+ Meer informatie

IK GELOOF ÉÉN HEILIGE ALGEMENE CHRISTELIJKE KERK de waarde(vermindering) van het christelijke gereformeerde kerkverband

16 minuten leestijd

INTRO

De lezing van dr. Kater begon met een peiling, waarbij de aanwezigen door handopsteken op een aantal stellingen of vragen kon reageren.

wanneer we in de zondagmiddag- of avonddienst deze belijdenis uitspreken, denk ik:

a. aan het geheel van ons kerkverband

b. aan de christelijke kerk wereldwijd

c. eigenlijk nergens aan.

Bij het uitspreken van deze belijdenis voel ik me verbonden met:

a. alle christenen nu

b. alle cgk-christenen nu

c. alle gereformeerde christenen nu

d. juist met christenen door de eeuwen heen.

De waarde van ons kerkverband is voor mij verbonden met de betekenis van het kerkelijk zegel ‘nec tamen consumebatur’ (‘en toch niet verteerd’)

a. eens

b. oneens

c. geen mening.

Bij het hoeveel jarig bestaan van onze kerken verscheen een boek met de titel ‘En toch niet verteerd?’

a. 75

b. 90

c. 100.

‘Hij heeft de kerk verlaten, maar gelukkig het geloof niet losgelaten’.

a. dat kan niet: er is geen geloof buiten de kerk

b. dat is een misleidende gedachte: geloven buiten de kerk is van alles geloven

c. gelukkig maar.

‘Religie is in, de kerk is uit’. Een sociaal-culturele peiling laat zien dat de waardevermindering van een kerkverband - ook het onze - een vanzelfsprekende ontwikkeling is wanneer we letten op ontwikkelingen in onze maatschappij.

Wanneer men bijvoorbeeld het 16e rapport van het SCP (2004) ter hand neemt, kan men zich daarvan overtuigen. Daarin is een blik vooruit opgenomen over de komende zestien jaar en wij bevinden ons dus halverwege dat gezichtsveld. Waarom starten we met dit rapport? Niet dat ik het SCP enige profetische waarde toeken, maar wel om ontwikkelingen in het vizier te houden. Er worden vijf I’s vermeld die ons tekenen in welke context de kerk zich anno 2012 bevindt. Ik noem ze en geef een korte toepassing richting de waardevermindering van het kerkverband.

1. INDIVIDUALISERING

We leven in een ‘meerkeuzemaatschappij’. Keuzevrijheid is daarbij een ‘must’. Dat geldt ook voor de uitgebreide menukaart van de kerken. Regelmatig passeert het beeld van de kerk als supermarkt of restaurant. Men is ontwerper van het eigen leven door zelfgemaakt keuzes, waaronder het samenstellen van een eigen religie en de keuze voor ‘de kerk die bij mij past’.

In één huis wonen? Prima, zolang ik mijn eigen kamer mag hebben en mijn eigen vrijheid behoud; anders ga ik het huis uit. (Vergelijk hierbij de grote gezinnen die vroeger in kleine huisjes woonden en de veelal kleine gezinnen die nu veel ruimer behuisd zijn.)

‘Niet bidden of bidden op een eigen manier, niet geloven in God of geloven in een eigenhandig geknutselde God, niet religieus zijn of zelf een persoonlijke doe-het-zelf-religie in elkaar knutselen - het zijn moderne en pragmatische antwoorden op de algemene trend van individualisering en fragmentarisering’.

Hoe beïnvloedt dit de visie op een kerkverband en een kerkverband zelf?

a. Er zijn gemeenten die op deze ontwikkelingen inspelen. Als ‘de klant koning is’ dan is het zaak meer vraaggericht dan aanbodgericht te werken. We hebben het hier over de zogenaamde ‘seeker-sensitive churches’. Norm voor het ontwerp van een eredienst of de opzet van activiteiten wordt de religieuze ‘zoeker’.

b. De kerkorde wordt gezien als knellend juk, in plaats van ‘om door dit middel de ware religie te onderhouden’.1 Hier gaat het immers om wat we gezamenlijk hebben afgesproken en is niet gevraagd of ‘mijn visie’ daar wel in past.

2. INFORMALISERING

Deze informalisering is in bepaalde mate een gevolg van de individualisering, waarbij het gaat om gelijkheid en gelijkwaardigheid van alle mensen. Informalisering van de verhoudingen is merkbaar aan bijvoorbeeld de voornaam als aanspreekvorm buiten de strikt persoonlijke levenssfeer en wordt tevens zichtbaar in de kleding. Te denken valt aan het groeiend gebruik van sport- en vrijetijdskleding. De ander moet mij vooral ‘nabij’ zijn. Dat geldt dan ook voor het beeld van God dat men heeft: ‘iemand die een arm om je heen slaat’.

