+ Meer informatie

De jeugdouderling

9 minuten leestijd

De laatste jaren doet de jeugdouderling steeds meer zijn intrede in onze kerken. In 1967 werden de kerkeraden door de jeugddeputaten gewezen op de benoeming van een ouderling speciaal voor de jeugd, en ook de generale synode van 1968/69 drong op deze benoeming aan. De jeugdouderling is een figuur van de laatste tijd en het is duidelijk dat hij zich veelal experimenteel beweegt. Dit artikel beoogt dan ook niet volledig alle aspecten van het werk van de jeugdouderling te belichten, maar kan er wel toe bijdragen om zijn functie in de praktijk van ons kerkelijk leven nader te definiëren en inhoud te geven. Voorop dient gesteld te worden dat de jeugdouderling zich vooral en liefst uitsluitend bezig zal moeten houden met de pastorale begeleiding van de jeugd. Zoals de belijdende leden onder de pastorale zorg vallen en dientengevolge door de ambtsdragers geestelijk begeleid worden, zal ook de jeugd van de kerk geestelijke begeleiding nodig hebben. Deze jeugd zal overwegend dooplid van de kerk zijn, maar ook jonge belijdende niet gehuwde leden kunnen onder de „wijk” van de jeugdouderling vallen. Ongewild is veelal de situatie gegroeid dat men de term „kerk en jeugd” bezigt, wat een scheiding suggereert welke er niet mag zijn. Ouderen èn jongeren samen vormen immers de kerk zodat wat op de ouderen van toepassing is, pastoraal gezien, eveneens geldt voor de jeugd. De geestelijke vorming en begeleiding van de jeugd dient vooral in de gezinnen plaats te vinden, maar in de praktijk blijkt helaas in vele gevallen dat dit wordt overgelaten aan kerkgang, catechisatie, vereniging en christelijk onderwijs, terwijl het gezin zich beperkt tot geestelijke zaken welke meer in het ethische vlak liggen. Er zijn veel gezinnen waar met een zekere diepgang door de ouders regelmatig met de jongeren over het geloof gesproken wordt. Het aantal gezinnen waar geloofszaken niet of gering aan de orde gesteld worden lijkt groter te zijn, en indien gesprekken plaats vinden is de frequentie ervan laag en ligt het niveau aan de oppervlakte. Wat de redenen van dit laatste zijn, is een onderwerp op zich, dat belangrijk is om te behandelen, maar hier wordt volstaan met de constatering van het gegeven. Bovengenoemde ongewenste scheiding tussen kerk en jeugd, het in principe afwezige verschil tussen ouderen en jongeren t.a.v. pastorale begeleiding, en de leemte in vele gezinnen wat diepere begeleiding van de jeugd in geloofszaken betreft, maakt de aanwezigheid van de jeugdouderling dringend gewenst.

Afhankelijk van de geestelijke gesteldheid en interesse-sfeer van de gemeenteleden, en de aard van de geografische ligging van de gemeente, waardoor het milieu beïnvloed wordt, zal het geestelijk contact tussen ouderen en jongeren in wisselwerking, plaatselijk sterk verschillen.

Het beïnvloede milieu vormt direct het geestelijk niveau van de jongeren individueel. Het is daarom erg belangrijk dat de jeugdouderling een duidelijke milieu-informatie krijgt om in staat te zijn op verantwoorde wijze de jongeren te benaderen en te beoordelen. Deze informatie verkrijgt hij door een nauw contact met predikant en wijkouderlingen. Hij dient dus aandacht te schenken aan de huisbezoekverslagen op de kerkeraad. Daarnaast dient hij alle kerkeraadsvergaderingen bij te wonen om enerzijds de jeugd aldaar te vertegenwoordigen en anderzijds breder van alle aspecten van het gemeentelijk wel en wee kennis te nemen, waardoor hij standpunten kan innemen, begrip opbrengen, beslissingen verdedigen, e.d. in relatie tot de gemeente in het algemeen en de jeugd in het bijzonder. De jeugdouderling verslaat op zijn beurt op de kerkeraad zijn gesprekken met de jeugd en informeert daardoor predikant en wijkouderlingen, wat belangrijk is voor hun beoordeling van de aan hun pastorale zorg toevertrouwde gezinnen als geheel.

