+ Meer informatie

SAMEN OP WEG BIJNA AAN HET EIND?

23 minuten leestijd

Drie stadia

Het lijkt erop dat het historische proces van het “Samen op Weg” het doel heeft bereikt. Eerst was er sprake van een ondememing, waarbij de partners in een vorm van gezamenlijkheid zich op weg begaven. Dit was in het stadium van de verkenning. Men trachtte al doende te weten te komen welke Problemen zich voordoen bij een vereniging, hereniging of hoe men het ook maar wilde noemen, van twee of drie kerkformaties.

Er zijn wat dit betreff, immers verschillende mogelijkheden voorhanden. Onze eigen kerkorde kent vormen, die wij aanduiden met begrippen als contact, correspondentie of relatie. Daarbij worden dan nog weer nadere onderscheidingen toegepast. Men spreekt van correspondentie in volledige zin of correspondentie in engere zin. We trachten op die manier de verhouding aan te duiden die wij met sommige kerken hebben. Maar dan gaat het vooral om kerken in het buitenland.

Wanneer er contacten zijn met gereformeerde kerken in het binnenland krijgen we de terminologie die nu te vinden is in bijlage 6 van de kerkorde. Daar is sprake van nauwer samenleven als een vorm van gestalte geven aan de eenheid tussen kerken van gere-formeerd belijden op het plaatselijke vlak. Op deze manier vinden we in onze eigen kerkorde bepalingen die uitdrukking kunnen geven aan een welomschreven vorm van eenheid tussen de kerken.

In de Christian Reformed Church spreekt men, als het over deze dingen gaat, graag over ecclesiastical fellowship, kerkelijke gemeenschap. Het is blijkens de praktijk een nogal rekbaar begrip, dat naar gelang van de omstandigheden kan worden ingevuld en gehanteerd en zelfs opgerekt.

Het ligt voor de hand, dat men in dit eerste verkennende stadium van het Samen-op-Weg-proces zich had te oriënteren inzake de mogelijkheden, die in de Nederlandse situatie zouden kunnen worden gehanteerd. Dit te meer, omdat in de grote oecumenische beweging tal van voorbeelden te vinden zijn van toenadering in fasen: intercommunie, federatie, wederzijdse erkenning, kerkelijke unie, corporatieve vereniging, conciliaire gemeenschap enz. In het verkennende stadium moest men over de mogelijkheden die nu van toepassing zouden kunnen zijn, een standpunt innemen.

In het tweede stadium werden de dingen meer concreet. Deze periode werd ingeluid met de beslissende uitspraak van de synoden, dat men zich in staat van hereniging bevond. Twee begrippen speelden hier door elkaar. Het eerste begrip is statisch. Het tweede is dynamisch. De staat van hereniging droeg van deze tweeheid een duidelijk teken. Enerzijds was er de overtuiging dat men niet terug kon en niet terug wilde. Anderzijds was het in veel opzichten nog een zoeken en tasten. Beslissend was echter het besluit, dat de twee kerken (het ging immers voornamelijk om de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken) zich op de weg bevonden, die naar kerkelijke eenheid moest leiden. Het was echter op dit moment nog de vraag welke vorm die eenheid zou vertonen. Zou het een eenheid zijn die het karakter zou vertonen van de vroegere Hervormde Kerk, of zou de ene kerk de sporen dragen van de Gereformeerde Kerken, met een zekere congregationalistische inslag. In dit tweede stadium werd langzamerhand duidelijk, dat de kerken kozen voor het Hervormde model, zoals dit met name sinds de jaren vijftig van deze eeuw was gestileerd in de “nieuwe kerkorde”. Het derde stadium is nu ingegaan met de beslissing die genomen werd ten aanzien van de naam en met betrekking tot de kerkorde. De naam zal zijn Verenigde Protestantse Kerk in Nederland. Het begrip reformatorisch is uit de naam verdwenen. Men is nu protestants. Daarin ligt, zo lijkt het, een zuivere keuze tegenover het rooms-katholieke. De naam “protestants” gaat terug op het begin van de Reformatie, toen de evangelischen zich in het strijdgewoel van het politieke leven begaven en daar vrijheid claimden voor hun eigen overtuiging.

