+ Meer informatie

WEL OVER ÉÉN DAM, NIET OVER ÉÉN KAM

over onderscheidende prediking

7 minuten leestijd

Je kunt ze als ambtsdrager op één huisbezoek treffen: een jongen die vrijmoedig van zijn ongeloof getuigt, zijn zus die blijmoedig toeleeft naar haar openbare geloofsbelijdenis, een vader die in de gesprekken met zijn zoon is bepaald bij zijn eigen onzekerheden, een moeder die geen dag zonder de Here kan en verlangt naar geestelijke groei. En ’s zondags zitten ze alle uier onder dezelfde preek. Samen met anderen in een nog grotere schakering. En niet alleen geestelijk. Ook qua levensomstandigheden en maatschappelijke positie. Allen schapen van dezelfde kudde, tot wie in de prediking de stem van de Goede Herder komt. Hoe kan nu in die ene preek elk schaap meekrijgen wat het op dat moment nodig heeft?

DE ENE VERBONDSGEMEENTE

Er is een opvatting waarbij men zegt, dat wij ons daarover niet al te druk moeten maken. Het Woord van God dient als belofte en eis verkondigd te worden tot de ene verbondsgemeente. En vertrouw dan maar, dat de heilige Geest zelf het zo zal doen aankomen als elke hoorder nodig heeft. Deze opvatting heeft iets sympathieks: er wordt groot gedacht van de eigen kracht van het Woord en het eigen werk van de Geest. Er zijn ook wel vragen bij te stellen: mag er niet toch meer van de prediking worden verwacht? Behalve uitleg is de prediking ook toepassing en dient dan niet met de gevarieerdheid binnen de gemeente rekening gehouden te worden?

VERSCHILLEN TUSSEN MENSEN

Er is ook een andere praktijk. Daarbij wordt met name de geestelijke verscheidenheid binnen de gemeente juist expliciet gemaakt. Het gaat dan om het onderscheid tussen bekeerden en onbekeerden, maar binnen die categorieën worden nog weer verfijningen aangebracht. Je hebt onverschillige onbekeerden, zelfverzekerde maar ook onrustige en zoekende. En onder de bekeerden zijn er die dichter bij de Here leven, vrijmoediger getuigen, vaster vertrouwen dan anderen die meer met schroom, strijd en onzekerheid te kampen hebben. De prediker weet zich geroepen elke zondag dit brede spectrum te bestrijken. Met een preek, die zowel ontmaskerend, appellerend en vermanend als vertroostend, bemoedigend en bevestigend is. Ook deze opvatting heeft een mooie kant: de prediker kan zich een echte pastor tonen en de schapen van de kudde zullen vaak ‘hun naam horen noemen’. Net als de vorige benadering heeft ook deze een tegenkant. Bestaat zo niet het gevaar dat de toepassing vóór de uitleg schuift? Wordt het zo niet erg ‘hokkerig’ en bedreigt dat niet de eenheid van de kudde?

ONDERSCHEID IN DE SCHRIFT

Wie de Schrift eerlijk leest, kan er niet omheen dat de Here zich weliswaar verbindt aan een volk of een gemeente, maar daarbinnen oog heeft voor de enkeling.

In de bedding van de verbondsgemeente komt op basis van de belofte tot ieder de roeping om zich vanuit de duisternis te bekeren tot het licht. Dan blijkt spoedig, dat sommigen in geloof aan die roeping gehoor geven en anderen niet. En dan inderdaad ook nog in verschillende mate. Profeten en apostelen geven er blijk van die realiteit te kennen en er hun optreden en boodschap op af te stemmen. Wij geloven dat zij dit doen onder inspiratie van de Heilige Geest.

Als de verspieders terugkeren van hun verkenningstocht, vindt het geloofsvertrouwen van Jozua en Kaleb weinig bijval. Dat brengt Mozes tot een onderscheidende verkondiging van wie het beloofde land niet en wel zullen bereiken (Num. 14:29, 30). Paulus grijpt o.a. op deze geschiedenis terug om de Korintiërs te waarschuwen (1 Kor. 10:l–13). Jesaja spreekt over ‘de rest van Israël’ (10:20–27). In de gelijkenis van de zaaier maakt de Here Jezus zelf onderscheid niet alleen tussen zaad dat in verkeerde en in goede aarde valt, maar binnen het ene en het andere stuk akker is er ook een verscheiden diepgang en vrucht (Mark. 4:1–20). Deze gedeelten staan onder de hoogspanning van eeuwig wel of eeuwig wee.

Paulus’ brieven aan de Korintiërs zijn in dit opzicht veelzeggend. Hij schrijft aan allen als ‘geroepen heiligen’. Maar hij legt hun ook dit voor: Stelt uzelf op de proef, of gij wel in het geloof zijt, onderzoekt uzelf. Of zijt gij niet zo zeker van uzelf, dat Jezus Christus in u is? Want anders zijt gij verwerpelijk (2 Kor. 13:5). En hij heeft kennelijk reden om onder degenen die in het geloof zijn ook nog weer onderscheid te maken tussen ‘vleselijke’ gelovigen, die alleen nog maar melk kunnen verdragen en ‘geestelijke’, die aan vast voedsel toe zijn.

