+ Meer informatie

Openingswoord

13 minuten leestijd

Geachte aanwezigen,

Zo zijn wij dan weer opnieuw bijeen broeders, in dit bekende kerkgebouw om onze jaarlijkse conferentie te houden.

Met enige onderbreking gedurende de oorlogsjaren zijn we met dit werk bezig vanaf 1929.

Dertien maal werd een gecombineerde conferentie van ouderlingen en diakenen gehouden. Daarnaast vergaderden de diakenen 27 maal en vandaag houden wij de 23e ouderlingenconferentie.

Hoeveel brs. hebben jaarlijks de reis naar de verschillende vergaderplaatsen gemaakt, hoeveel onderwerpen zijn reeds behandeld en wat een groot aantal vragen is er aan de orde gesteld.

Het is eigenlijk een wonderlijke zaak dat, wat in ’29 begon in 1970 nog bestaat en dat nog nimmer bij het comité van enige kerkeraad of liever van enig diaken of ouderling de mededeling is binnengekomen dat deze conferenties uit de tijd zijn en we er dus beter mee op kunnen houden.

Dit is nog opmerkelijker wanneer we bedenken dat opzet en karakter van deze dagen vrijwel onveranderd bleven.

Ik geloof niet dat dit moet worden toegeschreven aan de karakterisering van Chr. gereformeerden zoals ik die las in „Trouw” van 29 aug. jl. Daar stond nl. dat wij sympathieke en prettige mensen zijn die niet gauw „kapsones” zullen maken.

Al moet ik toegeven dat u het mij in al de jaren dat ik de conferenties mag leiden niet al te moeilijk hebt gemaakt, daarom zou ik toch nog niet willen zeggen dat uw vriendelijkheid en meegaandheid zover gaan dat u terwille daarvan maar rustig een hele dag in een kerk zoudt gaan zitten luisteren terwijl het u eigenlijk niet zou interesseren.

Het kan ook moeilijk op de leeftijd geschoven worden alsof de deelnemers alleen maar een aantal „in de dienst vergrijsde” ambtsdragers zou zijn.

Zeker, er zijn broeders die we elk jaar weer ontmoeten en zelfs zijn er bij die in het zgn. rustjaar de conferentie niet willen missen.

Daarnaast zien we echter telkens „nieuwe” gezichten terwijl ook geconstateerd mag worden dat de gemiddelde leeftijd der bezoekers in de loop der jaren lager is geworden.

Ik meen dan ook te mogen vaststellen dat deze dagen van betekenis zijn voor ons ambtelijk werk en daarom door de brs. op prijs worden gesteld.

Natuurlijk zou het aantal deelnemers groter kunnen zijn maar dààrbij zullen we rekening moeten houden met de volle agenda’s van vele brs. alsook met het feit dat een groot aantal beslist niet op zaterdag kan vergaderen en voor vele anderen het vergaderen op een andere dag weer grote bezwaren heeft.

Niettemin, het zou kúnnen gebeuren, het gevaar zou kúnnen bestaan dat we toch bezig zijn een traditie te handhaven, zo van: ambtsdragers-conferenties houden we ’nu al zovele jaren dus dat moet zo ook maar blijven.

Wanneer dat het geval zou zijn brs. zou ik zeker vandaag nog voorstellen om het comité onder dankzegging voor de bewezen diensten naar huis te sturen of, om het wat vriendelijker te zeggen: in overweging te geven haar werkzaamheden maar te beeindigen.

Ik doe dat echteT niet en temeer niet omdat het nut van deze vergaderingen in de kerken wordt gezien en erkend.

Zo is het onderwerp waarover we vandaag gaan nadenken mee op verzoek van één onzer classicale vergaderingen op de agenda geplaatst.

Het comité ziet het als haar taak om, óók door middel van deze conferenties voorlichting te geven over zaken waar wij als ambtsdragers mee te maken hebben, waarbij we zeer zeker ook dankbaar zijn de beschikking te mogen hebben over een eigen orgaan n.l. Ambtelijk Contact waarvan we, dacht ik, mogen zeggen dat het in de rij van onze kerkelijke periodieken niet meer gemist zou kunnen worden.

Hartelijk danken we onze eindredacteur prof. dr. W. H. Velema voor het werk dat hij aan ons blad besteedt en niet minder allen die aan het verzoek om over een bepaald onderwerp te schrijven wilden voldoen.

