+ Meer informatie

HENDRIK DE COCK EN DE „ALGEMEENE CHRISTELIJKE SYNODE DER HERVORMDE KERK” VAN 1834

6 minuten leestijd

Het is niet de bedoeling om in dit artikel de gang van zaken te schetsen met betrekking tot het appel dat De Cock c.s. bij de synode van de Ned. Herv. Kerk „in den jare 1834” indiende tegen diens schorsing en afzetting. Hierover zijn verschillende publikaties verschenen die meer of minder breed uit de „Handelingen” van deze synode citeren 1). In dit artikel willen we deze Handelingen zelf eens zoveel mogelijk aan het woord laten komen niet alleen als „historisch document”, maar ook als exempel van „kerkelijke rechtspraak”.

De „Handelingen van de Algemeene Christelijke Synode der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, in den jare 1834” beginnen met een verwijzing naar een „dispositie van Zijne Excellentie den Minister van Staat, belast met de generale directie voor de Zaken der Hervormde Kerk”. Mede ten gevolge van deze „dispositie” kwam de „Hooge Kerkvergadering op den 2. Julij” van dat jaar bijeen. Na vermeld te hebben wie door de provinciale kerkbesturen waren benoemd, delen de Handelingen mee dat volgens „kennisgeving van Zijne Excellentie den Minister van Staat belast met de Generale Directie voor de Zaken der Hervormde Kerk”, „door Zijne Majesteit, bij Hoogstdeszelfs besluit van den 6. Junij” de president, vice-president en „deszelfs Secundus” waren aangewezen. En dan vervolgen de Handelingen met een mededeling die ons vreemd voorkomt, maar die geheel in de lijn ligt van de ontwikkeling van de praktijk tijdens de Republiek, een ontwikkeling die in 1816 onder Koning Willem I was gesystematiseerd en gelegaliseerd 2). Toen de synodeleden zitting hadden genomen, „verscheen in de Vergadering Zijne Excellentie de Baron van Pallandt van Keppel, Minister van Staat” enz. en het was deze „Excellentie” die de Algemeene Synode der Hervormde Kerk „in naam van Zijne Majesteit den Koning, voor geopend verklaarde”. De aldus geopende synode houdt zich dan o.a. bezig met Hendrik de Cock.

Op blz. 9 van de Handelingen worden de stukken genoemd die het „appel van H. de Cock tegen de uitspraak tot afzetting van de H. Dienst” betreffen:

………. een sub no. 2808 geregistreerd verzoekschrift van H. de Cock, te Ulrum, om ontvangen te worden in appel van de uitspraak tot afzetting van de H. Dienst, door het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen tegen hem gedaan, in dato 29 Mei 1.1.; met twee Memorien van verdediging, zijnde de eene door den requestrant eigenhandig geschreven, de andere door hem geteekend 3). Voorts eene missive van het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen, geregistreerd sub no. 2813, toezendende de stukken, behoorende bij de procedure, bij hetzelve tegen H. de Cock gevoerd, met bijvoeging eener Memorie van adstructie. Eindelijk eene sub no. 2819 geregistreerde Memorie van J.J. Beukema, c.s., Ouderlingen en Diakenen te Ulrum, houdende bezwaren wegens de handelingen van liet Klassikaal Bestuur van Middelstum en het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen, tegen hunnen Leeraar H. de Cock 4).

Opmerkelijk is wat er dan volgt in de Handelingen:

De Heer Reddingius verzocht, eer men met deze zaak voortging, dat, vermits hij door H. de Cock in openbaar geschrift was aangevallen en beleedigd 5), deze Hooge Kerkvergadering hem mogt vergunnen, om, ter kwijting zijnes gewetens, zich te onthouden van alle raadplegingen, die over de zaak van H. de Cock bij de Synode zonden worden gehouden, en dit zijn verzoek ook in de gedrukte notulen mogt worden geplaatst.

De Vergadering vond geene zwarigheid om dit bescheiden verzoek van den Heer Reddingius te bewilligen.

