+ Meer informatie

Een ceder in leer en leven

Ds. H. Roelofsen: verkoren en geroepen, gezonden en geleerd

12 minuten leestijd

"Hij was ontvangen en geboren als gevallen mens op aarde en is als kind des Heeren geroepen en wedergeboren, gerechtvaardigd en geheiligd en nu met zijn ziel verheerlijkt voor Gods troon, totdat de jongste dag zal komen, dat hij met ziel en lichaam verheerlijkt zal zijn en blijven in de volle vreugde en zaligheid. Maar hij was ook als knecht des Heeren verkoren en geroepen, gezonden en geleerd en mocht Gods Kerk op aarde onder het oordeel dienen, als knecht. Door God Zelf is hij voor velen gebruikt tot een middel in Gods hand, tot zegen en tot troost. God stelde hem als een ceder in leer en in leven."

Zo lezen we het voorwoord dat ds. J. Fraanje vanuit zijn Barneveldse pastorie in februari 1941 schreef voor de brochure "Geen blijvende stad", een preek over Hebreeën 13:14. Twintig bladzijden in een bruine omslag gestoken gewagen van de diepe strekking van het woord van de apostel: "Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende." Uitgesproken door ds. Hendrikus Roelofsen, stenografisch opgenomen door een hoorder en ruim tien jaar na het overlijden van deze innemende prediker in druk verschenen.

Het was vorige maand 150 jaar geleden dat Hendrikus Roelofsen op de boerderij Groot Batelaar tussen Barneveld en Lunteren werd geboren. In de door hemzelf opgestelde en uitgegeven levensbeschrijving vinden we de 20e oktober 1852 echter niet terug. De enige datum in deze bijna negentig bladzijden tellende autobiografie is een opmerkelijke: zondagavond 21 augustus 1870. Dát was de datum die hem meer te zeggen had dan zijn geboortedag. Op deze zondag sprak God tot hem: "Tot hiertoe en niet verder."

Alsof hij zijn eerste jaren niet telde, doet hij die met twee alinea's af. Toch weet hij uit die eerste jaren van overtuigingen, "zeer vroeg in mijn jeugd." Zoals zoveel kinderen Gods, vanaf hun jonge jaren. Hij moest bekeerd zijn! Daarvan was hij doordrongen, evenzeer als hij ervan overtuigd was dat hij nog onbekeerd voortleefde. Die indrukken probeerde hij weg te drukken. Hij hield zich liever bezig met kaarten en dobbelen.

Zo ook op die bewuste zondagavond. De hele dag had hij zijn vermaak gezocht in zijn spel. Waarschijnlijk niet onder een preek gezeten. 's Avonds op weg naar huis gebeurde het. Hij was verslagen in zijn hart en durfde geen voet meer verzetten. Die nacht sliep hij niet. Benauwd en onbekeerd. En dat duurde drie dagen. Hij pakte de Bijbel en las daar voortdurend in, iets wat hij voorheen niet vaak gedaan had.

Kaartspel

De ouderlijke woning leek bepaald niet op "der vromen tent die weergalmde van hulp en heil." Over het woord bekering had hij nog nooit gehoord. En toch bad de jonge Roelofsen of hij bekeerd mocht worden en niet onbekeerd hoefde te sterven. Wat bekering inhield? 't Was hem onbekend.

Van zijn wereldse vrienden had hij al afscheid genomen. Maar in plaats van hen te vertellen wat de echte reden was waarom hij hun gezelschap niet langer zocht, deed hij alsof hij zich niet goed voelde. Het was maar voor een korte poos; later zocht hij z'n makkers weer op. En niet alleen zijn vrienden, ook zijn kaarten en dobbelstenen werden op Gods dag weer opgezocht. En dan weer wisselde hij dit verkeerde leven af met bijbellezen, bidden en kerkgang.

