+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

8 minuten leestijd

22

Met het klimmen over de muur komt men niet vanuit de staat der ellende tot de staat der genade. Zelfs komt het hart in deze eigenwillige godsdienst met meer vijandschap te staan tegenover het nieuwe leven der genade waarvan Gods kinderen mogen getuigen. De Schrift noemt hem een moordenaar, daar hij het kinderlijke leven van de oprechten zoekt te vernielen, om zichzelf in de godsdienst van vorm en schijn te rechtvaardigen.

Nu brachten de twee bekende mannen hier tegen in, dat velen hun gezegd hadden, dat dit veel te omslachtig was en daar zij gewoon waren vlug te werk te gaan, waren zij maar over de muur geklommen.

Voor deze mannen was dus het gaan door de enge poort veel te omslachtig. En dat is het ook inderdaad. Het gaan door de enge poort is niet eenvoudig. Maar wat is daarvan nu de oorzaak?

Het gaan door de enge poort is omslachtig en nog al heel wat ook, maar niet te veel, het kan niet minder omslachtig gemaakt worden, want het is een zaak des gerichts. En in dat rechtsgeding gaat het om de omslachtigheid van de ongerechtigheid, en dat kan nu eenmaal niet anders. De zonde gaat altijd vanuit haar aard en listen omslachtig te werk. fn de dienst der ongerechtigheid zoekt men het kwade goed te praten, waarin men dan als vanzelf omslachtig te werk gaat. Hierin zijn allerlei vertakkingen. In de zonde woelt en werkt de mens door alles doel te bereiken.

Wordt de zondaar in zijn hart gegrepen, in het gericht gesteld, dan komt de omslachtigheid van de ongerechtigheid aan het licht. En dat is noodzakelijk om de mens van zijn vloek- en doemwaardigheid te overtuigen. Al bekent een mens gezondigd te hebben, dan aanvaardt hij nog niet de straf van de zonde, want zijn bekentenis heeft niet de nodige diepgang. En voor zulke mensen is een grondig onderzoek veel te omslachtig, want dan moet de schuld en de straf der zonde aanvaard, beweend en verzoend worden.

En daarom zijn zij dan ook maar vlug te werk gegaan. Wie gelijk als deze mannen denkt met vorm en schijn te kunnen bestaan, pleistert het loze kalk. Dat kan echt niet gelijk gesteld worden met het degelijk stukadoorwerk van Gods genade. De man, die het huis van zijn verwachting bouwt op een zandgrond is gauw klaar. Maar om het te bouwen op de Rotssteen, Wiens werk volkomen is, moeten wij van heel veel droggronden en zandgronden afgebracht worden door het ontdekkende werk van de Heilige Geest.

„Maar”, zo vraagt de pelgrim, „zal dit niet beschouwd worden als een overtreding tegen de Heere van de Stad waarheen wij op reis zijn, indien gij zo Zijn geopenbaarde wil overtreedt?”

„Waarheen wij op reis zijn”. Deze twee mannen van vorm en schijn, die de Heere Jezus dieven en moordenaars noemt, zijn met de pelgrim op reis naar Sion. Maar al waren de dwaze maagden met de wijze maagden op reis naar de hemelse bruiloftszalen, zowaren zij daarmee van dwaas nog niet wijs geworden. Dat is bij de hemelpoort duidelijk uitgekomen.

„Waarheen wij op reis zijn”. Als medereizigers naar de Stad des Heeren heeft de pelgrim deze mannen te accepteren. Met deze mensen gaat men naar de kerk, komt men tot de bediening van de Heilige Doop en zit men aan de tafel des verbonds. Dat is voor de pelgrim wel smartelijk, maar niet ondoenlijk. Hij heeft medelijden met hen en zoekt het hun duidelijk te maken wat zij missen. Wat u van die mensen ziet en hoort, moet u hun persoonlijk zeggen. Maak het hun zo duidelijk mogelijk, dat het gaat om de beleving van het verbond. Het zijn op de weg van het verbond en het delen in de zegeningen daarvan, gaat helaas bij lange na niet altijd gepaard met de innerlijke beleving van het verbond. En dat moet ons op het hart gebonden worden.

Wanneer de Schrift tot ons spreekt van leven en dood, van zegen en vloek, dan moeten wij niet met ons denken vanuit Gods verborgen raad gaan vragen: Wat zal mijn deel zijn? Want dat vragen veroorzaakt verharding. „Kiest dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad”.

De Heere stelt ons verantwoordelijk tegenover de geopenbaarde dingen. Hij zegt ons: „Maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet”.

Vanuit Zijn geopenbaarde wil is de wilskracht van het geloof te bekomen. Daarom hebben wij dan ook te bidden: „Leer mij naar Uw wil te handelen”. In ons is vanwege de zonde niet de minste wilskracht tot het goede overgebleven. Maar de Heere lokt ons en roept ons vanuit Zijn geopenbaarde wil tot de troon van Zijn genade, om het leven der genade en de zegen van het verbond van Hem af te smeken. En dat geldt voor ons en voor onze kinderen. Vanuit Zijn genade is het mogelijk in te gaan door de enge poort. Wij hebben het nodig, dat de wet der liefde daartoe door Zijn Geest geschreven wordt in ons hart.