‘De onthiërarchisering van de samenleving wordt maatschappelijk nergens duidelijker dan in de informalisering die vorm krijgt in de de-institutionalisering van de organisaties en organisatievormen die zich vooral in de 19e en eerste helft 20e eeuw gevormd hebben’. Die traditionele organisatie is meestal opgebouwd volgens het model van een piramide en verwacht van de leden inzet voor de doelen van de organisatie.

Welke invloed krijgt de informalisering in het kerkverband?

a. De ene kerk is nog sterk formeel in kleding, gezag en inrichting van de eredienst; in andere kerken is de dominee niet meer dan een coach (‘zeg maar Jan’) die met ‘je’ aangesproken wordt, zijn preken voorbereidt met een groepje gemeenteleden en in z’n kleding toch vooral laat merken dat hij één van hen is. Denk hierbij ook aan de opkomst van de zogenaamde ‘emerging churches’, waarin alles informeel is.
Ook in een kerkdienst mag het wat minder formeel. Er mag zeker geen sprake zijn van een vaste orde van dienst; je moet zeker een keer een grap plannen; schakel ook eens een band of toneelgroep in. Daartegenover verzetten andere gemeenten zich tegen deze popularisering van de eredienst.

b. De positie van de ambtsdragers staat ter discussie. Over de wijze waarop ouderlingen invulling geven aan het huisbezoek kan gesproken worden in termen als ‘waar bemoeien ze zich mee?’

c. Het (s)preken met gezag - vanuit het gezag van het Woord als Woord Gods -wordt al snel als autoritair bestempeld. Bovendien valt te vrezen dat wie zichzelf opgesloten heeft in een circuit van nabijheid, de vrijheid ‘verspeelt’ om nog direct confronterend mensen aan te spreken.

3. INFORMATISERING

Het leven van de gemiddelde kerkganger in een mediacultuur is een leven waarin stromen ongeordende informatie flitsend en beeldend over de mensen wordt uitgestort. Zelfs in de kerk zijn sommigen online en worden sms-berichten beantwoord.

Uiteraard heeft dit ook grote invloed op ons kerkverband:

a. De stilte van een kerkdienst wordt als ondraaglijk ervaren - het leren in de diepte ontbreekt, omdat men de innerlijke concentratie mist.

b. Het probleem van de vlugge en ‘vluchtige preken’ met soms niet meer dan een praatje bij het plaatje.

c. Waarom zou je nog naar de kerk gaan? Thuis je eigen kerkdienst meemaken op eigen tijd en op je eigen bank is comfortabeler. Bovendien kun je zo switchen naar een andere kerkdienst wanneer die ene je niet bevalt.

4. INTERNATIONALISERING

Denk hierbij aan de sterk toegenomen mobiliteit, maar ook aan de gedachte dat de wereld een dorp geworden is, waarbij je je huis niet eens uit hoeft om van mondiale ontwikkelingen kennis te nemen. Kennis van andere culturen en vormen van kerk-zijn is hierdoor ook veel groter geworden dan toen we nauwelijks van het eigen dorp of buiten het eigen land kwamen.

Welke invloed heeft de internationalisering op de visie op een kerkverband?

a. er is sprake van een nadrukkelijker relativeren van het eigen kerkverband binnen het grotere, mondiale geheel van de christenheid;

b. er gaat aantrekkingskracht uit van ICF-gemeenten en andere zendingsgemeenten, die juist in een andere culturele (c.q. liturgische) setting werken. Je ziet mensen hun ‘moedergemeente’ verlaten om zich aan te sluiten bij een zendingsgemeente.

5. INTENSIVERING

Het dictaat van het eigen gevoel heeft een nog nooit eerder gekende normatieve waarde gekregen. Trefwoorden hierbij zijn: ‘lekker’, ‘leuk’ en ‘fijn’. Ingaan tegen het eigen gevoel wordt als een (te) groot risico gezien voor eigen geestelijke gezondheid. Gezamenlijkheid kan echter wel aan de intensivering van de beleving bijdragen. Maar: ‘collectieve beleving is niet meer een gevolg van het samenkomen, maar het samenkomen is instrumenteel geworden voor de intensivering van de beleving’. Wat is daarvan het gevolg? ‘Het algemeen belang en het nemen van medeverantwoordelijkheid daarvoor zijn moeilijk te verbinden met het proces van intensivering dat immers het individu tot het centrum van zijn eigen heelal maakt’.