Hij kon met niemand over zijn toestand spreken. Geen mens zijn benauwdheid klagen. Gods volk wist de weg naar Groot Batelaar niet te vinden. Wat moesten ze er ook zoeken?

De opvoeding die Roelofsen had gekregen was in de geest van netjes leven en ieder het zijne geven. Maar hij werd gewaar dat dit geen houdbaarheid had voor de eeuwigheid, waarvoor hij steeds zo bang was. Als we deze periode in zijn leven met enkele trefwoorden zouden moeten weergeven, kan dat het beste met de woorden hopeloos, vertwijfeling, donkerheid, zelfbedrog en treurigheid. Geen leven waarop zijn vroegere vrienden jaloers konden worden. Hij vond benauwdheid en droefenis. En zo ging het week in, week uit. Dan gloorde er weer eens hoop in zijn leven, en dan weer was hij de wanhoop nabij.

In die tijd verlangde hij ernaar om Gods volk te ontmoeten. Hij wist ze te wonen en waar ze in gezelschap bij elkaar kwamen. Op een keer ontmoette hij twee bevestigde christenen in het huis van zijn buurvrouw. Toen werd hem de vraag gesteld of hij behoorde bij de mensen die in oprechtheid konden zeggen dat zij lust hebben om de Heere te vrezen. Zijn antwoord viel in de smaak; hij zei bang te zijn voor zelfbedrog. Hij mocht toen evenwel geloven dat de Heere genade in zijn hart werkte.

Hij had veel gelegenheid om te mediteren. Als schaapherder weidde hij de kudde van zijn vader en daarbij kon hij zijn gedachten de vrije loop geven.

Levende hoop

In geestelijk opzicht ging het veelal van klacht tot klacht. Soms mocht hij ook geloven dat God van hem afwist, dan weer kon hij er niets van bekijken. Zijn hart werd naar de zuivere prediking getrokken. Van tijd tot tijd kon men hem in de kerk van Ede vinden. Daar werd op de preekstoel verklaard wat in zijn hart leefde.

God openbaarde Zich in zijn leven en er werd een levende hoop in zijn hart geboren. De zon der gerechtigheid ging helder schijnen. En dan waren er weer plotseling van die donkere wolken van twijfel en zondesmart. Dan kwam de strijd weer. Zelfs in de nachtelijke uren werd het hem soms in de droom nog moeilijk gemaakt. Daar stond dan weer vertroosting tegenover. Hoop tegen hoop, dan weer bekeerd en dan weer onbekeerd.

Inmiddels had hij zijn vaste kerkelijk onderkomen in Ede gevonden. Met een paar vrienden ging hij er elke zondag weer heen. Hij dronk de preken van de predikanten W. Kraijenbelt en W. R. Kalshoven in als water. De vrienden kwamen door de week bij elkaar om over de dingen der eeuwigheid te spreken. Vaak werd er uit een levend gemis gesproken. Soms was men elkaar tot steun.

Roelofsen kon niet ontkennen dat de Heere tot zijn ziel gesproken had. Maar hij miste de zekerheid des geloofs. Ruim twee jaar lang leefde hij in geestelijk opzicht in diepe wegen tussen hoop en vrees. Vaak voerde de vrees de boventoon. Na bijna drie jaar werd hij onder een preek over Zondag 23 ontdekt aan zijn gemis. Kort daarna ontving hij de vrijspraak en mocht hij zich verzekerd weten van zijn aandeel aan Christus. Inmiddels volgde hij catechisatie en in april 1874 werd hij als lid aangenomen.

Schaapjesdominee

De wekelijkse bijeenkomsten met de vrienden werden door steeds meer mensen bezocht. Eind 1880 werd in dit gezelschap begonnen met het lezen van een oudvader. Dat gebeurde in de boerderij van Wouter Koudijs aan de Postweg te Lunteren. In het begin las Roelofsen de preek, naderhand maakte hij zelf de toepassing en nog weer later werd de leespreek een eigen oefening. Het gebeurde nogal eens dat hij sprak over zijn ervaring uit het dagelijkse leven en daar een geestelijke betekenis aan gaf.

