+ Meer informatie

KERKELIJK BESEF

11 minuten leestijd

‘Ik geloof wel, maar ik ga niet naar de kerk.’ Je hoort het veel. Zelfs uit de mond van vooraanstaande christenen. Pas nog uit de mond van poppenspeler Aad Peters in een artikel in CVKoers.

Mensen zeggen je: ‘ik kijk elke zondagmorgen naar Van der Veer!’ en dan kijken ze je aan met een blik van: wat wil je dán nog meer?!

Mensen hebben siechte ervaringen met de kerk. Gisterenavond zei een meisje op de vervolg-Alpha-gespreksgroep nog tegen me: ‘De mensen van onze kerk (CGK Zwolle) hebben me zo grandioos in de kou laten staan, ik denk niet dat dat ooit weer goed komtl’

Is de kerk echt nodig? Daarover moet het hier gaan. Het ontbreekt ons aan kerkelijk besef, besef van de waarde en de plaats van de kerk in Gods verlossingsplan.

Daarnaast is er natuurlijk nog een kwestie: Is de Christelijke Gereformeerde Kerk (nog steeds) echt nodig? Die vraag valt ook onder het thema ‘kerkelijk besef. In het bestek van dit artikel zal ik me moeten beperken tot de eerste vraag (die me ook inderdaad hoger zit). Ik ben al zielsgelukkig als ik merk dat catechisanten en gemeenteleden iets begrijpen van de bijbelse bedoeling van de gemeente. Als ze bijvoorbeeld niet meer zeggen: ‘Ik ga voor God naar de kerk, en niet voor de mensen ….’

Pinksteren

De beslissende vraag kan niet zijn of wij de kerk nodig vinden. Beslissend zal zijn of God de kerk ook nodig acht. En op die vraag moet volstrekt ‘ja’ gezegd worden. Ik wil hier enkele bijbelse lijnen trekken.

De geschiedenis van de NT-ische kerk begon bij Pinksteren. Waarom is Pinksteren een heilsfeit? Welk nieuw heil heeft God toen gegeven? Het antwoord op die vraag kan niet zijn dat toen de Heilige Geest gekomen is, zoals op Kerstfeest Jezus Christus tot ons gekomen is. Want de Geest was er ook al voordien. Al op de eerste bladzijde van de bijbel lezen we van Hem. En in heel het OT komen we Hem tegen. En vooral rond de geboorte van de Heiland lezen we volop van werkzaamheden van Gods Geest! De Geest was ook in het OT de Werkmeester van het geloof van Gods kinderen. (zie bijv. Psalm 51).

Het nieuwe heilsfeit van Pinksteren is echter dat God nu de kerk heeft gekozen als zijn woonplaats op aarde.

Gods eerste woonplaats op aarde was temidden van Israël. Op de Sinaï daalde God in wind en vuur neer om te wonen in de Israëls tabernakel en - later - tempel. Dat neerdalen Gods werd in de tijd van het NT door de Joden herdacht op de vijftigste (= Pinkster-) dag na Pasen. Wilde onder het Oude Verbond iemand de God van hemel en aarde vinden, dan moest hij naar Jeruzalem reizen (zoals de kamerling uit Handelingen 8 ook werkelijk met dat doel heeft gedaan). Toen gold psalm 122 letterlijk: in Jeruzalem Staat het Huis des HEREN. Daar kon je de Here in zijn vriendelijk Aangezicht zien in de dienst der verzoening; daar werd bij het altaar vergeving van zonden toegezegd!

Daarna kwam er een nieuwe fase in Gods heilsplan. God werd zelf mens in Jezus Christus. Wie nu de God van hemel en aarde wilde vinden, moest tot Hern komen, tot Hern roepen: ‘Zoon van David, ontferm u over Mij’. Vergeving van zonden werd nu toegezegd uit Zijn mond!

De joodse geestelijken vonden dat godslasterlijk (Marcus 2,7). En het zou het ook geweest zijn - want wij hebben tegen God gezondigd! -, ware het niet dat de Eeuwige Zelf in Hern tegenwoordig was, dat in zijn stem de stem van de Here zelf klonk!

Toen kwam er weer een nieuwe fase in het heilsplan van God. Toen koos God als zijn woonstede de gemeente van Christus! Net als op de Sinaï daalde Hij in zijn kerk neer in vuur en wind, alleen nu - na Golgotha - niet verterend, maar vervullend en bezielend!

