+ Meer informatie

GEMEENTEBESCHOUWING

20 minuten leestijd

Uit vroeger jaren herinner ik mij dat de dienaar des Woords, als hij aan het begin van de dienst de gemeente wilde groeten, haar aansprak met de woorden: „Geliefde gemeente, en gij allen die met ons zijt samengekomen om Gods Woord te horen en Zijn aangezicht te zoeken”. Ook werd onder de preek de gemeente meestal niet met déze naam genoemd, maar werd zij aangesproken als „geliefden” of „mijne hoorders”. Het leek alsof het woord „gemeente” opzettelijk werd vermeden. De vraag werd vaak gesteld waarom dit zo werd gedaan en of dit wel juist was.

Soms werd hierop geantwoord dat de eredienst openbaar was en dat er in de kerk ook bezoekers van buiten de eigen gemeente konden zijn, die op deze manier bij de dienst betrokken werden. Zij hoefden zich niet genegeerd te voelen.

Maar vaker werd gezegd dat de aanspraak „gemeente” zonder meer het misverstand kon wekken dat allen in de kerk als ware gelovigen werden behandeld, en dat dus de noodzakelijkheid van het persoonlijk deel ontvangen hebben aan de genade van de Here Jezus Christus onvoldoende tot uitdrukking werd gebracht. Dit kon een verkeerde theologie in de kaart spelen en de gemeente iets suggereren wat in werkelijkheid misschien helemaal niet aanwezig was, nl. het ware geloof en dus het werkelijk deel hebben aan de genade. Er moest ruimte blijven voor de realiteit dat velen wel in de kerk, nochtans niet van de kerk des Heren waren.

Want de echte gemeente bestaat uit de ware gelovigen. Alleen zij zijn waarlijk levende leden van de kerk, omdat zij Christus door het geloof zijn ingelijfd. Van wie dat niet geldt, moet worden gezegd dat zij aan Christus geen deel hebben.

In de wijze waarop de gemeente werd benaderd, kwam dus uit een grote en liefdevolle zorg voor de zaligheid der zielen. De aanwezigen, al of niet ingeschreven als lid van de kerk ter plaatse, moesten verstaan dat er méér nodig was dan een formeel lidmaatschap, opdat zij niet met een ingebeeld geloof verloren zouden gaan. Als het onderscheid tussen waar en vals,tussen levend en dood, niet voortdurend en nadrukkelijk werd gesteld, dreigden vriendelijke veronderstellingen de diepgang van het geestelijk leven te verstoren. Het ligt immers in de lijn van de zondige geaardheid van de mens om in valse gerustheid te leven en zo voor eeuwig om te komen.

Het woord „gemeente” bleef gereserveerd voor hen, die mochten weten dat zij door Gods Geest wedergeboren waren en die als zodanig ook werden herkend en erkend door de andere kinderen des Heren. Was dit niet het geval, dan behoorde men slechts „uitwendig” tot de kerk en dat betekende een des te grotere verantwoordelijkheid en een des te groter schuld indien men onbekeerd bleef. Voor hen waren de beloften van het evangelie niet. Zij mochten die zich niet toeëigenen. Dàt mochten slechts zij die herboren waren en hiervan konden getuigen. Voor hen waren Gods beloften ja en amen. Zij mochten met grote vreugde emit leven en de heerlijke vervulling ervan verwachten.

Wel was er een doop, wel een „algemeen aanbod van genade”, wel het verbond, maar dit waren uitwendige zaken die eerst inwendig geheiligd moesten worden, wilden zij werkelijk vruchten afwerpen.

Het is heel goed te begrijpen dat deze voorstelling in onze kerken goede ingang vond. Men denke slechts aan de historie van de kerk der Reformatie in ons land.

