk kan eten en drinken. Dán, n.l. wanneer hij bepaalde zonden aan de hand houdt en weigerend er mee te breken toch ten Avondmaal gaat.

Maar er is geen sprake van, dat in deze tekst er op gedoeld zou worden, dat een Avondmaalganger die met Paulus zou moeten zeggen: ik, de grootste der zondaren en zich dus de genade des Heren onwaardig gemaakt heeft, niet zou mogen aangaan.

De fout in heel deze beschouwing ligt in het feit, dat men ten diepste de vrijmoedigheid om toe te treden tot de tafel des Heren wil ontlenen aan zichzelf; aan wat men heeft doorgemaakt en beleefd. Maar eigenlijk komt het er dan op neer dat men het kinderlijke geloof in Christus niet voldoende acht en meent nog iets anders te moeten bezitten. Dat is een wettische trek, die door de Schrift veroordeeld wordt.

De vrijmoedigheid om toe te treden tot de tafel des Heren kan en mag nooit ergens anders in gelegen zijn dan in de nodiging van de Here Zelf. En Hij nodigt niet vromen en rechtvaardigen maar zondaren. In het Avondmaal geeft Jezus Zich als onze gerechtigheid omdat in ons geen gerechtigheid is. De permissie om toe te treden geeft de Here Zelf door onwaardigen te nodigen.

Het komt voor de ambtsdrager er dus op aan deze dingen wél te onderscheiden. Hij moet zelf weten hoe de dingen liggen al zal het niet verstandig zijn ze op een harde wijze te zeggen. Wie begint met te zeggen: u bent wettisch bereikt niet veel. Misschien moet dat woord op een bepaald moment metterdaad vallen, maar dan op de juiste tijd. Men moet trachten de mensen de dingen zo te laten zien, dat zij op een bepaald moment zelf tot de conclusie komen: ik ben fout.

Als ze daar eenmaal zijn wil dat nog niet zeggen, dat u, als ambtsdrager het gewonnen hebt want het hart wil dan altijd nog niet mee. Er blijft dan niets anders over dan te wijzen op de grote zondaarsliefde van de Here en het verder aan de grote Herder der schapen over te laten.

In dit verband is er nog een zaak, die van belang is.

Het heeft mij vaak getroffen, dat mensen, die met de boven genoemde moeilijkheden worstelen een zekere angst en vrees hebben voor het H. Avondmaal, die ver verwijderd is van de schriftuurlijke vrees; men stelt het Avondmaal zo hoog dat het in feite voor een zondaar onbereikbaar is. En men doet alsof men bang moet zijn om tot Christus te komen.

Deze moeilijkheid is niet met redenering weg te nemen. Men zal steeds weer moeten wijzen op het wonder van het Evangelie; op de ondoorgrondelijke genade van Christus, die vlees werd om ons te redden zonder ons te verteren.

Een belangrijke rol bij het op onwaardige wijze eten en drinken speelt ook het slot van vers 29 van 1 Cor. 11, n.l. de zinsnede: „die eet en drinkt zichzelf een oordeel”. Men verbindt dit oordeel menigmaal met het eeuwig verderf alsof er sprake is van een onvergeeflijke zonde. Maar dat is niet het geval. Er staat niet, dat iemand, die op onwaardige wijze eet en drinkt zichzelf het oordeel eet en drinkt maar een oordeel.

Natuurlijk kan het oordeel, dat op elke onboetvaardige zondaar rust verzwaard worden door het op onwaardige wijze eten en drinken. Maar dan is dat oordeel niet een gevolg van een verkeerde avondmaalsviering maar van het volharden in de onbekeerlijkheid.

Paulus heeft met „oordeel” hier het oog op de straffen, die de Here liet komen over zijn gemeente, die op onwaardige wijze at en dronk. En deze straffen worden aangeduid met deze woorden: „daarom zijn er onder u vele zwakken en kranken; en velen slapen”.

Het is buiten kijf, dat wie onwaardig eet en drinkt schuld over zich haalt en dientengevolge straf van de Here heeft te verwachten, maar het kan een bevrijding voor sommigen betekenen wanneer hen duidelijk gemaakt wordt, dat hier niet gesproken wordt over de eeuwige straf.

Het moet trouwens wel opvallen, dat Paulus niet zegt van de Corinthiërs dat zij geen gelovigen zijn. Ook trekt hij hun geloof niet in twijfel. Hij wijst alleen op de misstanden en zegt dat om die misstanden de straf des Heren gekomen is. Het mag vanzelfsprekend nimmer de bedoeling zijn om een op onwaardige wijze toetreden tot de tafel des Heren goed te praten of de schuld, die men door deze handeling tot zich trekt te kleineren, maar wij moeten er voor waken de schriftgegevens eerlijk door te geven.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.