+ Meer informatie

Ds. Gezelle Meerburg De boeteprediker van het land van Altena

6 minuten leestijd

11

En dit wil nu juist niet zeggen, dat Gezelle Meerburg in zijn preken een vertoon van geleerdheid gaf. Eerder was hij daar afkerig van. Hij zag de gemeente voor zich in zijn bediening. Vaak sloot hij aan bij het leven van zijn gemeente en omgeving. Eenvoudig was hij, zonder platvloers of banaal te zijn. Duidelijk in de voorstelling van de waarheid Gods, zodat de meest eenvoudige van zijn gemeente hem wat dat betreft volgen kon. Zijn herderlijk hart, dat waakte over de kudde, zal de eenvoud gezocht hebben, opdat ieder met het Woord van dood en leven in aanraking zou komen.

Nu we nog schrijven over de ernstige wijze, die Gezelle Meerburg bij het toebereiden tot de prediking gewoon was aan de dag te leggen, zal een bepaald element niet voorbijgegaan kunnen worden. We doelen hier op zijn kennis van de geschriften uit de tijd van de Nadere Reformatie en niet het minst van Engelse en Schotse schrijvers.

Ook zonder de namen te lezen van één van deze in zijn preken, zouden we toch al vermoeden kunnen, dat hij geen vreemdeling van deze lektuur geweest is. De wijze van vermanen en waarschuwen, de ontleding van het zieleleven verraden geestesverwantschap. En Gezelle Meerburg laat niet altijd in het onzekere, dat hij zelf eerst onderwezen is door middel van b.v. Brakel, v.d. Groe, Rutherford.

Tekenend is in dit verband zijn preek over de arglistigheid van het mensenhart (Jeremia 17: 9). In deze preek gaat hij na in de eerste plaats de arglistigheid, zoals deze zich openbaart in de onwedergeborenen, ten tweede, zoals deze plaats heeft bij de schijnbekeerden, en tenslotte, zoals deze gevonden wordt bij de wedergeborenen. Het geheel is ernstig en ontdekkend, terwijl toch het hart van de prediker erin klopt vol liefde om het middel te zijn tot ’ bekering. Aangrijpend is vooral ook het tweede gedeelte van de preek over de schijnbekeerden. Aan het eind van dit gedeelte zegt Gezelle Meerburg: „Wij hebben dit één en ander niet voorgesteld om de harten der gelovigen kleinmoedig te maken, of hen in een zondige twijfel te brengen over hetgeen de Heere aan hun zielen gedaan heeft; verre zij het van ons het gekrookte riet te willen verbreken of de glimmende vlaswiek te willen uitblussen, die God niet verbreken of uitblussen zal. Maar de liefde tot zoveel arme zielen, die zichzelf bedriegen, het gewicht der zaak dringt ons. Het geldt toch een eeuwigheid; die zich hier bedriegt, bedriegt zich voor eeuwig; waarlijk, het is zulk een geringe zaak niet, onder het kleine getal van de uitverkoor’nen te behoren, van een erfwachter der verdoemenis een erfgenaam van het eeuwige leven geworden te zijn.

Onder deze preek staan een tweetal aantekeningen, die erop wijzen, dat Gezelle Meerburg mede geleid is door een tweetal schrijvers. Eén van hen zal ons niet — althans de meesten niet, het is Jonathan Edwards, een Amerikaans theoloog — bekend zijn, maar de andere wel, met name Theodorus van der Groe.

Niet vreemd is het, dat in deze preek ook de naam van de laatste, de bekende prediker van Kralingen, genoemd wordt. En juist bij het gedeelte over de schijnbekeerden: „Wat is dan hun grond? Tranen en gestalten, aandoeningen uit hun natuur-gesteldheid voortkomende, de getuigenissen van de godzaligen en hun vertroostende toespraken; de grond van hun vertrouwen zoeken en vinden zij in zichzelf, daar deze buiten de mens in Christus ligt. Veel kunnen zulke mensen doen, vele goede dingen zoeken zij; zij zoeken in waarheid schone paarlen, maar die ene parel van grote waarde om welke zij al wat zij hebben verkopen, hebben zij nog niet gevonden”.

Gezelle Meerburg was er de man niet naar om iemand na te doen en gedeelten uit iemands werken zonder meer over te nemen. In zijn preken klinkt de stem van Gods Woord door naar zijn aard en gaven, hem geschonken. Daarom kan hij met vrijmoedigheid de naam van Van der Groe er onder zetten met vermelding van de bron. Toch kunnen we gevoelen de band van Gezelle Meerburg aan deze strijder, die ongeveer een halve eeuw vóórdat deze preek werd uitgesproken, gestorven was.

En is het te verwonderen, dat hij zich ook verbonden gevoelde aan Dr. Samuel Rutherford, de Schotse geloofsheld, die zoveel inzicht ontvangen had in de oefeningen van het leven des geloofs?

Met erkentelijkheid merken we hier op de invloed van de mannen der Nadere Reformatie. Zonder deze is de eerste tijd na de Afscheiding niet te denken. Het is opmerkelijk, dat de Heere Ds. Hendrik de Cock van Ulrum niet alleen door middel van het lezen van Calvijns Institutie tot verandering gebracht heeft, maar ook door de werken van de Nadere Reformatie. Daarmee bedoelen we geenszins te zeggen dat de Afscheiding in alles de kenmerken van de Nadere Reformatie vertoont. Het zou zelfs dwaas zijn dat te beweren. Maar wel dat er geestelijke aansluiting was tussen de prediking uit de tijd na 1834 bij de Afgescheidenen en die van de predikers der Nadere Reformatie.

De geestelijke erfenis mocht zegenrijk doorwerken.

Bij Gezelle Meerburg lag het wat anders dan bij Hendrik de Cock. Hij was reeds vóór de tijd, dat hij predikant werd, in aanraking gekomen met de schatten uit de belijdenisgeschriften en de werken van Brakel o.a. In zijn gemeente en de omgeving waren deze niet onbekend. Ja, er was een honger en dorst bij die God vreesden, dat hun predikant die schatten maar zou voorstellen in een schriftuurlijk-bevindelijke bediening van Gods Woord. En zij zijn daarin niet beschaamd uitgekomen. Een wonder in die tijd, een dienstknecht, die met alle gebrek de volle raad Gods verkondigt en geestelijk leiding geeft.

Laten wij die schatten toch niet verachten. Alleen tot schade van onszelf en van de kerk wordt aan de geestelijke erfenis ook uit de tijd van de Nadere Reformatie voorbijgegaan. Een erfenis, die men rustig laat liggen of met een medelijdende glimlach voorbijgaat, kan-ons alleen maar aanklagen. De klachten over verschraling enz. kunnen niet ernstig genomen worden, als de middelen niet onder de zegen des Heeren gebruikt worden. De Heere geve het in deze tijd van veel doorvloeiing. Niet om in dode orthodoxie op de erfenis te sterven, maar in de beleving eruit te leven. En dat heeft ook Gezelle Meerburg gezocht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.