Maar hierop zeiden Vormelijk en Schijnheilig, dat de pelgrim zich daarover het hoofd niet behoefde te breken, want dat was door het gebruik gewettigd en zij konden bewijzen, dat reeds sedert duizenden jaren door velen op dezelfde manier was gehandeld.

En toch, hoe hard en afkerig van het goede deze mannen ook waren, zo kon de pelgrim het toch niet nalaten zich hierover het hoofd te breken. Daar hij de schrik des Heeren kende en voelde wat het is de eeuwige zaligheid te derven, zocht hij deze mannen te bewegen tot het geloof, dat de Schrift voor waarachtig houdt. Want wij moeten in de eerste plaats vanuit de Schrift overtuigd worden, dat het gaan door de enge poort onmisbaar is tot zaligheid.

’t Is waar, dat het klimmen over de muur een oud gebruik is, want wij hebben deze bedriégelijke handeling aan te merken als een uitvinding van Kaïn. Het ingaan door de enge poort om met Christus gekruist, gedood en begraven te worden, werd door hem veracht. Daarom verscheen hij dan ook niet in het geloof met een bloedige offerande voor het aangezicht des Heeren.

Maar dat oud gebruik is van meet af door de Heere veroordeeld. Veroordeeld in Kaïn, want de Heere zag hem niet aan in zijn eigenwillige godsdienst. Veroordeeld in Ismaël, want op Gods bevel werd hij uitgedreven, daar hij niet wilde leven vanuit de beloften van het verbond. En ga zo maar door. In al de bijbelboeken heeft de Heere het klimmen over de muur veroordeeld.

„Wel”, gaven zij ten antwoord, „een gewoonte, die zonder twijfel duizenden jaren oud is, heeft langzamerhand kracht van wet gekregen bij elk onpartijdig rechter. En daarenboven”, gingen zij voort, „als wij maar op de weg zijn, wat komt het er dan op aan, hoe wij er op gekomen zijn? Als wij er op zijn, dan zijn wij er op! Gij zijt op de weg gekomen door de poort binnen te gaan, en wij door over de muur te klimmen. In welk opzicht zijt gij er nu beter aan toe dan wij?” Natuurlijk, en wij stemmen het toe, dat een gewoonte, die zonder twijfel duizenden jaren oud is, langzamerhand kracht van wet gekregen heeft bij elk onpartijdig rechter. Maar dat geldt dan een gewoonte, die door niemand betwist is. Uf een weg waarop het bord van verboden toegang met het nodige artikel uit het wetboek van strafrecht, niet geplaatst werd. Maar dat kan ift geen geval gezegd worden omtrent het klimmen over de muur. Door alle eeuwen heen heeft de Rechter van Zijn knechten scherp veroordeeld. Nooit is een mens in zijn komen op de weg naar Sion gerechtvaardigd als hij er op kwam door te klimmen over de muur. Nimmer zijn deze reizigers naar Sion bij hun komst aan de hemelpoort binnengelaten. Door alle tijden heen heeft de Heere zulke reizigers van af de hemelpoort verwezen naar de buitenste duisternis. Daarom heeft de Goddelijke waarschuwing van niet over de muur te klimmen zijn rechtsgeldigheid behouden.

’t Is bovendien een allerdroevigst teken als men er genoeg aan heeft reiziger te zijn naar Sion. De Heere leert het ons toch duidelijk in Zijn Woord, dat wij met een uitwendige verbondsgemeenschap, door te leven op het erf van het verbond, niet kunnen bestaan in de grote dag des gerichts. Zo ons hart niet verbonden is aan de God des verbonds, loopt de Weg des verbonds niet door ons hart. Het baat niet, al werken wij op Sion aan, zo wij door de wederbarende genade niet als Sionskinderen vermaak hebben in de wet, die van Sion is uitgegaan.

Maar, zo wordt ons gevraagd, zou een twistgesprek over deze innerlijke en geestelijke zaken wel profijtelijk zijn? Gewoonlijk veroorzaakt dat niet meer dan wat hete hoofden en koude harten. Maar zou dat dan zo erg zijn? De Schrift leert ons toch dat koud of heet beter is dan lauw? Wie lauw is heeft geen gevoel van het gemis der zaak en is ook niet met gevoel werkzaam tot verkrijging van haar bezit. „Ik weet uw werken”, zegt de Heere, „dat gij noch koud zijt, noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen!”

Voor het innerlijke en geestelijke leven is het van grote betekenis met een diepgaand rechtsgevoel deze zaken te bespreken, want Sion zal door recht verlost worden en haar wederkerenden door gerechtigheid.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.