Ook bij dit punt schets ik enkele invloeden op het kerkverband:

a. alleen grote gemeenten zijn interessant om je bij aan te sluiten;

b. het ontbreken van de eigen verantwoordelijkheid voor het welzijn van de gemeente;

c. het gaat om een eredienst die ‘lekker, leuk en fijn’ is.

d. er is steeds meer sprake van geestelijk consumentisme: men is uit op beleven en belevenissen als op de persoon toegesneden pakketjes ervaring, klaar voor consumptie.

Nu zou het wel heel arm zijn wanneer we op grond van een sociaal-culturele peiling óf slechts een klaagzang aanheffen óf van mening zijn dat we ‘dus’ een kerkverband in waarde kunnen laten toenemen wanneer we inspelen op dergelijke ontwikkelingen. De één zet zich schrap, de ander springt er op in. Dat recht komt ons niet toe, om de eenvoudige reden dat de ‘kerk’ niet maar een maatschappelijke organisatie is of een cultureel fenomeen. Daarom vervolg ik nu met een korte theologische verkenning van de belijdenis: ‘Ik geloof één heilige algemene christelijke kerk’. Ik doe dat aan de hand van de volgende vier lijnen:

1. De christelijke gemeente (plaatselijk) - de gemeenschap met Christus

2. De katholieke kerk (waaronder het kerkverband) - de volheid van Christus

3. De heiligheid van de kerk - Christus als Bruidegom

4. De eenheid van de kerk - Christus als Hoofd

1. DE CHRISTELIJKE GEMEENTE - GEMEENSCHAP MET CHRISTUS

Wanneer we nadenken over de waarde van een kerkverband dient eerst de waarde van de plaatselijke christelijke gemeente onderstreept te worden. Die eigen, zelfstandige plaats van een plaatselijke kerk is een basisgegeven in het gereformeerde kerkrecht.2

De gemeente, de ekklesia is een kwalitatief begrip. Deze ‘er-uit-geroepenen’ - uit de macht van de duisternis, uit deze tegenwoordige wereld - zijn door God (‘gemeente Gods’) geroepen tot de gemeenschap van de Zoon Jezus Christus, onze Heere (‘gemeente des Heeren’ (kuriakè), ‘gemeente van onze Heere Jezus Christus’), zoals dit ter sprake komt in 1 Korinthe 1:1-9.

Geen christelijke gemeente zonder de gemeenschap met Christus (unio cum Christo). De gemeente is dat als beloftegemeenschap (de genadige toezegging) en als geloofsgemeenschap (de gelovige toeëigening). Men kan ook denken aan de belijdenis van de NGB, artikel 27: ‘de heilige vergadering van de ware Christgelovigen….’. Dat is het wezen van de christelijke gemeente, en daar kun je de ware christenen aan herkennen (NGB, artikel 29: ‘de merktekenen van de ware christenen’).

De waarde van het kerkverband wordt allereerst bepaald door de vraag welke waarde de christelijke gemeente heeft. Die waarde stijgt of daalt naar de mate dat Christus gestalte krijgt in die gemeente. En dat geldt dan in verschillende opzichten. Het is van belang om te onderscheiden tussen wat Christus in en door de gemeente doet (geloven is meer dan doen). Vervolgens dient ook het ‘kom en zie’ binnen gehoord en gehoorzaamd te worden voordat de opdracht ‘gaat dan heen’ klinkt. Een gemeente kan immers niet missionair zijn wanneer ze niet eerst zelf ‘binnen’ is geweest.

Deze presentie van Christus is ook bepalend voor het karakter van de erediensten. Het gaat niet om een onderonsje. Het is Christus die in de prediking tot de gemeente komt en haar voor zich opeist en zichzelf schenkt. Het ‘Ik ben in uw midden’ mag ons verheugen met beving. Het functioneren van het drievoudig ambt van Christus is van wezenlijk belang voor het welzijn van de gemeente.

Wanneer in een eredienst meer gedacht wordt vanuit de dienst van de mens aan God dan vanuit de dienst van God aan de mens, is er iets grondig mis. Het gaat niet om de ‘performance’ van de liturg of een uitstalling van de gaven van de gemeente, maar om een oefenen van het hart in gehoorzaamheid en liefde in het luisteren naar de stem van de goede Herder.