Op die naam, protestants, is niet veel aan te merken. Zij behoeft niet louter negatief te klinken. Zij verklaart in feite dat men een positief getuigenis aflegt. Maar men kan tegelijk betreuren dat de aanduiding “reformatorisch” en ook die van “evangelisch” niet meer te harteren waren, omdat zij blijkbaar in betekenis verschoven zijn. Maar een beslissing die nog belangrijker is, en waarmee een zeer principiële keuze werd gedaan, is die omtrent de kerkorde. Nadat zij in een voorlopige vorm aan de openbaarheid werd toevertrouwd, is zij nu in een vrijwel definitieve vorm de kerken ingezonden. De trio-synode van begin Oktober 1993 aanvaardde haar. De kerkelijke vergaderingen hebben zich nog over haar uit te spreken. Ook nu houdt derhalve de toekomst nog enkele vragen in haar schoot: zal de kerkorde zo worden aanvaard? Zal zij mogelijk op sommige punten nog worden bijgesteld?

Maar men mag, denken we, aannemen dat deze kerkorde, aanvaard zal worden en dat aan het karakter ervan, zoals zij nu voor ons ligt, weinig principieels meer zal veranderen. Daarom lijkt het niet gewaagd om enkele opmerkingen te maken die voor het begrijpen van de situatie niet onbelangrijk zijn.

Hervormd en gereformeerd kerkgevoel

In het “Samen op Weg” hebben voornamelijk twee kerkelijke tradities, naar het schijnt, elkaar gevonden. De hervormde manier van denken en de gereformeerde treffen elkaar in een gemeenschappelijke nood. We willen in dit opzicht niet allereerst denken aan een gezamenlijke financiële nood. Er zijn boze tongen genoeg, die het hele proces van het “Samen op Weg” herleiden tot een acute financiële dreiging die over de kerken zou hangen. Het lijkt oppervlakkig wanneer men op dit terrein de diepste motieven zou zoeken voor een samengaan van de kerken. De economie die de samenleving al meer dan voldoende in haar greep heeft, zou op deze manier een te groot accent ontvangen. De bewijzen daarvoor zijn niet voorhanden. En het siert de kerken ook niet wanneer men op dit terrein de eigenlijke factor zou zoeken voor de pogingen om tot hereniging te komen. Het siert ook de criticus niet, die juist hier het laatste motief zou willen aanwijzen voor wat er in Nederland op kerkelijk-geestelijk terrein aan de hand is.

Het is de nood van de secularisatie die de kerken naar elkaar heeft toegedreven. Onder secularisatie verstaan we in dit verband het ontstellende feit dat de kerken hun plaats in de samenleving moesten prijsgeven. Zij hebben sinds eeuwen een sterke invloed kunnen oefenen. Vooral de Hervormde Kerk heeft zich enkele eeuwen sterk kunnen maken in haar relatie met het publieke gebeuren. Zij heeft zelfs voor een goed deel haar positie in de negentiende eeuw te danken aan haar coöperatie met het establishment.

Daarin school de oorzaak van de vervreemding van een zeer positief gereformeerd volksdeel, die aanleiding gaf tot de Afscheiding en de Doleantie in de vorige eeuw.

De “nieuwe kerkorde” van 1951 heeft aan die positie wel wat veranderd. Getuigenis en apostolaat richtten zich op het gehele volk. En men kan daarachter zeer positieve elementen herkennen. Maar vooral sinds de jaren zestig is er een geest vaardig geworden, die kerk en samenleving uit elkaar dreef. De secularisatie sloeg toe in de theologie, met haar openheid naar de wereld. Zij was duidelijk waarneembaar in de kerkelijke activiteiten die wereldgericht waren, diaconaal wanneer men wil. De secularisatie bleek in haar consequentie nog het sterkst in de kerkverlating, die velen van de kerk vervreemdde.

De Hervormde Kerk kon bij deze ontwikkeling jarenlang steunen op een sterke Hervormde traditie, die in staat bleek om menige stoot op te vangen. Maar uiteindelijk moest ook zij erkennen, dat de tijd van het corpus christianum, de tijd van het christelijke gemenebest, voorbij was. En dat ook zij steeds meer een kerk werd die berustte op de vrijwillige keuze van haar leden. Er was wat dit betreff weinig vanzelfsprekends meer aanwezig.