(Onthoudt u even brs. dat suggesties voor onderwerpen zowel voor A.C. als voor de conferentie altijd welkom zijn?)

’t Is geen eenvoudige zaak om in 1970 ouderling te zijn. Wie de tijd waarin wij leven bewust meeleeft (en wie van u zou dat niet doen?) en kennis neemt van wat zich, zeker ook op kerkelijk terrein aan ons voordoet zal vast wel eens de verzuchting slaken: „Ik kom aan het normale ambtelijke werk bijna niet meer toe, de bemoeienissen met allerlei activiteiten nemen, ook voor de plaatselijke kerkeraden steeds groter omvang aan.”

En het is zo. Tal van zaken vereisen studie en overleg zowel voor ouderlingen als diakenen. Ouderlingen zullen met de diakenen mee moeten denken b.v. over de vraag hoe zij in deze tijd hun ambt hebben uit te oefenen: Géén overheidsbemoeiing? Géén veralgemenisering, dan of dus: isolement? Omgekeerd hebben ouderlingen de hulp der diakenen nodig en dan denk ik aan de pastorale taak vooral bij zieken en bejaarden. Doch er zijn méér zaken.

Zowel zorg voor de jeugd als evangelisatie maar ook het zoeken naar eenheid met andere kerken van geref. gezindte, het zijn dingen die de gehele kerkeraad raken.

Ambtsdragers hebben kennis te nemen van alles was zowel op eigen kerkelijk erf als bij onze buren gebeurt.

Wanneer ik in de krant lees dat er vragen leven onder leden van „onze” kerken als: — hoe moeten wij de bijbelse boodschap uitwerken voor de praktijk van elke dag?

— is de kerk nog wel ten volle het krachtcentrum waar wij worden toegerust om de verantwoordelijkheid jegens de samenleving te dragen?

— waarom word je buiten de kerk zo weinig gedragen door mede-gemeenteleden? — waarom wordt, of liever: er wordt in het algemeen zo tijdloos gepreekt. De preken zijn zo op het persoonlijk heil gericht, enz. enz.…

dan ben ik van mening dat zeker ambtsdragers daar goede aandacht aan dienen te schenken.

Ik heb in de publikaties niet gelezen of al deze vragen en opmerkingen in één of meer kerkeraden ter sprake zijn geweest. Dit zal natuurlijk wel het geval zijn want waarom zouden die brs. hun kerkeraad passeren of er op huisbezoek niet over spreken?

Hoe het ook zij, wij moèten weten wat er in de gemeente leeft en om dat aan de weet te komen zullen wij de gemeente moeten kennen, er mee moeten spreken. Hierbij zou de vraag gesteld kunnen worden of het huisbezoek daartoe wel voldoende gelegenheid biedt. De kring voor gedachtenwisseling is dan wat beperkt.

Meerderen van u zullen bemerkt hebben dat bepaalde mensen in de kring van een wijk- of contactavond veel makkelijker spreken dan in de kleine kring thuis.

Ik zou u willen vragen eens na te denken over de vraag of we misschien ook een wat andere methode moeten gaan volgen om de gemeente te benaderen.

Ik wil daarbij direct vooropstellen dat het „gewone” huisbezoek gehandhaafd dient te blijven, hoogstens misschien wat minder frequent tenzij het speciale bezoeken betreft.

Wanneer we bedenken dat er in elke gemeente toch wel mensen zijn die mee willen denken en samen willen spreken over de vragen rond ons kerkelijk leven in engere of ruimere zin dan geloof ik dat wij dat moeten stimuleren en de gelegenheid daartoe moeten scheppen.

Dit zou b.v. kunnen door niet één, doch meer wijk- of contactavonden per jaar te houden. In vele gemeenten is het houden van deze avonden al goed ingeburgerd, doch het blijft meestal bij één avond per jaar. De wijkouderling zal zich natuurlijk voor zo’n avond moeten voorbereiden en daar ook leiding moeten geven. Het mag geen gemeentevergadering worden nog minder een klachtenavond over prediking of leiding van de kerkeraad. Daarvoor zijn andere wegen. Ik stel mij echter voor dat als men er eenmaal mee begint en b.v. om de twee maanden herhaalt en daarbij afspreekt waarover een volgende keer van gedachten gewisseld zal worden, dit zegenrijk kan werken en dat, zonder lange inleidingen te houden over b.v. gemeenschapsbeleving, de gemeenschap in de praktijk reeds beleefd wordt. Denkt u er maar eens over na.

