+ Meer informatie

Kerkregering VI: 1 GECOMBINEERD BEROEPEN

7 minuten leestijd

Onder dit hoofd schreef ik in no. 7 van Ambtelijk Contact van juli 1962 een artikel met belofte in een volgend stukje nog iets over deze zaak van het gecombineerd beroepen te zeggen. Om redenen van gezondheid was ik niet in staat deze belofte in te lossen. Het verheugt mij thans de afgebroken draad te kunnen opvatten. Het lijkt mij echter dienstig om in dit artikel nog even in het kort te herhalen wat ik in 1962 over het gecombineerd beroepen schreef. Hier volgt dan een korte weergave van de inhoud.

Vanaf de Reformatie hebben vele kerken in ons land gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een combinatie met een naburige kerk aan te gaan teneinde gezamenlijk een dienaar des Woords te beroepen. Ook de kerken der Afscheiding maakten van deze mogelijkheid gebruik en ook heden ten dage kennen wij nog de figuur van het gecombineerd beroepen. Hoe over deze dingen te denken? Wel, er zijn zowel voor- als nadelen aan verbonden.

Nadelen worden gevoeld door gemeenten en kerkeraden en evenzeer door predikanten.

Gemakkelijk kan bij de gemeenten het gevoel gaan leven, dat men toch eigenlijk maar een „halve” dominee heeft, omdat men hem immers met de andere gemeente moet „delen”. Men heeft dan vooral het oog op het feit dat er natuurlijk om en om gepreekt moet worden zowel op de zondagen als op de bid- en feestdagen. En vooral de gemeente die niet het voorrecht heeft het predikantsgezin in haar midden te hebben krijgt heel gemakkelijk de gedachte dat de dominee toch eigenlijk de predikant van de andere gemeente is. Ook de kerkeraad kan tot dergelijke gevoelens komen.

Doch ook van de zijde der predikanten gezien kunnen er allerlei bezwaren rijzen. De predikant heeft met twee gemeenten en twee kerken te maken, die misschien in sommige opzichten erg van elkaar verschillen of waar tussen mogelijk een zekere rivaliteit heerst. Bovendien is het rayon, dat bearbeid moet worden, in de regel behoorlijk groot. Zo ware er meer te noemen.

Doch er is aan deze medaille een keerzijde. Tegenover al deze en andere bezwaren kunnen ook voordelen genoemd worden. Het grote voordeel is, zoals voor ieder duidelijk is, dat zulk een combinatie voor kleine en zwakke kerken vrijwel de enige mogelijkheid is om een eigen dienaar des Woords te krijgen met daaruit voortvloeiend een regelmatige voorziening in de dienst des Woords en een behoorlijke pastorale bearbeiding. Er zijn immers plaatselijke kerken die zó zwak in ledental en financiële draagkracht zijn, dat zij onmogelijk een predikantsgezin kunnen onderhouden, ook al zouden ze gesteund worden door een kas voor onderlinge bijstand of iets dergelijks. Wanneer nu twee van zulke kerken, in elkanders nabijheid liggende, de handen in een slaan kunnen zij in vele gevallen wel een behoorlijk tractement opbrengen, al of niet gesteund door een kas voor hulpbehoevende kerken of onderlinge bijstand. Zo kunnen ze toch een eigen herder en leraar krijgen en naar dat ideaal heeft immers elke gemeente te jagen. Een kerk zonder dienaar des Woords is incompleet en daarom moet het streven van elke kerk er op gericht zijn om de plaats van herder en leraar vervuld te krijgen. Wat abnormaal is mogen wij niet als normaal gaan beschouwen. En nu moge het niet ideaal zijn als twee kerken samen maar één predikant hebben het is toch beter dan dat geen van beide kerken er een heeft. En meer dan eens is het gezien, dat een combinatie zo zegenrijk werkte dat met verloop van tijd ieder van de beide gemeenten een eigen predikant kon onderhouden.

