+ Meer informatie

DE DIDACHE, EEN LEERBOEKJE

Apostolische vaders [1]

8 minuten leestijd

Het is vast de droom van elke archeoloog en van iedereen die in een bibliotheek werkt: een onbekend document vinden. Het overkwam de Griek Philotheos Bryennios in 1873: hij herontdekte in Constantinopel (Istanbul) het boekje dat wij nu de Didache noemen.

Het Griekse woord didache betekent onderwijs, en de titel van de tekst die Bryennios vond luidt voluit: Het onderwijs van de Heere door de twaalf apostelen aan de volken.

Zo'n duizend jaar lang had niemand dit boekje gekend, laat staan gelezen, hoewel veel kerkvaders het wel kenden en gebruikten. Tussen 1883 en 1887 werd de Griekse tekst in verschillende vertalingen gepubliceerd; naast die van A.F.J. Klijn en C. Datema is de meest recente Nederlandse vertaling die van Arjan de Kok uit 2014.

HANDBOEKJE

De meeste Apostolische Vaders (zie kader) zijn altijd in de kerk bekend geweest, maar van de Didache wisten we eeuwenlang niets. Toch is dit pareltje geen ketterse tekst, zoals andere oudchristelijke teksten die sindsdien zijn herontdekt; denk aan het Evangelie van Thomas en het Evangelie van Judas.

De Didache is een soort handboekje voor de gemeente, een catechismus, die niet meer dan tien pagina's telt en in heel simpel Grieks is geschreven. Als handboekje is het enig in zijn soort en de schrijver of samensteller is onbekend. De tekst is verdeeld in zestien korte hoofdstukjes. De hoofdstukken 1-6 gaan over de twee wegen: de weg van het leven en de weg van de dood.


Het avondmaal wordt driemaal ‘een offer’ genoemd


De hoofdstukken 1-6 gaan over de twee wegen: de weg van het leven en de weg van de dood. De resterende hoofdstukken 7-16 zijn meer een beknopte kerkorde waarin aan de orde komen: de doop, bidden en vasten, de maaltijd van de Heere, leiders (leraren, profeten, rondreizende predikers, opzieners en diakenen) en de laatste dagen.

STRENGE REGELS

Het is moeilijk te zeggen wanneer de Didache geschreven is, maar een datering aan het eind van de eerste of begin tweede eeuw is waarschijnlijk. De organisatie van de gemeente is nog simpel: er worden alleen opzieners (episkopoi of bisschoppen) en diakenen genoemd. We zijn dus nog voor het moment waarop één bisschop het in de gemeenten voor het zeggen kreeg. Ook komen er nog rondreizende apostelen en profeten voor; dit laat ons zien dat de term ‘apostelen’ in de Vroege Kerk in ruime zin gebruikt werd. Blijkbaar waren deze rondtrekkende ‘gezondenen’ nog wel eens op hun eigen voordeel uit, want de Didache geeft strenge regels:

‘Wat betreft de apostelen en profeten, volgens het gebod van het Evangelie moeten jullie zo optreden: Ontvang elke apostel die bij jullie komt, zoals je de Heere Zelf zou ontvangen. Maar hij mag slechts een dag blijven! Als het nodig is, een extra dag; maar als hij drie dagen blijft, is hij een valse profeet. Wanneer de apostel vertrekt, mag hij niets meenemen behalve genoeg brood totdat hij weer ergens onderdak vindt. Als hij om geld vraagt, is hij een valse profeet! …

Wanneer een profeet in de Geest spreekt en om een maaltijd vraagt, mag hij er zelf niet van eten; als hij dat toch doet, is hij een valse profeet. Elke profeet die de waarheid leert (het woord didache) maar zelf niet doet wat hij leert, is een valse profeet.’

Er is dus niets nieuws onder de zon met voorgangers die zichzelf verrijken en ‘profeten’ die een of meer straalvliegtuigen bezitten terwijl hun volgelingen nauwelijks te eten hebben… En een profeet mag niet over eten voor zichzelf profeteren!

TWEE WEGEN

De gebeden in de hoofdstukken 9 en 10 lijken sterk op Joodse gebeden. Het openingsdeel over de twee wegen lijkt ook sterk op Joods onderwijs, maar maakt anderzijds gebruik van Jezus’ onderricht in de Bergrede en elders. Het avondmaal wordt driemaal ‘een offer’ genoemd.

Deze dingen laten zien dat de christenen die de Didache lazen, nog dicht bij het Joodse volk leefden; spoedig hierna heeft de kerk zich veel verder van de Joden verwijderd. Vergeleken met de boeken van het Nieuwe Testament lijkt de Didache nog het meest op de brief van Jakobus. Beide boeken bevatten veel regels en noemen de Heere Jezus niet vaak. Het boekje begint als volgt: ‘Er zijn twee wegen, een van het leven en een van de dood; deze twee zijn heel verschillend. Dit is de weg van het leven: In de eerste plaats, heb God lief, die jou geschapen heeft; ten tweede, je naaste als jezelf. En wat jij niet wilt dat jou gebeurt, doe dat ook niet tegen een ander. Het onderwijs (didache) van deze dingen is: zegen hen die jou vervloeken en bid voor je vijanden. Vast voor hen die je vervolgen. Want wat nut het als jij alleen liefhebt wie jou liefhebben? Doen de heidenen dat ook niet?’