De opmerkzame luisteraar zal uit het voorgaande bemerkt hebben dat ik mij wat kritisch opstel tegenover de opgerichte of op te richten bezinningsgroepen.

De opbouw van het kerkelijk leven bevorderen is natuurlijk een prijzenswaardige zaak maar ik kan niet inzien waarom wij daarvoor een — Iaat ik het zo noemen — nieuwe organisatie in het leven moeten roepen. Een kortere en meer directe weg lijkt mij het contact zoeken met eigen gemeenteleden en dan de groepen liefst zo geschakeerd mogelijk, daarbij vooral de oudere jeugd niet vergetend.

Ik geloof dat de reportage op de kerkeraadsvergadering meer stof tot bespreking zal geven dan nu vaak het geval is en een beter of zo u wilt regelmatiger gesprek over de prediking enz. tot gevolg zal hebben.

Ja, ik noem daar nu zo dat gesprek over de prediking.

Wellicht vindt u dat allemaal wel noodzakelijk maar het valt mij in gesprekken zowel met predikanten als andere ambtsdragers telkens weer op dat het toch eigenlijk maar zo weinig gebeurd, óók in vacante kerken. En toch zullen we er goed op bedacht moeten zijn, broeders, dat ook de prediking onder onze verantwoordelijkheid valt. U is mede verantwoordelijk voor de wijze waarop uw predikant Gods Woord verkondigt en de gemeente leidt, evengoed als u mede verantwoordelijk is voor de gang van zaken op kerkelijke vergaderingen. Het lijkt er soms op dat men zich maar het liefst aan de regel houdt: „Wie weinig zegt heeft ook weinig te verantwoorden”, maar dat is natuurlijk niet waar.

Het bevestigingsformulier spreekt van „meeregeren en van toezicht nemen op de lering en wandel der dienaren des Woords alsook om hen met goede raad behulpzaam te zijn.”

Het mag dus niet voorkomen dat uw predikant een eenzame figuur wordt in de gemeente. Hij heeft recht op uw hulp en steun. Dat betekent echter niet dat u altijd „ja” moet zeggen, het zal ook wel eens „neen” moeten zijn al is dat misschien soms moeilijk.

Ouderlingen zijn aangesteld opdat door hun dienst „uit de gemeente Gods temeer geweerd worde alle tirannie en heerschappij die lichter kan inbreken wanneer bij één alleen of bij zeer weinigen de regering staat.”

Dat ook gewaakt dient te worden voor tirannie en heerschappij over predikanten zal zonder meer duidelijk zijn.

Genoeg hierover. Ik hoop dat u de bedoeling begrijpt.

Graag wil ik u herinneren aan de mededeling die ik u vorig jaar deed inzake de oprichting van een vormingscursus.

U hebt kunnen lezen dat voor deze cursus de belangstelling boven verwachting is. Elke keer opnieuw is de opkomst prima en het is een leergierig gezelschap van ouderen en jongeren, dames zowel als heren. Als u cursisten in uw gemeente heeft moet u hen maar eens vragen op een wijk- of contactavond over één of ander onderwerp iets te vertellen. Er is gespreksstof genoeg.

Op gevaar af van teveel tijd in beslag te nemen wil ik tenslotte nog even stilstaan bij dat, wat wij aan het begin gezongen en gelezen hebben.

Mogelijk dacht u dat het alleen bedoeld was i.v.m. de Kerkhervorming waaraan wij vandaag, 31 oktober weer in ’t bizonder denken. En u heeft gelijk: wij zullen ten deze ook de daden des Heren moeten blijven gedenken zelfs al vinden velen de geschiedenis der kerk een dorre en droge zaak.

Hoe verder wij van de reformatie af komen te staan hoe meer het gebeuren van toen zal verbleken.

De zegenrijke gevolgen van die daad zijn echter nu nog ons deel. Ook voor de ambten was Luthers daad van grote betekenis.