Dit was zo in hoofdzaak de inhoud van het eerste artikel over deze zaak, dat in juli 1962 verscheen. Wij gaan nu nader op deze zaak in. In verband met de mogelijkheid dat er, als straks weer studenten van onze Theologische Hogeschool met goed gevolg het candidaatsexamen afleggen en beroepbaar verklaard worden, beroepen door gecombineerde gemeenten worden uitgebracht, wil ik de kerkeraden er allereerst met klem er op wijzen, dat zij goed doen het advies van de consulent in te roepen en dat elke combinatie door de classis moet worden goedgekeurd.

Men heeft dit wel eens in twijfel getrokken ja bestreden, waarbij men dan als argument naar voren bracht dat door het vragen van zulk een classicale goedkeuring afbreuk aan de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk werd gedaan. Maar dit is een oppervlakkige en dwaze redenering. Wij merken het volgende op. Vooreerst dient benadrukt, dat juist de goedkeuring door de classis van het contract van combinatie één van dè waarborgen is voor de juiste handhaving van de zelfstandigheid der plaatselijke kerk. Het is immers van het grootste belang voor deze zelfstandigheid hoe de verhouding van de combinerende kerken in het contract wordt geregeld. De mogelijkheid laat zich immers denken dat juist door de inhoud van het contract aan de zelfstandigheid van één van de kerken, die een combinatie aangaan, afbreuk wordt gedaan. Daarom heeft de classis toe te zien dat de grondregel van het gereformeerde kerkrecht ten volle wordt gehandhaafd: Geen Kerk zal over andere Kerken enige heerschappij voeren, art. 85 KO. Bij de beoordeling van het contract heeft de classis hier dus op te letten. Vervolgens zij opgemerkt dat hier ook de rechtspositie van de predikant in geding is. Zijn positie als predikant van twee kerken moet nauwkeurig omschreven zijn in het contract. Dit is nodig met het oog op zijn rechtspositie. Zo lang alles goed gaat en er geen moeilijkheden zijn zal het ontbreken van een goede, verantwoorde en door de classis goedgekeurde regeling niet opvallen, maar dit wordt onmiddellijk anders zodra er moeilijkheden komen tussen de twee kerkeraden, of tussen de twee kerkeraden en de predikant of tussen één kerkeraad en de predikant. Is er dan geen goede regeling vastgelegd in de door de kerkeraden bij het aangaan van de combinatie gemaakte overeenkomst, dan is meestal de ellende niet te overzien. En dit geldt dan heus niet alleen het louter „kerkelijke” dit geldt eventueel ook het „burgerlijke” leven, of wil men dit geldt ook wanneer men als twee of drie partijen voor de wereldlijke rechter komt. Dus ook met het oog op de rechtspositie van de predikant hebben de combinerende kerkeraden hun overeenkomst aan het oordeel van de classis te onderwerpen.

En tenslotte mogen we dan nog naar voren brengen dat een door de classis goedgekeurde overeenkomst inzake een combinatie van grote betekenis is voor het welzijn van het kerkverband. Ontbreekt een goede regeling, die door de kerken van het classicaal ressort is aanvaard of wil men goedgekeurd, dan kan dit, in bepaalde situaties, tot grote moeilijkheden binnen het kerkverband aanleiding geven. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Volgens de berichten in de pers hadden 2 kerken van een hier niet bij name te noemen kerkverband gecombineerd een predikant. Er ontstonden tussen deze predikant en de ene kerkeraad moeilijkheden. Het slot is geweest, dat deze kerkeraad de predikant afzette maar dat de andere kerkeraad hem als predikant in volle rechten hndhaaft. Hier zitten natuurlijk allerlei kanten aan deze zaak, die we nu verder laten rusten, maar het is in elk geval duidelijk dat hier ergens iets niet klopt en dat zit voor een belangrijk deel in de regeling betreffende de combinatie.

Uit bovenstaande moge duidelijk zijn hoe noodzakelijk het is dat de kerkeraden van gemeenten die willen combineren het contract, zoals ze dit willen sluiten, ter beoordeling voor leggen aan de classis. Dit is m.i. dan ook niet een zaak van een consulent, maar van de classis. Er staan té hoge belangen op het spel dan dat een consulent deze verantwoordelijkheid zo maar eventjes op zich mag nemen.

In een volgend artikel willen we nog eenmaal op dit gecombineerd beroepen terugkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.