Woonstede Gods

God zet vanaf Pinksteren zijn werk op aarde voort via zijn kerk! Hijzelf is werkzaam in deze wereld in, vanuit en door zijn kerk. Daarmee komt de kerk te staan op hetzelfde niveau als de tempel en zelfs als de Christus. Zoals Jezus zelf heeft gezegd: ‘Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend lk ook u!’ (Johannes 20, 21) En in zijn uiterste conséquentie betekent dat: ‘Wie gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend.’ De Farizeeën vonden het godslasterlijk dat uit de mond van een mens vergeving van zonden werd toegezegd. Wie het waarheidsmoment van hun moeite niet aanvoelt, zal ook niet aanvoelen welke duizelingwekkende plaats de kerk in Johannes 20 krijgt door de woorden van Jezus! De eeuwige, Hij die in Jezus Christus mens geworden is, Hij Zelf komt in zijn Geest nu op aarde wonen in de discipelen van Jezus Christus.

Ik denk daarom dat het onjuist is om rond Pinksteren (uitsluitend) te preken over de Geest als Werkmeester van het geloof. Dat is niet wat wij speciaal met Pinksteren vieren. Dat deed de Heilige Geest ook al vóór die tijd. Van Adam tot heden is het mensenhart dóór God zelf vóór God zelf geopend!

Het nieuwe feit van Pinksteren is echter de wording van de kerk, als de woonstede Gods in de Geest! (Efeze 2, 22) Met Kerst zeggen we: ‘Het Woord is vlees geworden’. Met Pinksteren mogen we zeggen: ‘De Geest is kerk geworden.’

Drieëenheid

Hier is ook het dogma van de Drieëenheid van betekenis. In elk van de drie Zijnswijzen komt niet slechts een deel van het ene goddelijke Wezen tot ons, maar komt Hij helemaal, telkens op andere wijze naar ons toe! In de tempel in Israël woonde de Here zelf. Ook in Christus ontmoeten we niet een deel van God, maar heeft Hijzelf zich aan ons helemaal en totaal geopenbaard. En ook in de Geest hebben we met God helemaal te maken.

Dat is allereerst tot troost voor hen die tot de kerk mogen behoren. In en onder hen is de werkelijke tegenwoordigheid van de Here Zelf, in het evangelie en in doop en avondmaal. Maar vervolgens ligt hier ook de hoge roeping van de kerk -en hoger roeping is in deze wereld niet denkbaar: de roeping om de liefde Gods hoorbaar en zichtbaar te maken in woorden en daden. Wie ook maar vandaag op zoek is naar de levende God van hemel en aarde, moet niet meer in Jeruzalem zijn, kan ook de Godmens Jezus niet meer vinden op deze aarde, maar die moet nu zijn bij zijn kerk. En als de mensen ooit zeggen: ‘Waarom doet God er niets aan?’ is het de roeping van de kerk zich af te vragen: ‘Kunnen wij daar misschien iets aan doen?’

Instructie gemeenteopbouw

Het werk van de Geest treffen we in het NT niet aan in slechts enkele teksten in de Handelingen en in de brieven, waar de Geest uitdrukkelijk wordt genoemd. Maar heel het vervolg op de evangeliën in het NT tekent ons het werk van de Geest. In Handelingen zien we hoe overal in de wereld gemeenten ontstaan. De NT-ische brieven, gericht aan gemeenten en hun voorgangers, bevatten ten diepste één en al instructie voor gemeenteopbouw. Zelfs het boek Openbaring zet in met Jezus’ voortdurende (kritische) zorg voor zijn kerk. Veelzeggend is dat in die zeven brieven aan de zeven gemeenten het werk van de Geest niet getekend wordt als iets naast de ‘gewone’ gemeenteopbouw; nee, het werk van de Geest is de gemeenteopbouw, o.l.v. het Hoofd van de kerk!

Wie zegt: ik geloof wel zonder de kerk, scheurt het halve NT uit zijn bijbel. Welke boodschap heeft zo iemand nog aan die zeven brieven uit de Openbaring, aan alle andere brieven in het NT, aan het boek Handelingen? En zelfs de weg van Jezus met zijn discipelen, ons beschreven in de evangeliën, zijn een voorschot op en een voorafbeelding van de wijze waarop Jezus later als de Verhoogde met zijn kerk zal optrekken in deze wereld. (Theologisch geformuleerd: de christologie van de evangeliën is een ecclesiologische christologie.)

Hoe kerk?

Ondertussen kom het er dan wel op aan hóe we samen kerk zijn. Welk beeld tekent het NT van de kerk? In Handelingen 2 lezen we eerst over het feit dat God zijn Geest uitstort en dat nu in alle talen de grote werken Gods verkondigd worden (Hand. 2, 11).

Vervolgens horen we in vs 14-40 wat het inhoudelijk betekent dat de Geest wordt uitgestort, welke boodschap in alle talen verkondigd gaat worden. De grote daden Gods worden door Petrus nader ingevuld als het kruis en de opwekking van Jezus Christus waardoor er vergeving van zonden is. En dan tekent Handelingen 2 de kerk die rond deze boodschap ontstaat! Ik doel nu op het ontroerend mooie stukje 2, 41-47. Wat een toewijding, wat een liefde, wat een eendracht! Zo mooi dat het hele volk er positief tegenover staat! Daar gaat wat van uit. Dat is aantrekkelijk!