Prof. v. d. Meiden schreef in „Luctor et Emergo” van nov. ’33 over de reformatie:

„Groot is het werk waartoe de Heere Luther heeft gebruikt. Onberekenbaar is de zagen door hem geschonken. Welk een zegen liet de reformatie na. Welk een zegen hebben de preeken en geschriften van Luther verspreid. Van welk een zegen is de bijbelvertaling geweest. Groot is het werk Gods door hem.”

De „les der geschiedenis” zullen wij ook moeten doorgeven waar het de geschiedenis van de kerk der afscheiding betreft.

’t Is waar, ook op dit terrein verflauwt d”. belangstelling en dat zal zeker doorgaan als de ouders èn de kerk ten deze nalaten „de daden des Heren” te vermelden.

U zult allemaal in eigen kring wel mensen ontmoeten die zeggen: we moeten ruimer denken, 1834 en 1892 liggen al zover achter ons. Daaruit blijkt echter m.i. dat „kerkelijk besef” een schaars artikel geworden is. Je loopt de kans dat, wanneer je daarover spreekt schouderophalend over ouder-domsverschijnselen gesproken wordt.

Hoevelen zeggen niet: „Als mijn ouders hervormd of rooms waren geweest zou ik dat nu wellicht ook zijn”.

Op het eerste gehoor misschien wel waar maar men zal toch niet moeten en mogen vergeten dat het geboren worden in een chr. geref. gezin geen toevallige omstandigheid is terwijl bovendien iedereen de mogelijkheid heeft om het „hoe” en „waarom” der dingen te onderzoeken.

De voorzitter van de Jongelingsbond, ds. H. Janssen schreef in 1934:

„Onze jongelingen en jongedochters moeten twee dingen grondig weten: wat God in 1834 en wat Hij in 1892 gedaan heeft. Beide jaartallen hebben voor ons opkomend geslacht wat te zeggen en het verband tusschen de gebeurtenissen die in die jaren hebben plaats gevonden moet ze glashelder voor de geest staan. Wij moeten het ons-zelven levendig bewust zijn en het moet ons vóór alles duidelijk zijn dat wij in 1892 niet anders hebben gedaan dan gehandhaafd en voortgezet wat in 1834 in Ul-rum onder de zegen des Heeren begonnen is”. (Luctor et Emergo 29e jaarg. no. 24).

Ds. Janssen zou vandaag beslist niet meer spreken van jongelingen en jongedochters maar wel zou hij aan „tieners” en „twen-ners” hetzelfde voorhouden, en hij niet alleen.

Het ging èn in 1834 èn in 1892 om de ere Gods en de gezonde leer en daar zal het ons vandaag zowel in eigen kerkelijk leven als in het samenspreken met andere kerken ook om moeten gaan.

U hebt er op toe te zien, ook als, ja juist als ambtsdragers dat die „gezonde leer” aan de kinderen wordt voorgehouden in huis en op de catechisatie (over de scholen wordt vandaag nog wel meer gesproken).

Ouderling zijn in 1970 is waarlijk geen eenvoudige zaak. Wanneer we leven bij Gods Woord en daarnaast kennis nemen van wat via de moderne communicatiemiddelen tot ons komt weten we dat het steeds moeilijker wordt om „het pand te bewaren”. Er wordt van ons niet gevraagd dat wij dat laatste te pas en te onpas zèggen en bij wijze van spreken als stopwoord gebruiken maar wèl dat we getrouwe en oprechte voorgangers zijn.

De opwekking en vermaning aan Timo-theus geldt ook vandaag nog voor ons, voor de kerk en de ambtsdragers in die kerk.

Dat het moeilijk is ondervinden we dagelijks. Dat we van onszelf onbekwaam zijn tot dit alles zullen we, dacht ik, steeds weer ontdekken maar we behoeven het werk gelukkig niet alleen te doen en niet in eigen kracht want we belijden toch dat de Here ons geroepen heeft. Zijn werk mogen we werken in de wetenschap dat Hij ons ook de kracht geeft. Laten we daarom al onze verwachting op de Here alleen stellen. Hij toch is een toevlucht voor allen die Hem aanroepen. Laten we daarvan op deze hervormingsdag zingen met de woorden van het Lutherlied:

Een vaste burcht is onze God, en:

Gods Woord houdt stand in eeuwigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.