De Gereformeerde Kerken hebben, zo mogelijk, nog sterker te maken gekregen met een verwereldlijking, die van binnen uit toesloeg. Na het tijdperk van Kuyper en Bavinck, waarin het rijke gereformeerde leven zich kon ontwikkelen, volgde een tijd van verzakelijking. Onnoemelijke schade werd aangericht door het theologisch en kerkelijk conflict tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er was sindsdien slechts één kerkrechtelijk beginsel dat werkelijk de situatie beheerste: “dat nooit weer”.

Zo kon het gebeuren dat een soort van vrijzinnigheid binnen de Gereformeerde Kerken een kans kreeg, die onvoorstelbaar grote invloed won. De synode kon uitspraken doen - zij deed dat ook - maar men behoefde er niet mee te rekenen. Het kerkrecht bood immers geen enkele mogelijkheid tot principieel verweer. In de kerkrechtelijke traditie was te veel beweging, dan dat er een vaste lijn kon worden aangegeven. Overheerste eerst een gevoelen dat veel weg had van het congregationalisme, later kwam er een sterke synodale stroming, die echter, omdat ze te ver werd doorgevoerd in haar tegendeel omsloeg. Het kerkverband werd machteloos, terwijl hetzelfde kerkverband tegelijk in de synode de plaats werd van menig experiment: dat van de kindercommunie, dat van de intercommunie, en dat van een brede oecumene, waaraan echter het karakter van een ware gereformeerde katholiciteit ontbrak.

De traditie bleek geen innerlijke kracht te hebben, die samenhang vond in het belijden van de gemeente. Wél bleef er een soort van gereformeerd kerkgevoel, dat voor de waarneming van de buitenstaander bij tijden bepaald wordt door de mentaliteit van de mens die zijn eigen positie in staat en maatschapij heeft weten te verwerven met veel inzet. Deze mentaliteitsfactor wordt in toenemende mate binnen het Samen op Weg proces een sta-in-de-weg voor de Bonders.

Zij hebben hun kerkgevoel weten te voeden aan een vasthoudendheid in confessionele zin. Zij dragen, althans de echte Bonders - wel te onderscheiden van hen die het vanaf het begin niet waren en later de weg van de Bond hebben gekozen - zij dragen een kerkgevoel met zich, dat een sterk traditioneel element in zich heeft. Eigenlijk vormen zij de Hervormde Kerk.

Krachtens de papieren én krachtens hun emotionele en financiële betrokkenheid hebben zij daarin het gelijk aan hun kant. Zij hebben in een traditie van tientallen jaren een uitdrukking aan hun kerkgevoel weten te geven, waarin zij van hun belijdenis weinig of niets prijs gaven, en waarin zij tegelijk een wijze van kerkelijk verkeer met andere modaliteiten hebben weten te ontwikkelen, die het mogelijk maakte menige crisis binnen de Hervormde Kerk het hoofd te bieden.

De invoering van de “nieuwe kerkorde” was voor hen zo’n crisis. De Bonders hebben deze weten te pareren door een passend gebruik te maken van de mogelijkheden die zij bood tot het voortzetten van een eigen kerkelijke gang van zaken binnen de kerk zelf. De kwestie van de vrouw in het ambt was voor hen evenzeer een crisis. Zij hebben in dit geval zelfs gedreigd met een breuk, maar die is niet gekomen. Zij wisten een modus vivendi te ontwikkelen, die voortgang verzekerde van hun eigen kerkelijk leven, dat vanuit de Bond en zijn organen gewetensvol en krachtig wordt geleid.

Zij hebben zodoende de kritiek van buiten af weten te doorstaan, maar ook die van binnen uit. De laatste was zeker niet altijd even mals. Men ziet dat de relatie van kerk en theologie ook binnen de Bond soms op een sterke spanning kwam te staan. Maar men hield uit en men hield vol. En zo staat de Bond tot op de huidige dag.

Wat verandert er met de Nieuwe Kerkorde?

Nu is de Nieuwe Kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland haar reis begonnen naar de kerkelijke vergaderingen. We zijn benieuwd hoe zij terug zal komen. Welke opmerkingen zullen gemaakt worden? Welke Verbeteringen zal men voorslaan? Ook nu is het immers nog een concept-kerkorde, die nog niet in een definitieve vorm is gegoten. Veranderingen zijn nog denkbaar.