We hoeven echter het boek Handelingen maar één bladzijde om te slaan om weer met twee benen op de grand terecht te komen. In hoofdstuk 5 lezen we over Ananias en Saffira, en in de apostolische brieven lezen we hoe ook toen de kerk een vergadering van zondaars was. Wat moet er voortdurend door de apostelen veel bijgesteld worden. Lucas heeft in Handelingen 2, 41-47 het leven van de kerk bewust eenzijdig getekend. Hij heeft het reine en pure werk van de Geest getekend. Verderop laat hij ook zien dat dat werk van de Geest in deze bedeling nog altijd vermengd is met menselijke onzuiverheid en zonde. Daarom blijft gemeenteopbouw permanent nodig!

Drie B’s

Maar wát het pure en zuivere werk van de Geest is, is ondertussen wel duidelijk. Het is een gemeenschap waar (als ik even Zwolse terminologie mag gebruiken) de drie B’s functioneren: Boven, binnen en buiten. Een gemeenschap waarvan de leden wandelen met God, door te volharden bij het onderwijs der apostelen en bij avondmaal en gebed (= boven). Zij dienen elkaar door de liefde, door heel concreet te delen (= binnen). En er gaat wat van uit naar de samenleving: ze staan in de gunst bij het hele volk en er worden vanuit dat volk aan de gemeente velen toegevoegd (= buiten)!

Dat mensen zeggen: ik heb de kerk niet nodig, kan er zeker mee te maken hebben, dat de kerk te weinig dat bijbelse beeld vertoont. Het kan ermee te maken hebben dat de kerk te eenzijdig slechts bezig was met de vraag naar het persoonlijk heil. Als de balans daarin doorslaat, kunnen christenen zelfs een (heils-)ego?stische indruk maken. Het heil is juist bedoeld alle vrees te kort te komen in het leven te verdrijven en vertrouwen te scheppen dat er zo voor ons gezorgd wordt dat we de handen vrij krijgen om óm te zien naar de naaste!

Gemeenteleden maken deel uit van een drukke, gejaagde, harde, individualistische samenleving. Daar krijgen ze - dus: we - een tik van mee! Daarom moet er voor het elkaar dienen door de liefde een doordachte structuur geschapen worden. In de Zwolse CGK experimenteren we met de structuur van de kleine cellen waarin 8 adressen o.l.v. een kringcoördinator proberen er voor elkaar te zijn. In zo’n kleine kring liggen ook kansen om concreet wat te betekenen voor de mensen tussen wie we leven. Het sociale vangnet van de maatschappij vertoont steeds meer gaten; het recht op thuiszorg wordt steeds kleiner. Het zou kunnen zijn dat de diaconale kansen in de toekomst voor het grijpen liggen! Inspirerende erediensten (boven), onderling liefdebetoon (binnen) en bewogenheid met de medemens (buiten): daaraan zal de kerk mogen en moeten werken. Die kerk heb je nodig om christen te kunnen zijn. Wat meer is: het heeft God behaagd door die kerk het werk voort te zetten en te voltooien dat Hij bij Abraham begon en in Jezus Christus volmaakte.

Leger van heil

Zoals ooit Israël o.l.v. Jozua het beloofde land veroverde in Gods kracht, zo mag vandaag de kerk als een leger van heil o.l.v. de meerdere Jozua de planeet aarde voor de Here heroveren. Strijdend met de wapenen van liefde en gerechtigheid. Het kwade te lijf gaand met het goede! Totdat Ge Uw Rijk volmaken zult!’

Heb ik de kerk nodig? God werkt in deze fase van zijn heilsplan door zijn kerk, en daarvan mag ik me niet afzijdig houden!

Ik hoorde eens hoe werkers in de kerk werden toegesproken. Vrijwilligers die soms tal van avonden erin stoppen. In vergaderingen en bezoeken, in bijbelstudies en bezinning, en nog veel meer. Die zich van tijd tot tijd afvragen: ben ik eigenlijk niet gek? Mijn buren en collega’s besteden hun vrije tijd aan ontspanning en vorming, en ik? Doe ik mijn gezin niet te kort, doe ik mezelf niet tekort?

Zeker is het zaak dat we in de kerk nadenken over zinvol bezig zijn. Wordt er niet teveel vergaderd? Kerkenwerk mag niet ten koste gaan van het gezin en van de kinderen!

Niettemin: er is niets zo waardevol in dit leven, niets zo eervol, als door Gods genade een taak te mogen vervullen in de kerk van Jezus Christus. Daar kun je nooit teveel werk van maken! Dat mensen die van genade leven, medewerkers Gods genoemd worden! Wat een eer!

Ds. Mijnders is predikant van de gemeente van Zwolle.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.