GEEN CONCESSIES

In het tweede hoofdstuk vinden we een reeks leefregels, die eerst sterk op de Tien Geboden leunt, maar daarna afwijkt: ‘Pleeg geen moord; pleeg geen overspel; bederf geen jongens (mannelijke homoseksualiteit); doe niet aan hoererij; steel niet; doe niet aan magische praktijken; gebruik geen toverdranken; dood geen kind in de moederschoot en ook geen pasgeboren kind; begeer niets dat van je naaste is.’

Het is fascinerend hoe hier bijbelse geboden worden gecombineerd met regels die speciaal gericht zijn op nieuwe gelovigen, zoals het verbod op magie en op het gebruik van verdovende of opwekkende middelen. De Didache is de oudste christelijke tekst waarin abortus met zoveel woorden genoemd wordt, naast het doden van ongewenste baby's, dat in die tijd meestal gebeurde door hen te vondeling te leggen, waarna ze vaak door wilde dieren werden meegenomen. Het is duidelijk dat de Didache geen concessies doet aan de levensstijl van de heidenen rondom de christelijke gemeente: christenen worden opgeroepen om radicaal te leven. De andere kant van de zaak is dat de tekst niets zegt over Gods genade of over leven in de kracht van de Heilige Geest. De Didache is niet erg vriendelijk tegen de Joden. In hoofdstuk 8 krijgen de christenen de opdracht om op andere dagen te vasten dan ‘de huichelaars’ (de Joden): ‘Laat uw vastendagen niet samenvallen met die van de huichelaars; want die vasten op de tweede en vijfde dag van de week. U moet vasten op de vierde dag en op de dag van de voorbereiding (vrijdag). Bid ook niet zoals de huichelaars, maar zoals de Heere het opdroeg in het Evangelie.’ Dan volgt de tekst van het Onze Vader, met de expliciete opdracht dit gebed driemaal daags te bidden. Dit komt opnieuw tamelijk wettisch over, evenals het vasten dat wordt voorgeschreven

Christenen worden opgeroepen om radicaal te leven

VOORSCHRIFTEN

Opvallend is wat er over de doop wordt gezegd. Na de bepaling dat er eerst didache gegeven moet worden en dat de doop moet worden bediend ‘in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in stromend water’, volgt er: ‘Als je geen stromend water hebt, doop dan in ander water. Als er geen koud water is, doop dan in warm water. Als je geen van beide hebt, giet dan driemaal water op het hoofd … Voor de doop moeten de doper, de dopeling en wie dat verder kunnen, vasten. Draag de dopeling op om een of twee dagen tevoren te vasten.’

Deze regels laten zien dat in die tijd volwassenen, mensen die konden vasten, werden gedoopt (op belijdenis). De schrijver en lezers bevonden zich in een droog gebied, want er was niet altijd voldoende water beschikbaar om mensen onder te dompelen. Als concessie mocht de dopeling daarom overgoten worden. Deze combinatie van wetticisme en flexibiliteit bepaalt ons bij de vraag hoe strikt wij aan regels en gebruiken vastzitten.

Over het geheel genomen laat de Didache zien hoe in een deel van de Vroege Kerk al voorschriften werden opgesteld voor de gelovigen.

Dr. Pieter J. Lalleman doceert aan Spurgeon’s College in Londen en geeft leiding aan de vakgroep Nieuwe Testament.

Volgende keer: Papias van Hiërapolis.


MINDERHEID

Net als in het begin van onze jaartelling bevinden christenen in West-Europa zich in toenemende mate in een minderheidspositie. Wellicht kunnen teksten uit de vroegchristelijke kerk gelovigen anno 2016 inspireren om hun identiteit en presentie in kerk en samenleving nieuw elan te geven. Vandaag het eerste deel: de ‘Didache’.


DE EERSTE KERKVADERS

We kennen het Nieuwe Testament, en we kennen de kerkvaders, althans sommigen van hen. Wat velen niet weten is dat de eerste kerkvaders worden aangeduid als de Apostolische Vaders. Met andere woorden, de Apostolische Vaders zijn schrijvers van de eerste twee generaties na de apostelen. Enkelen van hen hebben deze apostelen ook daadwerkelijk gekend. De collectie Apostolische Vaders bevat echter ook enkele anonieme boeken. Het gaat om de volgende teksten:

• De Didache, een anonieme tekst die moeilijk te dateren is en pas in 1873 werd herontdekt.

• De zeven brieven van Ignatius van Antiochië, de bekendste schrijver van de groep, die in 110 werd gedood.

• De brief die Clemens van Rome in 96 schreef aan de kerk in Korinthe.

• De anonieme preek die 2 Clemens genoemd wordt; deze wordt niet altijd meegeteld.

• De onechte ‘Brief van Barnabas’. • De resten van het werk van Papias van Hiërapolis.

• De Brief van Polycarpus van Smyrna, die in 156 werd gedood, aan de kerk in Filippi.

• De zogenaamde Herder van Hermas, een tekst uit Rome van ongeveer 150.

• De anonieme Brief aan Diognetus, een heidense filosoof.

De naam Apostolische Vaders is wat onhandig, omdat sommige van deze teksten anoniem zijn. In het algemeen zijn deze teksten orthodox maar zij halen niet het niveau van het Nieuwe Testament. Toch werden Hermas en Clemens in sommige kringen soms opgenomen in de canon van het Nieuwe Testament, toen deze nog in wording was.

In een serie van vier afleveringen worden enkele van deze teksten voorgesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.