In de grote kerkelijke conflicten was immers ook steeds de pastorale bewogenheid voor elkaar van doorslaggevende betekenis geweest. In de strijd van de reformatoren stond de heilszekerheid van de gelovigen centraal. De verwaarlozing van de pastorale verzorging van de gemeente en de grenzeloze onwetendheid ten aanzien van de dingen die tot zaligheid nodig zijn, drukten als een grote last op de vaderen der Reformatie. Toen zij zelf door de Schriften ontdekt hadden wat geloven in de beloften Gods eigenlijk is, zagen zij ook de vreselijke misleiding van het kerkvolk. Ook toen reeds moesten zij „onderscheidenlijk” preken en handelen. Zij moesten waarschuwen tegen een valse gerustheid, gefundeerd op het handelen van een priesterschare, die zelf heel vaak van de weg des heils was vervreemd. Hun theologische werken zijn vol van herderlijke vertroostingen en vermaningen. Zij voelden het als een roeping om, zoals de meeste tegenwoordige beroepsbrieven het nog altijd zeggen, „de rechtvaardigen te zeggen dat het hun goed en de goddelozen dat het hun kwalijk zou gaan”. Zij moesten in eigen kring bewegen tot het ware geloof, maar ook de strijd aanbinden tegen de meelopers zonder ware binding aan de Schriften, die soms zelfs belangrijke kerkelijke posities hadden verworven.

In de strijd tegen de Remonstranten moest opnieuw front worden gemaakt tegen een heilsopvatting, die het ware werk van de Heilige Geest in zondaarsharten loochende. De felheid waarmee de leer van de uitverkiezing werd geponeerd en verdedigd, had alles te maken met de verantwoordelijkheid die men voelde voor de toevertrouwde kudde.

De vaderen van de Nadere Reformatie waren op andere wijze, met andere accenten, betrokken in principieel dezelfde conflicten. Ook voor hen ging het om het waarachtige leven der genade tegenover de zorgeloos en goddeloos en slechts in naam christelijk levende zielen.

En we zouden ook de Afscheiding niet verstaan, als we niet in aanmerking nemen dat ook toen niet om bepaalde wetenschappelijke Stellingen, maar om de Waarheid voor tijd en eeuwigheid gestreden en geleden werd. Terwijl ook de diepe bewogenheid waarmee de leer der veronderstelde wedergeboorte werd afgewezen, alleen maar te verklaren is omdat op de achtergrond de vraag aan de orde was: Moeten we persoonlijk, door wedergeboorte en bekering, Christus worden ingelijfd, of kan men deze zaak als reeds geschied veronderstellen?

Aan de orde was dus telkens de vraag over waar en vais geloof, waar en vais geestelijk leven, en dus ook: ware en valse kerk. En daarbij stond de persoonlijke zaligheid.... van de christen als individu, op het spei. De kerkelijke conflicten raakten ten diepste het kerklfd. Wat er precies onder de kerk moest worden verstaan, onder de kerk als geheel, was een vraag die in de praktijk van het kerkelijk leven, in de prediking en pastoraal, in de schaduw stond van die andere: ben ik en is mijn broeder werkelijk een levend lid van de kerk?

De kerkelijke praktijk was ook niet bevorderlijk voor het aan de orde stellen van de kerk als geheel. De scheuren waren getrokken, de scheidingen waren een feit, en in de verdere discussies kwamen zoveel andere zaken aan de orde, van filosofie, van kerkrecht, van voorrechten in staatkundig opzicht, dat de belangstelling voor het kerkelijk leven verflauwde. Ook binnen de kerken van gereformeerd belijden. Niet ieder vond dat het daarbij om belangrijke dingen ging. En de veelvuldige kerkelijke verdeeldheid was oorzaak dat men net kerkvraagstuk eenvoudig links liet liggen. Niet de vraag naar de ware kerk, maar de vraag om een goede dominee beheerste de harten.

Ja, wat moest men eigenlijk aan met die verdeelde, machteloze, heerszuchtige kerk, waarin zonden voortwoekerden, waarin men soms veel theologie, maar weinig echte kennis des Heren tegenkwam?

Het individualisme, altijd reeds aanwezig, maar zeker sinds de tijd van de Dopersen, kreeg steeds meer voedsel. Als men persoonlijk maar in vrede mocht sterven, met het oog op de heerlijkheid, dan was de kerk van minder belang. Men ging onderscheiden tussen Kerk (met een K) en kerk of kerken (met een k), waarbij dan de Kerk werkelijk des Heren was en de kerk een puur menselijke organisatie, noodzakelijk omdat de prediking moest doorgaan en de armen moesten worden onderhouden. Het zou je bovendien, daarvan was men overtuigd, aan de hemelpoort niet worden gevraagd tot welke kerk je had behoord (natuurlijk een beslist foutieve Stelling!). Overal vergaderde God Zijn volk. Waar voelde men zich het meest gesticht en waar vond men het meeste zielevoedsel?