Maar het mag wel gezegd worden dat er, in vergelijking met de kerkorde die in 1951 werd ingevoerd, in principe reeds het een en ander is gewijzigd. Ik denk hierbij aan de opsomming van de belijdenisgeschriften, waaraan de kerk op een bepaalde manier haar binding uitspreekt. Te denken valt ook aan het karakter van de gemeente, die voortaan kan bestaan uit leden die de kinderdoop wel en uit leden die de kinderdoop niet aanvaarden. De plaats van de “meelevende” leden is niet helemaal duidelijk aangegeven. De viering van het Avondmaal heeft plaats in het midden van de gemeente. Daarbij speelt de vraag of kinderen aan het Avondmaal kunnen deelnemen. De kerkorde ruimt, gezien een aantal bepalingen, wel een heel bijzondere plaats in aan de Lutherse Kerk. Zij behoudt een omschreven positie, die de vraag doet rijzen of er werkelijk van één kerk sprake is. Een omissie is het te noemen dat de hele kwestie van het huwelijk in de gemeente van Christus eenvoudig niet ter sprake wordt gebracht. Er zouden zeker nog andere punten te noemen zijn. Maar we zouden, indien we de kerkorde als geheel zouden willen bespreken, meer ruimte nodig hebben dan in één artikel kan gebeuren.

Daarom aandacht gegeven aan deze genoemde zaken. Daarvan is de band aan de belijdenis op zichzelf wel een van de belangrijkste. Eigenlijk zou men kunnen spreken over een belijdende kerkorde. Er worden immers tal van uitspraken gedaan die rechtstreeks belijdend van aard zijn. De Verenigde Protestantse Kerk is gestalte van de ene heilige katholieke of algemene christelijke kerk, die zich, delend in de aan Israël geschonken verwachting, uitstrekt naar de komst van het Koninkrijk van God. Zij hoort en verkondigt het Woord. Zii belijdt de drieënige God, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als aan de enige bron en norm van verkondiging en dienst.

Op zichzelf zijn dit reeds belijdende uitspraken. Men kan over de inhoud daarvan lang en breed spreken. Het heeft een bepaald voordeel wanneer op deze manier in de kerkorde zelt de toon van de belijdenis wordt aangeslagen. Men vindt het op deze manier niet altijd in de traditie die achter ons ligt.

Men mag ook wel beducht zijn, dat deze confessionele preambule in de plaats zou kunnen komen van de belijdenis zelf. Het zou interessant zijn om te onderzoeken op welke manier deze confessionele start strookt met de inhoud van de belijdenisgeschriften, die immers op het punt van de kerk ook wel iets te zeggen hebben. We kunnen dit onderzoek thans niet verrichten en we laten het dus bij de constatering van de wenselijkheid ervan.

Dit klemt te meer, omdat ook hier de band met de belijdenis weer zodanig is geformuleerd, dat er voor een formele afwijking van de geschritten waarin die belijdenis is vervat ruimte genoeg is. “Het belijden van de kerk geschiedt in gemeenschap met de belijdenis van het voorgeslacht”. We kennen dergelijke formuleringen, die voor een goedwillende lezer beslist geen moeilijkheden behoeven op te leveren. Maar is de goede wil er niet, dan is er ruimte om met een beroep op “het belijden” van nu de belijdenis van vroeger los te laten. Het is het oude probleem. In 1816 ging het om de proponentsformule, die zodanig was opgesteld, dat er ruimte in zat voor afwijking van de belijdenis. Dat probleem is hier niet ondervangen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook uit de geschiedenis meer dan eenmaal gebleken is dat een handtekening onder de belijdenis niet alles zegt.

Het punt op zich is van betekenis. De kerken vinden elkaar niet allereerst in de kerkorde, maar in de belijdenis. Zo was het in 1571, toen voor het eerst het kerkverband van de Gereformeerde Kerken alhier te lande werd geconstitueerd. Het geldt ook vandaag nog. Schrift en belijdenis vormen de grondslag van het kerkverband, zoals zij ook de band der eenheid vormen voor de plaatselijke kerk.

In dit concept is rekening gehouden met de kritiek die werd ingebracht tegen de vermelding van de Leuenberger Konkordie en de Barmer Thesen. In een eerder stadium werden deze twee vormen van belijden rechtstreeks in de grondslag van de kerk opgenomen. Nu staan ze in een afzonderlijk artikel vermeld. Deze materie laat ik hier rusten. Zij is in een bijdrage aan de orde gesteld door ds. M. Drayer.