Een goede beoordeling van het geestelijk niveau van de jeugd eist een individuele benadering en aanpak, afgestemd op o.a. de leeftijd. Een direct gericht geestelijk gesprek is nl. moeilijk realiseerbaar in een groep, daar afhankelijkheid van de geaardheid van het onderwerp en het karakter van de deelnemers er altijd jongeren zullen zijn die zich verschuilen achter de mening van de groep of zich laten verdringen door dominerende leden. Er zijn jongeren die zich gesloten gedragen in het groepsgesprek door het collectieve karakter ervan. Anderen reageren juist open doordat zij zich in de groep veilig voelen. Voor de jeugdouderling is het moeilijk om een duidelijk beeld te krijgen van het individuele geestelijke niveau d.m.v. het groepsgesprek.

Een huisbezoek aan ouders met de kinderen door wijk- en jeugdouderling samen is een mogelijkheid die aandacht verdient, mits dit door allen gewenst wordt. De verhouding tussen ouders en kinderen dient dan wel geestelijk optimaal te zijn, daar anders het nadeel geldt zoals genoemd bij het groepsgesprek. De jeugdouderling krijgt het zuiverste beeld als het gesprek zeer persoonlijk is, en is daarom dus meestal aangewezen op een gesprek onder vier ogen. Voor dit gesprek zijn wederzijds vertrouwen en openheid vereisten, zodat de jeugdouderling duidelijk de betekenis van het ambtsgeheim moet onderstrepen. Hij zal tevens spaarzaam moeten zijn in het verslaan van het gesprek op de kerkeraad en zorgvuldig de formulering van dit verslag moeten kiezen om te voorkomen dat ongewild vertrouwelijke zaken indirect de omgeving van de jongere bereiken. Het vertrouwen en de openheid noodzakelijk voor een goed gesprek over het persoonlijk geloofsleven van de jongere wordt duidelijk beïnvloed door de benadering, de aanpak en tactiek van de jeugdouderling èn de omgeving waar het gesprek plaats vindt. Zelfstandig wonende jongeren kunnen hem op hun eigen kamer ontvangen, evenals de jongeren die thuis over zo’n kamertje beschikken. Belangrijk is dat het gesprek ongestoord kan verlopen. Meestal prefereert het meisje of de jongen het gesprek ten huize van de jeugdouderling, waardoor de jeugdouder-ling samen met zijn echtgenote vooraf met hem of haar koffie drinkt, wat meestal nadat de echtgenote zich terug trok al geruststellend werkte. Om te voorkomen dat de jongere zich minder op zijn gemak zal voelen is het zaak zelf zo weinig mogelijk te spreken, maar door luisteren en richting geven, hem zelf zoveel mogelijk aan het woord te laten. De schriftlezing en het gebed vooraf zijn daarom vooral bij een eerste gesprek ongewenst, omdat niet bekend is of de Bijbellezing en de gebedsin-houd zullen aanspreken.