Inderdaad, ds. Reddingius stelt zich bescheiden op. De schijn van onpartijdigheid die bij kerkelijke rechtspraak toch al zo gauw zoek is, wordt op deze wijze opgehouden. Elke keer als de „zaak-De Cock” aan de orde komt, vermelden de Handelingen heel getrouw dat ds. Reddingius de vergadering verlaat, samen met ds. Melchior Corstius die uit het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen ter synode was. Dat er onder de resterende synodeleden voldoende partijdigheid overbleef om de schijn te weerspreken, zal ieder duidelijk zijn die bedenkt dat dr. H.H. Donker Curtius door de Koning tot voorzitter was benoemd 6). Hoe partijdig men zich opstelde blijkt al spoedig. Maar eerst benoemt de synode nog - zoals kerkelijke vergaderingen plegen te doen - een commissie:

Daarna zijn al de stukken, tot deze zaak betrekkelijk, gesteld in handen eener Commissie, bestaande uit den Hoogleeraar Clarisse, benevens de Heeren Sluiter en Delprat, met verzoek, om daaromtrent in de zitting van den 10. of 11. aanstaande rapport uit te brengen.

Al lang voor de 10e of 11e juli komt de stemming duidelijk naar voren in het „Overzigt van den staat van het Hervormd Kerkgenootschap, opgemaakt bij de Algemeene Synodale Commissie” door dr. Donker Curtius op de 3e juli voorgelezen (hij was voorzitter van deze commissie), waarin de volgende passage niets aan duidelijkheid te wensen overlaat (blz. 16):

Het onbescheid, met hetwelk een der hoofden van dezen aanhang gematigd denkende mannen des vredes heeft aangevallen, heeft voor het eerst een Kerkbestuur in de noodzakelijkheid gebragt, om maatregelen van gestrengheid aan te wenden, ten einde de rust en orde in de kerk niet ganschelijk zouden worden gestoord. Maar gelukkig voor Donker Curtius c.s.:

Het getal van welgezinden, die in de leer des Evangeliums eene goddelijke openbaring tot ons geluk erkennen, en die gereedelijk het oor leenen aan eene redelijke en vrijgevige voordragt derzelve, is alzins aanzienlijk, en, in vergelijking van hen is het getal der tegensprekers gering.

Als op dezelfde dag het rapport van de genoemde commissie aan de orde komt, wordt het nog iets duidelijker. De commissie rapporteert dat het „Zijne Excellentie, den Minister van Staat, belast met de Generale Directie voor de Zaken der Hervormde Kerk, behaagd heeft, haar gevoelen te vragen” omtrent onderscheiden punten (blz. 34), waaronder dan als vijfde wordt genoemd dat het „Zijner Excellentie” behaagde (blz.38v):

….. de consideratiën en het advies der Synodale Commissie te vragen, wegens den zonderlingen aard der gedrukte stukken 7) van den Predikant H. de Cock, te Ulrum, en hetgeen desaangaande aan Zijne Majesteit, aan wiens geëerbiedigde persoon de schrijver zelf die had toegezonden, zoude behooren te worden gerapporteerd en geadviseerd.

De zaak diens Predikants bij de Kerkelijke Besturen onder het Provinciaal ressort van Groningen behandeld wordende, heeft de Commissie Zijner Excellentie eerbiedig in consideratie gegeven: „om aan die zaak, bij de kerkelijke regtbanken aanhangig, ongestoord haren loop te laten, zonder dat van wege het Gouvernement Zijner Majesteit, omtrent den Predikant de Cock, immers voor alsnog, een buitengewone maatregel genomen wierd.”

Het is de synode dus zonder meer duidelijk hoe de „Generale Directie” ten departemente over De Cock denkt en hoe de Algemeene Synodale Commissie onder leiding van haar voorzitter daarop inspeelde: de synode kan gaan werken aan een „buitengewone maatregel”.

Op de 11e juli 1834 is het dan zover. De commissie brengt haar rapport uit bij monde van de hoogleraar Clarisse. Daar de tekst van dit rapport, voor zover bekend, alleen in deze Handelingen is te vinden, volgt hier dit historisch document (zonder commentaar of toelichting - blz. 129-139):

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.