En zo verdween de gemeente, wel niet uit het lichamelijk oog, maar wel uit het geloof. Men geloof de natuurlijk niet in de kerk, hoogstens nog aan de kerk. Maar wat voor geloof is dat?

Met de vraag of deze ontwikkeling (die ongetwijfeld te schematisch en dus te eenzijdig is, maar naar ik meen toch wel realistisch) wel de goede is geweest, zijn we midden in ons onderwerp van vandaag aangekomen. Ook ons kerkelijk leven kent de voornoemde opvattingen. Zijn deze naar Schrift en belijdenis?

Ik meen dat, als we deze laatsten laten spreken, er bij alle te begrijpen en zelfs te waarderen elementen in het bovengenoemde toch een verwaarlozing van wat voor de gemeente wezenlijk is, valt op te merken. En dat tot schande van ons kerkelijk leven.

Graag wil ik eerst (ik zou zeggen: vanzelfsprekend) luisteren naar wat de Bijbel ons zegt over de gemeente, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament.

Ik ben mij duidelijk bewust dat het volgende gedragen wordt door bepaalde theologische opvattingen. Ik meen die in deze samenkomst niet uitvoerig te moeten uiteenzetten, omdat ze fundamenteel onder ons niet aan discussie onderworpen zijn. Uiteraard wil ik desgevraagd in de bespreking er breder op ingaan.

Ook in de Schrift wordt ten aanzien van de gemeente „onderscheidenlijk” gesproken. God heeft een groot volk uit Egypte geleid in de vrijheid, opdat het Zijn volk zou zijn, Hern toegewijd in geloof en liefde. Maar het is duidelijk dat niet allen die tot Israel behoren, het heil van Israel deelachtig zijn geworden. Op twee mannen na zijn allen die werden uitgeleid, in de woestijn gestorven. Nadat het volk jaren lang in Kanaan heeft gewoond en veel zegeningen heeft ervaren, geeft de Here het over aan zijn vijanden en er komen velen in de ballingschap om. Slechts een „rest” die zich bekeert, komt terug. En ook daarna moest er telkens selectie worden toegepast, want de profeten worden gedood en Gods wegen vertaten. In het merendeel heeft God geen welgevallen. En dat niet slechts éénmaal, maar telkens weer. Duidelijk is dat Israëls gemeente, het hele volk omvattend, niet in haar geheel behouden wordt. De profeten winden er geen doekjes om: het hele volk is ziek; Jeruzalem is een stad als Sodom en Gomorra. De tempel wordt zelfs een gevaar, want velen vertrouwen op dat gebouw van steen en hout in plaats van op de God van dat huis. Hoe ernstig moet worden aangedrongen op de vernieuwing des harten bij elk lid van die gemeente! Waar geen bevindelijke kennis van zonde en genade is, daalt de zegen des Heren niet neer.

Toch moet ons opvallen dat in het Oude Testament het volk, de gemeente dus, nergens wordt afgeschreven als onbelangrijk. De rest die God Zich overhoudt, wordt onmiddellijk weer tot een nieuwe gemeente, in wier midden Hij Zijn arbeiders roept opdat Zijn werk en Zijn leven daar openbaar mogen worden.

God zoekt maar niet uit een grote massa sommigen te behouden voor de kornende zaligheid, maar Hij vergadert Zieh een volk, een samenleving, waarin het gehele bestaan beheerst wordt door Zijn Woord, waar Hij Zelf in het midden is. Al wordt men ook in het Oucie Testament gewaar dat de genade particulier is, er is geen sprake van individualisme, d.w.z. de wedergeboren Israëliet wordt gezet in het verband van Gods gemeente, om daar tot zegen te zijn. Hij wordt „in Sion geboren”, in een stad met andere Sionieten.

Ik mag zelfs zeggen: zijn wedergeboorte gaat niet buiten Sion om. De Here werkt ook de persoonlijke zaligheid in de lijn der geslachten, door opvoeding en onderwijs, door het geloof in de beloften die via de geslachten tot hem komen. In die zin is genade inderdaad erfgoed! We mogen zeggen dat Hij, die weet wat in het hart van de mens is, die ook naar Zijn welbehagen verkiest, ook onder het Oude Testament, in de wijze waarop Hij tot Zijn volk komt, geen onderscheid maakt. Hij benadert Zijn gemeente met de volle openheid van Zijn hart; Hij verklaart allen Zijn rijke liefde. Het onderscheid komt daar, waar de één Hem aanvaardt en de ander Hem afwijst. Zoals in de woestijn, toen zij niet mochten ingaan vanwege hun ongeloof! Ook Zijn dienaren, de priesters en de profeten, brengen niet een boodschap voor sommigen. Zij prediken wel onderscheidend, maar naar het onderscheid van het geloof.