Het ging dan niet alleen over een schaap en de eigenschappen van zo'n dier, zoals eigenzinnig en dwaalziek zijn, maar vaak ook over de geestelijke betekenis van de Herder, Die Zijn leven voor de schapen stelt. Dit regelmatig terugkerende thema in zijn prediking bezorgde hem later de bijnaam "schaapjesdominee".

Door zijn zachtmoedig karakter en zijn bewogenheid met zijn naasten, was Roelofsen zeer gezien. Hij wist mensen die de kerk de rug hadden toegekeerd voor zijn oefeningen te winnen.

Godsdienstonderwijzer

Ds. Kalshoven hoorde van de oefeningen van Roelofsen. Dit bericht gaf geen verwijdering. Integendeel, de predikant bood aan hem enige theologische opleiding te geven. Zodoende had Roelofsen na enkele jaren van studie het getuigschrift godsdienstonderwijzer op zak.

Hij kreeg een aanstelling als voorganger bij de (hervormde) "Vereeniging ter Bevordering van Godsdienst" in Ederveen. Op 11 mei 1884 deed hij intrede, nadat zijn leermeester hem als zodanig had bevestigd. Ook in omliggende gemeenten ging hij voor en men hoorde hem gaarne. Zelfs trad hij op in de gemeente van Voorthuizen als de eigen predikant, dr. Willem van den Bergh, elders voorging. Dan luisterden de Voorthuizers in plaats van naar een zeergeleerde heer naar een eenvoudige schaapherder, en dat met bijzonder genoegen.

Zijn voorgaan bleef niet tot de hervormde gemeenten beperkt; ook in gereformeerde en christelijke gereformeerde kerken en gereformeerde gemeenten onder het kruis preekte hij. In eenvoudigheid en met stichting.

Door contacten met kruisdominee Elias Fransen kwam hij onder andere in Vlaardingen. Daar leerde hij Wilhelmina van Roon kennen, met wie hij in 1891 trouwde.

Politieagenten

De contacten met de kruisgemeenten leidden er ten slotte toe dat hij op hun algemene vergadering (synode) van 24 mei 1894 in Lisse als lerend ouderling werd toegelaten. Merkwaardigerwijs bleef hij nog enige tijd voorgaan in hervormde gemeenten.

In 1895 liet de kruisgemeente van Opheusden het oog op hem vallen. Hij werd er beroepen. Ds. C. Pieneman bevestigde hem, eerst als lerend ouderling en een jaar later in de volle bediening. De zegen bleef niet uit; Opheusden groeide in de breedte en in de diepte. Ook de burgerlijke gemeente deelde in de invloed die de predikant op de dorpelingen had: naar de mening van burgemeester G. A. van Nispen waren er daardoor twee politieagenten minder nodig.

De Heere greep sommigen in het hart die uit de wereld tot de kerk kwamen. Er waren er onder hen die later als ambtsdragers steunpilaren in de kerk werden en een helder getuigenis gaven van het werk des Geestes.

Een opmerkelijke gebeurtenis vond plaats in de zeer droge zomer van 1904. De aanhoudende droogte werd als een oordeel gezien. Het vee vond in de weilanden geen voedsel meer en het voortdurend loeien van de koeien was niet om aan te horen. Dat was voor de predikant een aansporing om niet langer te zwijgen. Als het vee roept, zou dan de mens de mond niet verheffen tot de Heere om hulp en uitkomst?

Er werd een bidstond gehouden met Jeremia 3:3 als tekst en er kwam geloof in mee. De gemeente werd op de oorzaak gewezen van deze grote droogte: de zonden. Er kwam direct uitkomst: aan het einde van de dienst gaf God een overvloedige regen.

