+ Meer informatie

Twee kerken van honderd jaar (I)

8 minuten leestijd

HOOFDARTIKEL

Op 17 juni 1892 was er een belangrijke vergadering in de Amsterdamse Keizersgrachtkerk. Toen besloten de Synoden van de Christelijke Gereformeerde Kerken, en die van de Nederduitsch Gereformeerde Kerken „samenop-weg" te gaan. De kerken die waren voortgekomen uit de Afscheiding (1834) en de „Dolerende" kerken (1886) waren één geworden en zouden voortaan , , Gereformeerde Kerken in Nederland” heten.

„Samen-op-weg”, schreef ik, maar die term was toen nog onbekend. Men sprak van , , De Vereeniging". Die was overigens niet zo gemakkelijk tot stand gekomen, want er waren wederzijds nogal wat bezwaren. Maar uiteindelijk stemden bijna alle afgevaardigden vóór. Bijna, want restloos geschiedde deze samenvoeging niet. Een klein deel - slechts drie gemeenten met in totaal 700 lidmaten - onttrok I zich en bleef zelfstandig voortbestaan als , , Christelijke Gereformeerde Kerk”.

En zo kan het gebeuren dat deze maand twee kerken in ons land hun honderdjarig bestaan vieren: de Gereformeerde Kerken in Nederland, en de Christelijke Gereformeerde Kerken. In een eeuw tijds kan er veel gebeuren, en sinds 1892 is er ook veel gebeurd. De mannen broeders die betrokken waren bij , , De Vereeniging" van 1892 hebben deze gebeurtenis als een wonder ervaren. Zouden ze - als ze konden - vandaag nog onderschrijven wat H. Algra zegt, dat het was „alsof alle lof-en dankpsalmen, die toen werden gezongen, waren gedicht voor dit wonder”?

De Afscheiding

In 1834 had de eerste uittocht uit de Hervormde Kerk plaats gehad. In het hoge noorden, in Ulrum, tekenden ds. Hendrik de Cock, zijn kerkeraad en een deel van zijn gemeente, de „Akte van Afscheiding of Wederkering". Het voorbeeld werd door meerdere gevolgd: H. P. Scholte te Doeveren, S. van Velzen te Drogeham, A. Brummelkamp te Hattem, G. F. Gezelle Meerburg te Ahnkerk. Allemaal jonge predikanten die van hun volgelingen de erenaam , , vaders der Afscheiding" kregen, en die, waar zij maar konden, kerkdiensten organiseerden en gemeenten stichtten.

De geschiedenis is bekend. De kerkelijke leiders deden hooghartig over die bekrompen dwepers die nog steeds vasthielden aan Dordtse formulieren. En de overheid trachtte de beweging met geweld de kop in te drukken door boete en inkwartiering, maar dat had vaak een averechtse uitwerking. Toch bleef de Afscheiding nog beperkt. Kleine groepjes mensen, over het hele land verspreid, vaak in afgelegen streken, onttrokken zich aan de vaderlandse kerk. Hun leiders waren weinig in getal en hadden in het begin hele provincies als werkterrein. Er was niet veel communicatie, men werkte ook niet volgens een van te voren vastgesteld plan. Bovendien was men het onderling over verschillende zaken niet eens en binnen korte tijd vielen de Afscheidenen in twee groepen uiteen: Christelijk Afgescheidenen en Gemeenten onder het Kruis. In 1869 werd die breuk gedeeltelijk geheeld, maar het duurde lang eer de Afgescheidenen het beeld van een landelijke kerk vertoonden.

Bovendien, en dat moet de Afgescheidenen bitter tegengevallen zijn, bleven vele orthodoxen in de Hervormde Kerk. En - dat was winst - zij die in die Kerk wilden vasthouden aan Schrift en Belijdenis waren door de Afscheiding wakker geschud.

Toen de eerste slagen waren gevallen en de Afgescheidenen uit de Kerk waren gegaan, bleek het aantal Gereformeerden in de Kerk véél groter dan men had vermoed, en was het ook alsof die achtergeblevenen veel moediger waren dan zij zelf hadden gedacht. Men ging de Synode bestoken met adressen, er werden verenigingen opgericht om de krachten te bundelen, kortom het Gereformeerde deel van de Hervormde Kerk was in aktie gekomen.

De Doleantie

Een en ander is van invloed geweest op de Doleantie, de tweede grote uittocht van Gereformeerden uit de Hervormde Kerk. Die Doleantie is natuurlijk niet denkbaar zonder de strategie van Abraham Kuyper, die - op z'n zachtst gezegd - van meet af aan op een breuk met de besturen-organisatie heeft aangewerkt. Het is hier niet de plaats om uitvoerig bij de geschiedenis van de Doleantie stil te staan. Maar globaal kan wel gezegd worden dat de Afscheiding min of meer spontaan heeft plaats gehad, terwijl de Doleantie geschiedde volgens een vooropgezet plan.

Ds. J. H. Velema heeft eens geschreven: »De Afscheiding is geloofsdaad. De Doleantie veel meer berekening. We zullen de laatsten zijn om te ontkennen dat de Doleantie zonder geloof geschied is, maar het kinderlijk-eenvoudige ontbreekt. De Afscheiding kent het bidvertrek en daarna het Generale Stafkwartier. De Doleantie het Generale Stafkwartier en daarna het bidvertrek”.