In het Nieuwe Testament liggen deze zaken precies zo. Ook daar wordt onderscheid gepredikt tussen geloof en ongeloof, tussen leven en dood. De situatie is anders dan in het Oude Testament. De gemeente van Joden en heidenen is de vervulling van de oudtestamentische gemeente. Maar ook hier is er geen sprake van dat de gemeente als gemeente wordt afgeschreven. Christus vergadert een kudde: ook na Pasen brengt Hij de verstrooiden weer bij elkaar.

En al spreekt het Nieuwe Testament veel meer over persoonlijke bekeringen dan het Oude, zowel in de vertroosting als in de vermaning wordt de nadruk gelegd op geloof, waardoor men de gemeente wordt ingelijfd, en waardoor men samen met haar het heil smaakt.

Door de eigen aard van het Nieuwe Testament ligt er veel nadruk op de geloofsbelijdenis, waardoor men de gemeente binnenkomt. Hoezeer ook door de apostelen gewaarschuwd wordt tegen de zelfmisleiding, en hoezeer ook dezen reeds teleurstellende ervaringen hadden met belijders die later weer ontrouw werden, nimmer wordt de belijdenis als onbetekenend, als een slechts formele zaak ter zijde geschoven. Wat we vinden is, dat men op zijn belijdenis wordt aangesproken. De Dordtse Leerregels zeggen zelfs, dat, tenzij het tegendeel blijkt, men van elkaar het beste oordelen en spreken moet, naar het voorbeeld der apostelen.

Dit is heel iets anders dan veronderstellen. Men houdt iemand aan wat hij zelf gezegd, beleden heeft. Blijkt, dat hij zichzelf er niet aan houdt, dan mag de gemeente vraagtekens stellen. En hem ernstig vermanen. (Hier is een groot verschil tussen belijders en kinderen: van kinderen valt niets te veronderstellen omdat zij ook niets gezegd hebben).

Als we de gegevens van de Schrift naast elkaar zetten, dan blijkt dat, hoewel ook daar telkens kaf onder het koren blijkt te zijn, er geen sprake is van een devaluering van de gemeente ten gunste van de nadruk op de persoonlijke deelachtigmaking van het Heil des Heren. Beide zijn integendeel nauw op elkaar betrokken. Er is in de gemeente een ontvangen en geven van dit heil. Wedergeboren worden is door God verbonden met de bediening van het Woord en de gemeente moet dit Woord bedienen. In de gemeente mag en moet het leven der genade functioneren. En het wedergeboren lid der kerk is geroepen om de gemeente ten zegen te zijn, om „mede te arbeiden om te baren”, om te bewegen tot en bijstaan in het geloof. Zo behaagt het de Here!

Onze vaderen hebben in zowel Belijdenis als Catechismus dit schriftuurlijk gegeven prachtig uitgewerkt.

In art. 27 van de Confessie wordt duidelijk gezegd dat de kerk is de vergadering van de ware Christ-gelovigen. Van deze vergadering - en niet van de gelovigen individueel -wordt gezegd dat zij er zijn zal tot het einde der wereld. Artikel 28 voegt eraan toe, dat dus ieder gelovige in gehoorzaamheid zich bij haar voegen zal. Ook hier is weer zowel Gods onweerstaanbaar werk als de roeping tot onderlinge dienst genoemd. Sterker nog vinden we dit in de Catechismus.

Daar wordt de kerk helemaal gezien vanuit Jezus Christus; er worden niet allereerst mensen genoemd, of priesters, of gelovigen, maar het werk dat Jezus Christus doet aan de uitverkorenen. Gelovig toeëigenend wordt dit werk door de belijder voor zich persoonlijk verwacht. Het is wel heel duidelijk dat de kerk behoort bij de enige troost in leven en sterven. De gemeenschap der heiligen is iets, waarvan de individuele gelovige het toch wel heel erg hebben moet.

Wat is nu de plaats van de ongelovigen in deze vergadering?

Om te beginnen: zij krijgen er een plaats! Zoals heel Israel uit Egypte trok, allen onder de wolk waren, ook zij die vanwege hun ongeloof niet in Kanaan konden ingaan; zo zet de Here kinderen en groten in Zijn gemeente.