‘Het draait in de samenkomst van de gemeente om niet minder dan om die ontmoeting met de levende God, waarin wij verschrikt en vertroost worden, zodat we, als Jakob bij Beth-El, zeggen: ‘Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemel’, ‘Waarlijk de HEERE is aan deze Plaats’ (Gen. 28).’3

Het ‘eigene’ van de Christelijke Gereformeerde Kerken ligt wel het meest in de prediking. Wanneer daarmee geen band is, is er ook geen innerlijke band met het kerkverband. Ik meen te mogen zeggen dat de bundel van wijlen professor W. Kremer met de titel ‘Priesterlijke prediking’ nog altijd toonaangevend genoemd mag worden en zeker een bespreking waard is op een kerkenraadsavond zonder verdere agenda.

2. DE KATHOLICITEIT VAN DE KERK - DE VOLHEID VAN CHRISTUS

‘Bent u katholiek?’ ‘Nee, ik ben gereformeerd’. Dit antwoord op deze vraag is niet denkbeeldig, vrees ik. Dat zou te maken kunnen hebben met het woord ‘katholiek’ dat voor velen onmiddellijk verbonden is aan Rooms-katholiek. We zullen dus helder moeten hebben wat met katholiek bedoeld wordt. Maar dat geldt ook voor het bijvoeglijke naamwoord ‘algemeen’. ‘Bent u lid van de algemene kerk’? Waar gaan onze gedachten heen bij dat woord? Van algemeen belang, voor iedereen open? Of klinkt het zelfs wat vaag: ‘algemeen’? Letterlijk betekent katholiek ‘verspreid over heel de aarde’ of ‘het geheel omvattend’. Het gaat dus over de wereldwijde kerk van Christus en dan niet alleen in het heden, maar in verleden, heden en toekomst. De katholiciteit omvat ook de wezenlijke verbondenheid met Israël. ‘De Zoon van God vergadert zich een gemeente uit het ganse menselijke geslacht’, belijdt Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus. Men zou dit het kwantitatieve aspect kunnen noemen. Er is ook een kwalitatief aspect: het gaat om de volheid van Christus.

Voor het kwantitatieve aspect keren we nog even terug naar de aanhef van de eerste brief aan de gemeente Gods te Korinthe: ‘met allen die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats’ (1 Kor. 1:2). Een kerkverband zoals wij dat kennen, is er nog niet, maar wel is er van het begin af met het gemeentezijn een onderlinge verbondenheid in Christus gegeven. Andere voorbeelden van die verbondenheid: Handelingen 15 (de eerste ‘synode’), 1 Korinthe 16 (de collecte voor de noodlijdende gemeente van Jeruzalem).

Wat het kwalitatieve aspect betreft, is te denken aan wat Paulus schrijft: ‘Opdat gij ten volle zoudt kunnen begrijpen met al de heiligen, welke de breedte en lengte en diepte en hoogte zij en bekennen de liefde van Christus die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods’ (Ef. 3: 14-21).

De vraag is of de waardevermindering van het kerkverband ook niet te maken heeft met een beperkte, om niet te zeggen fletse, goedkope opvatting van deze liefde. Je hebt ook elkaar nodig om de rijkdom van het Woord te leren verstaan. Dat vergt onderzoek. Kant en klare maaltijden serveren is in strijd met de katholiciteit van de kerk. Dat is immers een ‘vijfsterrenrestaurant’.

Het eigen kerkverband is zo een eerste oefening in het beleven van de katholiciteit van de kerk. Wat is er aan de hand wanneer een classisvergadering niets meer heeft van deze katholiciteit? Als we elkaar kwijt zijn, wat zijn we dan kwijt? Of moet ik dan toch vragen: ‘Wie zijn we dan kwijt?’

3. DE HEILIGHEID VAN DE KERK - CHRISTUS DE BRUIDEGOM

Zoals bekend gaat het wanneer we spreken over de heiligheid van de kerk niet onmiddellijk en allereerst om een zedelijke kwaliteit, maar om de roeping tot heiligheid. De kerk is heilig, omdat zij door God is afgezonderd van de wereld (ekklesia) én toegewijd is aan de dienst van God (kuriakè). Heilig is zij ‘gewassen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest’ (art. 27 NGB). Wanneer Jezus als de Hogepriester voor Zijn katholieke kerk bidt, dan zegt Hij: ‘Heilig ze in uw waarheid; uw Woord is de waarheid.’ (Joh.17:17).