Deze Schriftplaatsen zouden met vele andere uitgebreid kunnen worden maar het hoeft ons niet te verbazen dat de Schrift van ambtsdragers een onderscheidende ambtsbediening vraagt (Ezech. 34:1–6; Joh. 21:15–17; 1 Tess. 5:14). Zo vertonen wij onder de schapen de gestalte van de Goede Herder. Hierbij mogen prediking en huisbezoek niet tegen elkaar uit worden gespeeld. Pastoraat is net zo goed Woordbediening als Woordbediening pastoraal dient te zijn.

ONDERSCHEID IN DE BELIJDENIS

Ook de gereformeerde belijdenis spreekt met onderscheid over de gemeente en de ambtelijke bearbeiding ervan. Zo wordt in de Heidelbergse Catechismus gevraagd (84): ‘Hoe wordt het Koninkrijk der hemelen door de verkondiging van het Evangelie geopend en gesloten?’ Het antwoord begint zo: ‘Volgens het bevel van Christus wordt aan de gelovigen, allen tezamen en ieder persoonlijk, verkondigd…’ enz. Opvallend is ook, dat nogal eens de uitdrukking ‘hoe langer, hoe meer’ wordt gebruikt. Wel heel duidelijk wordt dat in de Dordtse Leerregels. Daar wordt gesproken van een zekerheid ‘in verschillende trappen en ongelijke mate’ (1,12). Uitermate pastoraal gaat een artikel als 1,16 om met twijfel en aanvechting.

Het is van belang dit onderscheidende element in de gereformeerde belijdenis te ontdekken. Deze heeft zijn wortels namelijk in de Reformatie. Een misvorming bij enkele vertegenwoordigers van de late Nadere Reformatie mag er niet toe leiden de hele kwestie van het onderscheidend preken onder de verdachtmaking te stellen van schematiek en subjectivisme. We hebben gezien, dat de belijdenis zo spreken kan in het licht van de Schriften zelf.

CHRISTUSPREDIKING

Als wij met wat hierboven is gezegd, overtuigd zijn van de noodzaak van een onderscheidende prediking, is de vraag vervolgens wel, hoe deze vorm moet krijgen. Wij luisteren opnieuw naar Paulus: ‘doch wij prediken een gekruisigde Christus…’ (1 Kor. 1:23) en: ‘Want ik had niet besloten iets te weten onder u, dan Jezus Christus en die gekruisigd’. (1 Kor.2:2). Omdat de Here Jezus de Christus der Schriften is, zal de prediking uit elk Schriftwoord de gemeente tot Christus willen leiden. Hij is ons van God geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing (1 Kor. 1:30). In de ontmaskerende functie van de prediking heeft de Wet een plaats, maar dan niet anders dan vanuit de doorboorde hand van Christus (Heidelbergse Catechismus zondag 2). Alle schapen moeten zonder onderscheid over deze ene dam: het kruis van Christus. En de gevolgen voor wie Hem afwijzen — straks een dichte deur! — mogen niet verzwegen worden.

De nadruk op de prediking als Christusprediking moet voorkomen dat de verscheidenheid binnen de gemeente zelf de verkondiging inhoudelijk gaat domineren. Als de prediking vooral een indruk nalaat over wat een mens al of niet beleven kan of moet, worden de schapen teruggeworpen op zichzelf. Dat zal ertoe leiden, dat ze gaan geloven in zichzelf dan wel moedeloos neer gaan liggen. In beide gevallen geraken ze niet over de dam. Wij moeten niet te snel zeggen dat onze prediking daarvoor niet vatbaar is: het centraal stellen van de mens zit ons diep in het bloed. Laat onze prediking zich onderscheiden doordat de uitnemendheid en lieflijkheid en genoegzaamheid van het Lam de grootste indruk nalaat!

PASTORALE PREDIKING

Tegelijk mag verwacht worden, dat de schapen onder de prediking een zuiver zicht ontvangen op hun positie en geloofspraktijk (vroeger zeiden we: staat en stand) ten opzichte van het Lam. Daarbij mag inderdaad veel van de Geest worden verwacht. Maar die bedient zich van een prediking, gericht op een hele gemeente waarvan intussen niet alle schapen over één kam worden geschoren. De hoorder mag in het spreken van de onderherder de stem van de Goede Herder horen, die weet waar zijn schaap zich bevindt.

Het Schriftwoord moet de prediking bepalen. Daarom zal niet in elk preek aan alle aspecten van het (on)geloof expliciet aandacht gegeven kunnen worden. Toch moet het mogelijk zijn in elke preek het ‘allen tezamen en ieder persoonlijk’ tot zijn recht te laten komen. Ik zou daartoe willen pleiten voor een ‘toepasselijke’ wijze van Schriftuitleg. Dat vraagt een apart artikel maar het komt neer op wat een collega mij ooit leerde: “Het Leven preken met het leven”. We mogen het Leven niet alleen verkondigen met het oog óp, maar ook in de termen ván het concrete leven, in al zijn diepte en breedte, vorm en gestalte.

Zo komt de Here Jezus zo dichtbij, dat de hoorder zelf niet om de vraag heen kan: Heb ik deel aan Hem? En: Wat liggen er in deze Christus nog een schatten, waarnaar ik mij uit mag strekken! Zo biedt Hij zichzelf aan aan die ongelovige jongen èn zijn pril gelovige zus, aan een vader met aanvechting èn aan een moeder met verlangen naar meer.

Ds. J.G. Schenau (1960) is predikant van de gemeente van Goes.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.