De gestalte van de gemeente

De kerkorde biedt een bepaald beeld van de gemeente. Volgens oude gereformeerde traditie groepeert deze zich als belijdende gemeente rond het Heilig Avondmaal. De gemeente die het Lichaam des Heren onderscheidt, is ook zelf het Lichaam van Christus. Men treedt daarin binnen door de doop. Het verbond Gods wordt aan de kinderen betekend en verzegeld. Dat was de intentie van Dordt. In die sfeer is er geen twijfel mogelijk over de vraag of de kerk de doop ziet als kinderdoop. De oude formulieren van de kerk spreken daarover een duidelijk taal. Intussen is echter in de wereld van de oecumene een visie ontwikkeld, die ruimte vraagt voor andere opvattingen. Het stuk van de Wereldraad over doop, belijdenis en avondmaal (het z.g. Limarapport) spreekt op een manier die de tradities aan elkaar praat. En in deze kerkorde is een formulering gekozen, die blijkbaar ruimte wil bieden aan een opvatting die uitgaat van de kinderdoop, én een die de doop op belijdenis voorstaat: “De doop wordt bediend aan hen voor wie of door wie de doop begeerd wordt, nadat het geloof door en met de gemeente beleden is”. Een knappe formulering, maar tweeduidig! In richtlijnen die de kerk nog heeft te stellen, wordt de verantwoordelijkheid van de kerkeraad gestipuleerd. Naast de leden en doopleden erkent de kerkorde ook een bijzondere band die de gemeente onderhoudt met de niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden.

We beluisteren hier de zorg die oudtijds de Hervormde Kerk droeg voor haar meelevende leden. Hier wordt de verbondenheid aan de gemeente zeer ruim opgevat. Op dit punt lijkt een zekere confrontatie met de opvattingen zoals deze binnen de Gereformeerde Kerken werden gevonden, evident. De Afscheiding huldigde althans in het Noorden van het land een opvatting, die in de praktijk ook beoefend werd door Hendrik de Cock en die overeenstemde met deze ruime Hervormde opvatting.

Maar in tegenstelling tot deze visie staat dan wel de gedachte die in deze kerkorde wordt “toegelaten”, namelijk dat de avondmaalstafel gemakkelijker toegankelijk is ook voor kinderen. Het liet zich denken na al wat in de laatste jaren werd gezien in de Hervormde en ook in de Gereformeerde Kerken. Eerst op de manier van een tegengesproken experiment, daarna op de wijze van een gelijkwaardige mogelijkheid, en nu in de kerkorde als een wettige aangelegenheid: kinderen aan het Avondmaal. De hele problematiek daaromtrent blijft ook hier onbesproken. Maar het totaalbeeld van een belijdende gemeente verandert in meer dan een opzicht.

Het model dat in de gereformeerde traditie met grote zorg, weloverwogen een plaats kiezend tussen Rome en de dopers in, was tot stand gekomen, is hier losgelaten.

Dit houdt in dat er een verandering in de beschouwing der gemeente tot stand is gekomen, waarbij haar wezen in geding is. We vergissen ons niet, wanneer we aannemen dat het totaalbeeld van de gemeente, zoals het hier vorm krijgt, strookt met opvattingen omtrent de kerk, die niet helemaal meer in overeenstemming zijn met hetgeen de belijdenis omtrent de kerk uitspreekt.

De Dordtse kerkorde is in zekere zin een vormgeving in de kerkelijke structuur van de leer der genade zoals Dordt die verwoordde. Men zou de stelling kunnen verdedigen dat de Leerregels van Dordt en de kerkorde van Dordt, wat de grote lijn aangaat, op elkaar zijn afgestemd. Zij vormen van dezelfde zaak een afspiegeling, eerst binnen de sfeer van het belijden en dan binnen de sfeer van de vormgeving van de kerk.

Het zou interessant zijn om na te gaan welke leer omtrent de kerk achter deze kerkorde schuil gaat. Ook dat probleem laten we rusten. We hebben intussen wel een vermoeden. Het gaat om een vorm die past bij een vrij onbestemde ecclesiologie van het kaliber dat vandaag op de theologische markt geleverd wordt.