Is het waar: de CGK staan wel in de wereld, maar zijn niet van de wereld? Of hebben wij de loopplanken uitgelegd naar de wereld waarover de wereld de kerk binnen kwam in plaats van dat de kerk de wereld in ging als ‘zoutend zout’ en ‘lichtend licht’? Is deze eigenschap van de kerk in onze kerken herkenbaar? Bekommeren we ons als kerken om de vraag hoe we Christus zullen behagen? Wie willen we het naar de zin maken? Versieren we ons met het oog op de Bruidegom en verwachten we Hem? We zijn zo’n 120 jaar kerk. Waren die jaren - om met Jakob te spreken - ‘jaren van onze vreemdelingschap’? Wanneer de CGK geen pelgrimskarakter vertonen, miskennen we de heiligheid van de kerk en devalueert daarmee en daardoor de waarde van ons kerkverband.

4. DE EENHEID VAN DE KERK - CHRISTUS HET HOOFD

Ik zie ‘vele kerken’. We geloven er één. Er is maar één Kerk, omdat er maar één Hoofd is. Hij heeft maar één lichaam, zijn gemeente. In Christus is de eenheid van de Kerk gegeven. Daarbij dient ook de Geest genoemd te worden die de band is tussen Hoofd en lichaam. De eenheid die Christus wil bewerken is niet allereerst uiterlijk gedacht. Het gaat om de innerlijke, geestelijke eenheid, die tot stand komt door de Heilige Geest. Een noodzakelijke voorwaarde voor de eenheid tussen verschillende kerkverbanden, eenheid tussen gemeenten in hetzelfde kerkverband en eenheid in de afzonderlijke gemeenten is dat de verborgen gemeenschap tussen Christus en de zijnen beleden en beleefd wordt in een hartelijke gemeenschap met elkaar.

Wanneer de eenheid ons een zorg is, dan is dat tevens de zorg voor het rechte belijden. De Drie Formulieren van Enigheid willen geen ‘papieren paus’ zijn, maar zijn een uitdrukking van de eenheid in het geloof. Een eenheid in waarheid is de ware eenheid. Dan zullen wel de waarheid dienen te betrachten in liefde. Een kille orthodoxie is geestdodend.

Oorzaken van het ontbreken van deze eenheid in een kerk(verband) zijn er te over: wrijving of zelfs rivaliteit tussen ambtsdragers onderling, wrijving tussen ambtsdragers en een gemeente, het niet meer weten wat we belijden, het nalaten van het toetsen van inzichten aan Schrift en belijdenis. Het zijn enkele van de meest aan het licht tredende oorzaken.

TENSLOTTE

Wat heeft de waardevermindering van ons kerkverband ons te zeggen?

a. Het noopt ons allereerst tot zelfonderzoek, niet zozeer in de spiegel van de sociaal-culturele setting maar in het licht van het Woord. Is Jezus Christus ‘in’ ons en zijn we ‘in het geloof’ (2 Kor. 13:5)?

b. ‘Onbekend maakt onbemind’. Het is de roeping van ambtsdragers om dit onbekende weg te nemen door leven (betrokkenheid op het bredere kerkelijke leven) en door leer (laat ook iets zien in welk opzicht de CGK proberen recht te doen aan het spreken met twee woorden).

c. De vraag is ook: vervullen onze kerken nog de moederlijke taak om kinderen, jongeren en ouderen de warmte te geven van een ‘thuis’? Is onze catechese gericht op het hart van onze jongeren? Bidden we voor de kinderen van de gemeente? Vaderlijke zorg is er en de Geest wil toe-eigenen wat we in Christus hebben. Moeder is toch nog niet te oud en nog goed bijdetijds?

De vitaliteit van een kerkverband? Dat kan alleen ‘Christus, die ons leven is’ zijn. Als dit waar is, dan leeft de christelijke kerk gereformeerd en zal ze gereformeerd worden tot op de dag dat ze als een reine Bruid voorgesteld zal worden aan de Bruidegom.

Dr. M.J. Kater, sinds 2009 predikant te Sint-Jansklooster, is als parttime docent dogmatiek en apologetiek werkzaam aan de TUA, waar hij vorig jaar promoveerde op het proefschrift Kom en zie (deel II). De pre-existentie van de Zoon belicht vanuit de existentie van Jezus, de Christus.

1 Aldus luidde de titel van het opstel dat prof. J. Hovius destijds schreef in de bundel Woord en Kerk, die verscheen ter gelegenheid van 75 jaar Hogeschool, en dat verplichte lectuur zou moeten zijn voor iedere ambtsdrager.

2 In 2003 hebben Deputaten Eenheid nog een keer nadrukkelijk aandacht gegeven aan de verhouding plaatselijke gemeente - landelijke kerkverband in het kader van het zoeken naar kerkelijke eenheid.

3 Wim Dekker, Marginaal en Missionair, 115.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.