Met zijn grote begaafdheden en duidelijke leiderscapaciteiten heeft Abraham Kuyper tal van Gereformeerden in de Hervormde Kerk binnen zijn invloedssfeer gekregen. Onder andere ook diverse afdelingen van de , , Vrienden der Waarheid". Deze verenigingen waren door heel het land heen opgericht om binnen de Hervormde Kerk op te komen voor de Gereformeerde leer en prediking. Maar doordat hun aktiviteiten weinig verandering brachten in de toestand van de Kerk neigde een deel van hen naar een conflictsituatie. De bom moest dan maar een keer barsten. Geen wonder dat de hoop van velen was gevestigd op een man als Kuyper. Vooral in Friesland zijn vele , , Vrienden der Waarheid" Kuyper gevolgd. Het trieste van dit verhaal is dat op deze manier precies het omgekeerde werd bereikt van wat men had willen bereiken. Want de „Vrienden der Waarheid" hadden zich juist georganiseerd om binnen de Kerk reformerend bezig te zijn, maar inplaats daarvan kwamen ze juist buiten de Kerk te staan.

De Doleantie greep meer om zich heen dan de Afscheiding had gedaan. Welsprekende mannen vuurden hun aanhangers aan, , , het synodale juk af te werpen" en , , te vlieden uit Babel". Vooral in de hoofdstad, waar het eigenlijke conflict zich afspeelde, werd de Doleantie een ware volksbeweging.

Binnen een paar jaar waren er 200.000 Dolerenden, een aantal dat de Afgescheidenen in een halve eeuw nog niet hadden gehaald. Bovendien waren er nu meer predikanten bij betrokken dan in 1834. En terwijl de Afgescheidenen het jarenlang zonder opleiding hadden moeten stellen, beschikten de Dolerenden van tevoren al over de Vrije Universiteit, waar de toekomstige dienaren des Woords werden opgeleid.

Toch bleef ook de omvang van de Doleantie betrekkelijk beperkt. Want de 200.000 die Kuyper volgden, vormden toch met elkaar slechts een klein deel van de Hervormde Kerk. En ook het aantal predikanten dat zich schaarde onder de banier van Kuyper viel uiteindelijk tegen. Velen van wie de Dolerenden hadden verwacht dat ze mee zouden gaan, kozen er toch voor, toen het op een breuk aankwam, in de Hervormde Kerk te blijven. Over zijn vroe- gere medestanders heeft Kuyper spijtig opgemerkt: „thans dezelfde broederen met de synodale machthebbers tégen ons...!”

Twee kerken

Zo waren er sinds 1886 en 1887 op tal van plaatsen twee kerken naast de Hervormde Kerk: één uit de Afscheiding en één uit de Doleantie. Dat gaf, vooral in de dorpen, spanning. De Hervormden keken natuurlijk al bedenkelijk naar beide groepen, maar er was ook wrijving tussen Afgescheidenen en Dolerenden onderling. De mensen van 1834 achtten de kerk van 1886 overbodig. Wie het in de vaderlandse kerk niet langer kon uithouden, had zich toch bij hèn kunnen aansluiten? Bovendien vond , , het eenvoudige christenvolk", zoals de Afgescheidenen zichzelf graag noemden, de Dolerenden maar een intellectualistisch gezelschap, waarin opvattingen werden gehuldigd over Verbond en Doop die de hunne niet waren... Omgekeerd zagen de Dolerenden wat meewarig neer op de mensen uit de Afscheiding. Die hadden dan wel , , een schooltje" waar hun voorgangers werden opgeleid, maar dat haalde het toch niet bij de heuse universiteit van Kuyper...

Aan beide kanten waren natuurlijk ook mensen die vonden dat gescheiden optrekken niet kón. Reeds in 1888 sprak de Synode van de Christelijk Gereformeerde Kerken uit , , dat zij de vereniging met de dolerenden niet slechts als gewenst, maar als van God geboden, en dus plichtmatig" beschouwde. Aan de andere zijde was ook Abraham Kuyper sterk geporteerd voor eenwording. Men heeft wel gefluisterd dat de omvang van de Doleantie hem zwaar tegengevallen was, en dat hij daarom de Christelijk Gereformeerden nodig had tot versterking van zijn gelederen...

Hoe dan ook, er bestonden twee kerken naast elkaar met dezelfde belijdenis, en ondanks het feit dat de noodzaak van eenheid werd ingezien, bleek het niet eenvoudig die twee bij elkaar te krijgen. De Afgescheidenen hielden vol dat de Dolerenden geen eigen kerk hadden mogen vormen. Maar, zeiden de volgelingen van Kuyper, dat hébben we ook niet gedaan. Wij hebben slechts het bestuurlijke juk afgeworpen, maar we zijn de voortzetting van de oude kerk.

Er was nóg een heet hangijzer: de opleiding. De Dolerenden hadden de Vrije Universiteit, een volwaardige opleiding dus. Maar de Afgescheidenen wilden tot geen prijs afstand doen van „Kampen”.

Toch gaf men de pogingen niet op en in 1891 was het na vele strubbelingen zo ver, dat de eenheid in zicht begon te komen. Daarover in het vervolg meer.

W.v.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.