Kerkverband

In 1905 werd ds. Roelofsen beroepen door de ledeboeriaans geworden gemeente Goes. Hij voelde zich geroepen dit beroep aan te nemen. Daarmee was de predikant zijn tijd eigenlijk wat vooruit. Als leraar bij de kruisgemeenten maakte hij, evenals ds. J. R. van Oordt een jaar tevoren had gedaan, de overstap naar de ledeboerianen, die in 1907 samen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland vormden. Deze kerkverwisseling werd hem door de kruisgezinden bepaald niet in dank afgenomen.

Ook in Goes vond de prediking van ds. Roelofsen weerklank der bergen. Er viel zegen in de gemeente.

Op een keer was hij op weg naar de kerk. Onderweg had ds. Roelofsen geklaagd over zijn geestelijke toestand, die hij kenmerkte als "zo droog als een knotwilg." Hoezeer begeerde hij vrucht op zijn eenvoudige bediening te zien. Zijn geestelijke droogheid werd weggenomen en de preek die hij toen hield over de vrijsteden werd gebruikt tot bekering van een man van tachtig.

Tot 1909 bleef hij aan het Goese volk verbonden. In dat jaar leidde de wolkkolom hem naar een ander deel van de wijngaard des Heeren, Bruinisse. Ook daar vond een opmerkelijke gebedsverhoring plaats, toen in 1911 een zware storm en hoge waterstand het dorp dreigde te verwoesten. In aanwezigheid van de burgemeester knielde ds. Roelofsen in gebed neer. De storm vernielde veel, maar het water werd tot staan gebracht.

In 1913 werd Zeeland verlaten, toen het beroep naar Zeist was gaan wegen en werd aangenomen. Het werd zijn laatste gemeente. Opnieuw was er sprake van groei en bloei, er was een levende behoefte aan de prediking van deze eenvoudige predikant. Er werd regelmatig gezelschap gehouden, ook in de pastorie aan de Slotlaan.

Gestreden

Na een lichte beroerte voelde de Zeister pastor zich begin 1927 gedrongen emeritaat aan te vragen. Daardoor kwam er een einde aan zijn ambtsbediening. Hij nam afscheid van de gemeente, maar bleef aan zijn woonplaats verbonden. De pastorie mocht hij blijven bewonen, op voorwaarde dat hij gastpredikanten voor zijn rekening in de pastorie zou ontvangen. Door de komst van ds. Van Oordt kwam daaraan een einde.

Nog regelmatig ging de emeritus predikant in Zeist voor, als zijn opvolger elders preekte. De laatste maal was dat op 15 juni 1930, enkele maanden voor zijn overlijden. Een toenemend verval van krachten en een operatie sloopten zijn levenshuis.

Ds. G. H. Kersten, die ds. Roelofsen vijf dagen voor zijn heengaan nog bezocht, gaf hij enkele geschriften: zijn eigen levensschets en de afscheidspreek van Ederveen, gehouden op 4 augustus 1895. Het was nooit tot uitgave daarvan gekomen. Nu was het zijn op een na laatste wens om beide geschriften als een gedachtenis voor zijn vrienden te laten drukken.

Zijn laatste wens verkreeg hij op 1 oktober 1930, toen hij op bijna 78-jarige leeftijd de grote Herder der schapen mocht aanschouwen in heerlijkheid. Zijn laatste woorden waren: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb het geloof behouden."

Op 6 oktober waren ruim 2000 mensen getuige van zijn begrafenis te Zeist. Zijn weduwe overleefde hem ruim acht jaar. Met de woorden uit Jesaja 66:5b ("Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde") volgde ze op 6 mei 1939 haar man naar de gewesten der eeuwige gelukzaligheid.

Vier bomen

In het levensbos van ds. Roelofsen was sprake van vier bomen: hij was een ceder in leer en leven, achtte zichzelf menigmaal zo droog als een knotwilg, maar was door Gods genade een eikenboom der gerechtigheid geworden. En dat alles omdat hij zich bij God vandaan had leren kennen als een onvruchtbare vijgenboom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.