Men lette er echter op, dat wij het binnenste des harten niet kennen. Ons „beschouwen” richt zich op de buitenkant, op de woorden en daden van de doopleden en belijdende leden van de kerk. Wij ontvangen allen die God op onze kerkelijke weg zet, als mede-leden. Dit ontvangen, dit aanvaarden van elkaar, betekent niet dat wij al of niet uit liefde maar aannemen dat zij ook allen de Here tot zaligheid kennen. Het betekent wèl dat wij hen aanvaarden als een taak èn als een gave.

Ik denk aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Daarin keert de Here de vraag, die Hem aanvankelijk door de wetgeleerde werd gesteld nl. „wie is mijn naaste?” om en vraagt hij: „wie is de naaste geweest?” met de vermaning: ga heen, doe evenzo. God stelt mensen in Zijn kerk, die Hem niet kennen en niet geloven.

Maar Hij stelt hen op ons pad opdat wij hun zouden meedelen, onder Zijn genade, wat wij zelf hebben ontvangen, nl. het eeuwig heil. Tot onze blijdschap wordt dit soms gezegend met wedergeboorte en bekering; tot onze smart vallen er soms af, zelfs nadat wij hoge verwachtingen hebben gekoesterd. We worden echter niet geroepen om dit feit zonder meer te constateren of daarop onze kerkelijke strategie te bouwen. We hebben daarin bezig te zijn. Als een goed kerk-lid. Want zo is Gods kerkelijke strategie.

Vanuit het bovenstaande wil ik enkele zaken duidelijk stellen, die naar mijn mening voor het verstaan van elkaar in onze kerken van groot belang zijn.

a. Het behaagt de Here binnen zijn gemeente zowel gelovigen als ook ongelovigen bijeen te brengen, en ook samen te doen leven. De gelovigen zijn in haar hetzij doordat zij als doopleden binnen haar kring tot geloof werden gebracht door de wederbarende werking van de Heilige Geest, hetzij doordat zij, oorspronkelijk levend buiten de gemeente, door dat wederbarende werk tot de gemeente werden geleid. Ongelovigen bevinden zich niet illegaal binnen de gemeente; zij zijn door de doop in haar ingelijfd.

Daarbij sta vast, dat de Here der kerk Zieh met al Zijn beloften en roepstemmen tot allen rieht. Er is geen tweeërlei boodschap. Het onderscheid dat in de kerk gezien wordt, mag niet gefundeerd worden in een verschil van evangelie of aanbieding des heils. God meent het jegens de één niet ernstiger dan jegens de ander. Tot gelovigen en ongelovigen komt het bevel van geloof en bekering. En voor beiden ligt de permissie om te geloven uitsluitend en alleen in die waarachtigheid Gods, waarmee Hij in Zijn Woord naar hen toe komt. Op dit punt is geen ruimte voor enige veronderstelling.

b. Het onderscheid is dáár waar de reactie op het evangelie komt. Dit wordt geloofd of verworpen. Een weg daartussen is er in principe niet. Wie gelooft, wordt betrokken met lichaam en ziel in het leven der kerk, dat vanuit Christus door de Heilige Geest de gelovigen doordringt. Wie niet gelooft, weet zich op één of andere manier te onttrekken aan dit leven.

Dit kan op verschillende manieren, waarover de Schrift duidelijk spreekt.

Dit leven is méér dan meedoen aan kerkelijke gewoonten en christelijke levensstijl, méér dan trouwe en nijvere dienst in de kerk, méér dan zuiverheid in theologisch opzicht. Het is verbondenheid aan Christus door het geloof in Hem en al Zijn weldaden, en de vernieuwing naar Zijn beeld. Christus en Zijn heil functioneren dan in ons leven naar binnen en naar buiten.

Hoe duidelijker in de prediking en het pastoraat dit leven wordt voorgesteld (men mag hier best van kenmerken spreken, als het maar kenmerken van Christus zijn), des te beter zal elk bij zich geloof en ongeloof kunnen onderscheiden.

c. De vraag is hoe de één bij de ander kan onderscheiden. Hier speelt mee dat „het binnenste des harten ons onbekend is”. Ons kennen en beoordelen van elkaar is ten dele. Door persoonlijke onduidelijkheid in geloofszaken zowel als door hanteren van aan ons zelf ontleende maatstaven kunnen hier grote vergissingen voorkomen.