Een omissie noemden we het feit dat er over het huwelijk, zoals dat in de gemeente van Christus een plaats had gekregen, helemaal niets meer gezegd wordt. Men zou dit kunnen verdedigen met de opmerking dat het hier gaat om een zaak die de overheid heeft te regelen. Maar wat gebeurt er, wanneer de overheid hier nogal wat over haar kant laat gaan? Moet de kerk dan niet haar eigen zelfstandig oordeel over de dingen tot uitdrukking brengen, ook inzake het huwelijk?

We laten het nu bij deze enkele opmerkingen. Er zou eigenlijk nog het een en ander gezegd moeten worden over de inrichting van het kerkverband. Daar schuilt immers ook nog menig probleem. Moet men denken vanuit de synode, vanuit het verband, of dient men te denken vanuit de plaatselijke kerk?

Het is de oude kwestie, die sinds de Doleantie eigenlijk pas goed is gaan wegen. Men kan haar aanduiden met de term “oud” of “nieuw” kerkrecht. Maar onze hervormde broeders zullen dat niet direct kunnen volgen. De benaming ziet immers op de omslag die binnen de Gereformeerde Kerken plaats vond rond 1926. De Doleantie kende een kerkrecht, waarbii het volle gewicht kwam te liggen op de plaatselijke kerk. Deze was autonoom, d.w.z. met inachtneming van de gehoorzaamheid aan Christus wist zij zich vrij en zelfstandig ten opzichte van synode en ten opzichte van andere kerken.

We menen in het concept-kerkorde een tegenovergestelde visie te kunnen opmerken. En dat is begrijpelijk, maar tegelijk betekent het weer een omslag in het gereformeerde kerkrechtelijke denken. Men zou kunnen vragen, wie er het meest hebben ingeleverd bij dit concept. Maar die vraag wordt niet eenstemmig beantwoord. Dat hangt af van de plaats die men in het gehele proces innam als deelnemer of daarbuiten als toeschouwer.

Participant of waarnemer

De kwestie ligt niet eenvoudig voor onze broeders, de Bonders, die in het begin aan het geheel hebben meegedaan. Zij zien de toekomst van de Verenigde Protestantse Kerk niet met blijdschap tegemoet. Men moet voorzichtig zijn met het formuleren van wat er aan de hand is. De gereformeerden willen beslist van geen terugkeer spreken. Zij keren niet terug. Zij gaan ook niet op in, maar zij leveren hun bestaan in terwijl ze tegelijk iets geheel nieuws beginnen. Zo willen zij de situatie het liefst zien.

Maar de Bonders zien hun komst, hoe zijzelf daar ook over mogen denken, als een terugkeer. Maar dan als een terugkeer van afgedwaalde broeders, die in hun midden menige ketter bergen. Ze keren veel ongereformeerder terug dan ze er uitgingen. Bovendien zouden sommigen van hen net liefst zien dat zij met schuldbelijdenis terugkeerden. Daarvan is al helemaal geen sprake. En zo gaat het proces door, terugkeer of niet, vereniging of hereniging, hoe men het ook noemen wil, het proces dat voor de Bonders moeilijk te accepteren is. Confessioneel gesproken begrijpen wij hun zorg volkomen. Deze nieuwe kerkorde zal, naar het lijkt, weinig bijdragen aan een nieuw élan, aan werkelijke inspiratie, aan een fundamentele herleving van het protestants karakter van de natie en evenmin van de kerk.

Maar de vraag is niet ongepast: verandert er principieel nu erg veel voor de Bonders? Ds. P. van den Heuvel, zelf lid van de Gereformeerde Bond, schreef in de kleine brochure, die een dienst wil verlenen bij het te voeren gesprek in de Bondskringen, dat naar zijn vaste overtuiging er geen grond bestaat voor de vrees dat er voor reformatorisch denkende christenen en gemeenten in de Verenigde Kerk geen plaats zal zijn. “Het ontwerp-kerkorde, dat aan u is voorgelegd, geeft geen enkele aanleiding om dat te denken. Integendeel, ik ben van mening dat er voor hen juist een belangrijke roeping in deze kerk ligt, om vanuit het reformatorisch verstaan van het Evangelie medeverantwoordelijkheid te dragen voor het geheel van het kerkzijn in al zijn verbanden. Dat is pas echt hervormd zijn: als we bereid zijn samen met de ander kerk te zijn” (P. van den Heuvel, In Gesprek… Over de nieuwe Kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, 1994, blz. 32).

