+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

19

In gehoorzaamheid aan de grote Koning ElSchaddai hebben Zijn dienstknechten Mensziel bezocht en krachtig tot de afkerige stad gesproken. Vanuit de Goddelijke opdracht kwamen Zijn gezanten met steeds meer moed en kracht tot de stad te spreken van genade en ontferming. Het was een welmenende roepstem tot bekering, ondanks al haar afkerigheid.

Door gedurig terug te denken aan hun eertijds kwamen deze boodschappers van goede tijdingen met des te meer verdraagzaamheid en medelijden te staan tegenover Mensziel. Van Adamswege is elk mens van nature afkerig van de Heere en Zijn wegen. Het bukken voor Hem met de overgave des harten aan Hem is vrucht van de onwederstandelijke werking van de Heihge Geest.

In afhankelijkheid van deze dierbare bearbeiding hebben de kapiteins van vorst Immanuël Mensziel geen onzeker geluid laten horen. Van alle kanten is de ernst der zaak op het hart gebonden, de noodzakelijkheid van de waarachtige bekering aangetoond.

Mensziel is opgeroepen tot de strijd tegen Diabolus door het beginsel der ongerechtigheid te verlaten, opdat al de burgers boetvaardig zouden wederkeren tot haar wettige Koning El-Schaddai. Daar zij wederrechtelijk Hem alle gehoorzaamheid kwamen op te zeggen en dat met de beroving van al de goederen die de stad van Hem in gebruik ontving. Van dag tot dag werd het door deze boodschappers van goede tijding verkondigd, dat door de Zoon des Konings vergeving van al het kwaad Hem aangedaan, was te bekomen en gerechtigheid tot verkrijging van het eeuwige leven.

Maar werd het gebod des Vaders te geloven in Zijn Zoon Jezus Christus niet ter harte genomen, dan zou door Hem met een vlammend vuur wrake gedaan worden over dat kwaad. Want dezulken zullen tot straf lijden het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid Zijner sterkte. Vanuit de ontfermende liefde van de grote Meester is de stad die niet wilde luisteren gebeden: „Och of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag hetgeen tot uw vrede dient.” De stad die zich moedwillig van haar wettige Koning kwam los te scheuren om het zwaard der ongerechtigheid tegen Hem op te nemen, wordt vanuit Zijn ontfermende hef de vrede verkondigd met al de zegeningen daaruit voortvloeiende. Heerlijker kan het niet, daar Mensziel dan voor eeuwig zou delen in Zijn volle liefde, in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht.

Waarom werd dat nu niet aanvaard doch met de grootste haat en smaad veracht? Wat mag daarvan toch wel de oorzaak zijn?

Natuurlijk heeft de stad daar een bepaalde reden voor. Welbewust en doelbewust hebben al de burgers, „neen, dat nooit”, gezegd. En dat terwijl de stad in beroering was uit vrees voor de straf van El-Schaddai. Het onuitroeibare besef, dat God een wreker is van het kwade, heeft het geweten krachtig onderstreept. Maar uit vrees voor de straf, die werd aangekondigd, was de stad niet te bewegen het goed, dat met kracht en klem werd aangeboden, aan te nemen.

Maar dat deden de burgers niet, daar zij zich door het aannemen van de genade, die ernstig en waarachtig werd aangeboden, dan kwamen te verplichten met El-Schaddai te leven, om Hem te dienen en te vrezen. En dat is het enige waarop al de onderhandelingen met de stad zijn vastgelopen. Het genot in de zonde staat bij de mens van nature veel hoger dan al de genietingen van het hemelleven. Want, en dat werd door de stad wel terdege beseft, in het leven met de Heere is geen plaats voor de zonde. En zo kwam de stad de dood te kiezen boven het leven, en het licht te verachten voor het behoud van de duisternis.

Waarom dan al die moeite en zorg besteed aan de stad Mensziel, daar het de kapiteins zeer wel bekend was, dat op de welwillendheid van Mensziel niet te speculeren viel? Was het alleen geweest een niet kunnen, dan had men uit kracht daarvan nog wel tot de gedachte kunnen komen, dat er met enige bijstand van buitenaf nog wel wat te bereiken viel. Maar dat was in dit geval toch niet meer geweest dan een bekering van de zonde tot de deugd van een uitwendige vertoning. En daarmee blijft alles toch zoals het is, een leven in de staat van zonde en ongeloof.

Maar hoewel de gedachte van geven en nemen in de stad op sommige plaatsen en in bepaalde schuilhoeken gevonden werd, zo kwam de welmenende prediking hier toch te stuiten op de onbeweeglijkheid van het niet willen. Maar dat werd zo maar niet gezegd. Het werd in de stad grondig overdacht en besproken door wie geantwoord moest worden en wat die spreker dan had te zeggen.

Door Diabolus moest niet geantwoord worden, want het ging niet om hem maar om Mensziel. Aan hem was dan ook het Evangelie niet verkondigd, dat was voor de stad bestemd. Satan werd in deze aangelegenheid ten volle genegeerd. Met hem wil de Heere niet te doen hebben, wel met de stad, voor haar waren al de roepstemmen van het Evangelie bestemd.

Natuurlijk met goedvinden van Diabolus, want hij liet in alles zijn macht wel terdege gelden, moest mijnheer Ongeloof, die toen majoor was, het woord voeren. En waarom de heer Wil niet? Wel heel eenvoudig, daar hij de kunst van spreken niet verstaat. Hij kan alleen maar domweg zeggen: „Dat doe ik niet” en meer niet. En daarmee sterkt en staalt hij het ongeloof wel in al zijn redeneringen, maar hij zelf kan dat niet.

Het geloof bezat van huis uit een heilige scherpzinnigheid door te zetelen in het geestelijk kennen van God. Maar door de zonde heeft het ongeloof al het denken van de mens in beslag genomen, zodat het altijd denkt vanuit de mens, terwijl het geloof altijd denkt vanuit God. Het ongeloof verdenkt de Heere in de openbaring van Zijn liefde, trouw en macht, en dat vanuit het beginsel van vijandschap, trouweloosheid en machteloosheid. Het staat met al zijn bedenkingen en eindeloze redeneringen tegenover Gods volheerlijke heilsopenbaring in Christus. Vandaar is het ongeloof de grootste vijand van onze zaligheid. Verstand en wil kunnen nog vernieuwd en geheiligd worden, maar het ongeloof voert de mens naar de eeuwige verdoemenis. Vandaar heeft de stad Mensziel het nodig gesteld te worden tot roem van Gods genade, vanuit de staat des ongeloofs in de staat des geloofs.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.