Bij dat beoordelen gaat het niet om ons oordeel als zodanig, maar om de vreugde van het zo mogelijk elkaar herkennen als leden van Christus èn om de verantwoordelijkheid voor elkaar. Vanwege dit laatste mag het nooit tot een beoordeling beperkt blijven: wij hebben elkaar te vermanen, te vertroosten en te dienen. Kortom: te behandelen.

Zowel in de prediking en het pastorale bezoek als ook in de onderlinge omgang van de gemeenteleden met elkaar gaat het er om trouw te zijn, opdat ieder behouden worde, het koninkrijk der hemelen worde ontsloten of toegesloten, met de bedoeling om allen te behouden. Gemeente-beschouwing heeft alleen maar zin als onderdeel van gemeente-dienst! Anders ontstaat steriele hoogmoed en wordt de weg tot het geloof verduisterd.

d. Het schema „realisme-idealisme”, zo gebruikelijk in de discussie over verbond en doop, is hier verwarrend. Dat Christus zowel gelovigen als ongelovigen in Zijn gemeente zet (opneemt en inlijft), is geen idealisme, maar is een werkelijkheid die wij geloven en belijden. Zonder deze werkelijkheid is er geen verschil tussen de kerk en welke menselijke organisatie ook.

Christus betrekt alle leden der gemeente in Zijn vergaderend werk. De Herder verzamelt de kudde. Maar er zijn schapen die afdwalen.

Gelukkig „onderstelt” het evangelie niets bij de schapen. De Bijbel is zo reëel als wat. De inhoud van het evangelie komt tot gemeenteleden zoals zij werkelijk zijn en niet zoals zij moeten en willen zijn. Gelukkig maar.

De Bijbel onderstelt het geloof niet, maar werkt het geloof wel. Niet automatisch, maar door de kracht van de Heilige Geest. Maar ook zo, dat er òf een aanvaarden òf een afwijzen moet komen; òf een zich laten overwinnen òf een zich verzetten; òf ja òf neen.

En ons uitgangspunt is niet het idealisme van een gelovige kerk, maar de werkelijkheid van Christus’ bezig zijn met zijn kerk.

Indien er gesproken wordt over „het oordeel der liefde”, dan raakt dit niet onbekende zaken als verkiezing en onzichtbare wedergeboorte, maar wat naar buiten komt: belijdenis en wandel.

e. Ook het spreken over een „onzichtbare kerk” vraagt behoedzaamheid. lemands geloof kan (nog) onzichtbaar zijn, een gelovige kan onduidelijk zijn; maar een vergadering van gelovigen die onzichtbaar is, lijkt me vreemd. Bedoeld zijn òf de grenzen van de kerk (wie hoort er bij en wie niet) òf een bepaalde zijde van de kerk (haar verborgen omgang t.o. haar belijden in de wereld), òf een zeer ongewenste noodtoestand (zo in NGB art. 27: zevenduizend in de dagen van Elia). Zorgvuldig spreken is hier geboden.

f. De kerkelijke akte van de belijdenis des geloofs mag alleen maar zijn het oprecht gelovig „ja” zeggen tegen de Here. Verzwakking tot een z.g. belijdenis der waarheid helpt alleen maar het ongelovig-blijven aan een zekere legale plaats, die het in de kerk nooit hebben mag. Zowel de catechisatie als de prediking èn de pastorale begeleiding moeten pogen het onmogelijke van zo’n belijdenis aan te tonen: ja-zeggen tegen de leer der kerk en tegelijk neen-zeggen tegen de Here moet niet uit te houden zijn.

En precies hetzelfde geldt van wat op de belijdenis volgt: wel ja-zeggen bij de doop en neen-zeggen tegenover het avondmaal gaat ook niet. Het gaat hier niet om een logische consequentie, maar om het al of niet aanwezig zijn van het leven des geloofs.

En waar de belijdenis van die éne zondag niet klopt met wat volgt in spreken en handelen (belijdenis in heel het leven), is de gemeente geroepen tot vermaan, omdat „het tegendeel blijkt”.

Binnen de gemeente „onderscheidend” met elkaar omgaan is een kwestie van kerkelijke trouw, van ècht gemeente zijn, van vreugde en smart om Christus’ wil. Daarin klopt het hart der kerk, als het werkelijk leeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.