Ik moet ds. Van den Heuvel gelijk geven. In de positie van de Bond verandert er weinig. Zij hebben een wijze van omgaan met andersdenkenden weten te ontwikkelen binnen de Hervormde Kerk, die onmiddellijk is gegeven met hun “geloofsartikel” dat de Hervormde Kerk de kerk der vaderen is, waarbinnen het verbond Gods ligt. Zij zouden hun bestaan verliezen juist als Bonders, als ze dit “geloofsartikel” zouden opgeven, zelfs wanneer de Verenigde Kerk belijdenis en kerkorde der vaderen devalueert. Want men kan als Bonder slechts de waarheid verbreiden binnen de Hervormde Kerk. Bovendien, de Bond is geen kerk, maar een organisatie, gericht op de kerken. Hij heeft wel een adresboekje, maar geen kerkelijk jaarboek. Zij kan niet aangeven hoeveel Bondsgemeenten er zijn. Want wanneer deze zich exact zouden openbaren, bijvoorbeeld op een kerkelijk congres met afgevaardigden zoals Kuyper dat in het vat goot, dan zou het ideaal reeds zijn prijsgegeven. Bovendien denkt men binnen de Bond ook geheel verschillend over de zaak. Er zijn voorstanders, uit principe en evenzo zijn er tegenstanders uit beginsel. Er zijn zeer bevindelijk-onverschilligen en er zijn er die tegen het separatisme aanzitten. Wat zou er van de arme “Bondsgemeenten” overblijven wanneer het onverhoopt tot een scheuring zou komen?

Daarom lijkt het ook slechts, het zij mij vergeven, een ludieke speelsheid der gedachten, om zoals de laatste tijd gebeurd is, te veronderstellen dat de Acte van Afscheiding en wederkeer eindelijk eens weer geldig ter sprake gebracht zou kunnen worden. Dán namelijk, wanneer de Bonders de Hervormde Kerk zouden “voortzetten”, die dan op slag weer de zuivere kerk der vaderen zou zijn. Teruggekeerd en wel. We achten dat het een onredelijk zware hypotheek is, die wij op het conto van de Bond bijschrijven. Onze broeders daar hebben het al moelijk genoeg. We moeten hen niet opzadelen met de frustrerende gedachte dat zij de toekomst van de afgescheidenen in handen hebben en dienen te redden. Dat zou meer dan onbillijk zijn. Daarom genoeg hierover.

Men kan echter over de Samen-op-Weg-kerkorde niet denken zonder de eigen kerkorde in herinnering te roepen. We hebben vele ellendigheden en gebreken in deze kerkorde aan te wijzen. Maar wat te denken van de gebreken die we constateren in het naleven of simpelweg in het waarderen van een gezond confessioneel kerkordelijk leven onder ons?

Ik laat het thema los van een twee, drie kerken, die elkaar in een geseculariseerde tijd hebben weten te zoeken en te vinden. Wij behoeven geen kerkorde te ontwerpen, we behoeven geen belijdende artikelen te bedenken. We behoeven slechts te beleven wat we hebben in de belijdenis en in de kerkorde. Dan zullen we anders aankijken tegen ons eigen kerkelijk leven, en tegen dat van die kerken met wie we met het oog op de toekomst, in gesprek zijn.

Zo mag een verkennende bespreking van deze ontwerp-kerkorde eindigen met een herinnering die ook hier geldt: onze kerkorde is, als het er op aan komt, tot op zekere hoogte onhanteerbaar binnen een situatie van kerkelijke verdeeldheid. Een van tweeën: We proberen de situatie naar onze eigen kerkorde te veranderen; Dan zal er buiten de Hervormde Kerk lets moeten gedaan worden aan een samen-op-weg van allen die waarlijk gereformeerd willen zijn. Of wij passen de kerkorde aan bij de situatie en we voegen enkele kerkordelijke artikelen in, die op basis van de pluriformiteit der kerk de onderlinge verhouding tussen waarlijk gereformeerde kerken nader omschrijven. Wij bevinden ons niet in staat van hereniging met deze kerken, het zij toegegeven. Maar hoe lang zouden we nog gelegenheid hebben om permanent in een staat te verkeren van altijd maar voortdurende en blijvende bezinning?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.