+ Meer informatie

DE WORSTELING VAN WILLEM DE MERODE

3 minuten leestijd

Voorbereiding

Hun harten voelden zij als boeken
in Gods geduchte hand gelegd,
en wisten, dat Hij al hun slecht
gedrag gerecht zou onderzoeken.

Zij lazen bang en hurik’rend mee
en zagen wat zijn vingers wezen.
Was er niets goeds? Hun schaamte en vrezen
groeiden tot een verschroeiend wee.

God had de boeken dicht gedaan,
en zou het grote vonnis spreken.
Toen dorst hun stem de stilte breken:
O Here Jezus, neem ons aan!

En’t bonzend hart, dat ze in zich vonden,
was vlekkeloos en zonder zonden.

Velen van ons zullen dit, misschien wel bekendste gedicht van Willem de Mérode (her)kennen, de man die tussen de twee wereldoorlogen door vriend en vijand erkend werd als de grootste onder de protestants christelijke dichters. Wie was hij? Zijn eigenlijke naam was Willem Eduard Keuning. In 1924 was hij Gereformeerd onderwijzer in het Groningse Uithuizermeden. Hij had een zwakke gezondheid, was dichterlijk begaafd, eenzaam en kwetsbaar. Én een met zijn homoseksuele geaardheid worstelend mens.

Dat is de rode draad door De Mérodes werk: het conflict tussen geloof en aardse (verboden) liefde. Want hij wist zich een overtuigd en belijdend christen. Nu precies 90 jaar geleden wordt hij gearresteerd ‘wegens ontuchtige handeling’ en tot acht maanden gevangenisstraf veroordeeld. Hij komt daar tot diepe zelfkennis en diep berouw; maar ook gevoelens van wanhoop maken zich van hem meester:

Mijn God,ik ben zo lusteloos en moe.
Ik weet niet wat ik in dit leven doe.
Ge ontneemt mij liefde, ontfutselt mij vertrouwen.
Toch zegt Gij: leef! mijn God, mijn God, waartoe?

Intussen is hij door het schoolbestuur ontslagen en door zijn kerkenraad onder censuur gezet. Hoewel die kerkenraad kennis had van zijn oprecht berouw eist men van hem na maanden nog een ‘publieke schuldbelijdenis’. De Mérode weigert. ‘Ik heb - zo schrijft hij - mijn schuld beleden en God heeft mij vergeven.’ De formele kerkrechtelijke opstelling stemt hem bitter:

Zij zaten breed op kussens van geloof,
rijk in geluk, voor alle ellende doof.
Ik klaag mijn leed de grote Bedelaar,
die zacht Zijn arm onder mijn armen schoof.

In de latere productieve maar eenzame jaren verdiept zijn geloof zich en wordt het dilemma ‘geloof/erotiek’ overwonnen. Dan komt hij tot wat hij noemt ‘begeerteloze liefde’; na veel strijd! In een brief schrijft hij: ‘…zonder ’t offer … komt men er toch niet.’

Hans Werkman, de biograaf van De Mérode merkt op : ‘Hij bleef bewust belijdend christen én hij bleef bewust, en in zijn poëzie openlijk, een platonisch minnaar van jongens’. Zonde, berouw, vergeving, gezuiverde aardse en hemelse liefde: ze vormen de kernen van De Mérodes werk.

Hij sterft, 51 jaar oud. Op zijn grafsteen staan de laatste woorden uit zijn gedicht ‘Finis’:

God boog de rechte lijn: ’t begin
raakt aan het eind, de cirkel sluit.
De hemel heeft zijn zaal’ge buit
en hartsverlies blijkt hartsgewin.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.