Beter is door middel van algemene zaken en opvattingen de toekomst-ambities te peilen en naar aanleiding daarvan de geestelijke achtergrond en drijfveer. Het gesprek zal zich in ’t algemeen dan snel ontwikkelen op het niveau van de betrokkene en gaat meestal ongemerkt over op persoonlijke zaken, waarbij de Bijbel gaat mee spreken, veelal op initiatief van de jongere zelf. De aspecten door prof. W. Kremer genoemd in zijn artikel „Uitgangspunt bij het huisbezoek” in „Ambtelijk Contact” nov. ’69 zijn in principe eveneens van toepassing op het ambtelijk contact met de jeugd, waarbij duidelijk is dat deze aspecten aangepast moeten worden (b.v. opwekking tot deelname aan de avondmaalsviering wordt opwekking tot het doen van Geloofsbelijdenis). Bij een volgend gesprek kan op de punten aan de orde bij het daaraan voorafgaande worden ingehaakt. De schriftlezing en het gebed moeten het gesprek beëindigen en worden zo gekozen dat het van toepassing is op beiden, jongere èn jeugdouderling, en duidelijk het gevoerde gesprek onderstrepen en afronden. De jeugdouderling doet er goed aan per gesprek, na afloop, aantekeningen te maken. (Deze aantekeningen zijn gecodeerd volgens een sleutel welke hij alleen kent). Hij kan niet alles onthouden, mag niet in herhaling vallen, moet streven naar voortgang e.d. Hij moet zich aan de hand van wat gecorrigeerd, geadviseerd, beklemtoond werd, e.d. kunnen voorbereiden op een volgend gesprek.

De aantekeningen stellen hem later in staat om een samenvattend beeld te vormen van de geestelijke situatie van de kerkjeugd, en mogelijk een nadere definitie van de verscheidenheid binnen de eigen gemeente. De karakterisering is nuttig voor toekomstig geestelijk beleid. Bij overdracht van het ambt kan de opvolger van de jeugdouder-ling voortbouwen en sneller geïnformeerd worden. De aantekeningen kunnen bij een overlappende overdracht de beeld- en besluitvorming, het inzicht en de beslissingsvaardigheid e.d. van de opvolger positief beïnvloeden, waardoor voor de jeugd zelf de ambtswisseling relatief onvertraagd en geruisloos verloopt.

Tenslotte moet opgemerkt worden dat het pastorale contact met de jeugd een sterk improviserend karakter draagt en van de jeugdouderling duidelijk de persoonlijke bereidheid vraagt zich afhankelijk te weten van de leiding van de Heilige Geest.

De gesprekken zijn tijdrovend en laten daardoor slechts één gesprek per avond toe. Om de geestelijke begeleiding recht te doen mag de interval tussen de gesprekken niet groot zijn en zal de „wijk” van de jeugdouderling de 60 jongeren niet mogen overschrijden. Gezien het belang van de begeleiding is het gewenst de neventaken van de jeugdouderling te beperken. Toch is het moeilijk voor hem om te selecteren. Zijn aanwezigheid op jeugdweekenden, bij groepsgesprekken, speciale verenigingsavonden, jeugdleidersvergaderingen, vooraf overleg van predikant en jeugd over een te houden prediking, jeugdleden-vergadering, catechisaties, enz. enz., is zeer belangrijk gezien zijn richtinggevende, stimulerende en adviserende taak, maar ook om dienend tussen de jeugd te staan en kennis te nemen van de jeugd-problematiek. Hij zal veelal zelf moeten beoordelen welke neventaken hij wel of niet zal vervullen op het gegeven moment.

Uit het voorgaande is gebleken dat de jeugdouderling het vertrouwen moet genieten van de jeugd. De jeugd moet hem ken-nen of duidelijk met hem kennis maken. Een goede mogelijkheid bieden de catechisaties, waar hij zelf de betekenis van het jeugdpastoraat kan toelichten en uiteen zetten. Ook de ouderen moeten weten welke de functie van de jeugdouderling is. Een goede introductie van de jeugdouderling bij ouderen èn jongeren is dus gewenst. Een gemeenteavond, de kerkelijke pers, het huisbezoek, een wijkavond en zoals genoemd de catechisatie, zijn middelen om deze introductie te verwezenlijken. Wanneer in de gemeente geen vragen meer zijn over de aanwezigheid van een jeugdouderling is de introductie geslaagd en kan hij zich gedragen weten door het gebed van de gemeente om zegen over zijn werk onder de jeugd van de gemeente.

Bewust van het feit dat dit artikel over de jeugdouderling niet volledig is, wordt toch de hoop uitgesproken dat het er toe zal bijdragen om het belang van zijn functie in de praktijk van ons kerkelijk leven extra te onderstrepen of te verhelderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.