+ Meer informatie

Piëtist van liet zuiverste water

August H. Francke

11 minuten leestijd

Als de leer ons niet tot geestelijker en nuttiger mensen maakt, is er iets mis. Dat was de stellige overtuiging van alle aanhangers van het Duitse piëtisme. Rusteloos ijverden ze voor een hartelijke levensheiliging. Niet alleen binnen, maar ook buiten de gemeente. Zo zette August Hermann Francke zich in voor christelijk onderwijs, de steun aan armen en de zorg voor wezen. Portret van een piëtist van het zuiverste water.

,Ik riep om uitkomst tot die God, die ik niet kende en aan Wiens bestaan ik niet geloofde. Toen verhoorde mij de Heere, de levende God. Want als in een handomdraai was mijn twijfel verdwenen en ik was in mijn hart van de genade Gods in Christus Jezus verzekerd. De treurigheid en onrust van mijn hart waren ineens weggenomen en in plaats daarvan werd ik als met een stroom van vreugde overgoten, zodat ik vrijmoedig God prees, die mij zulk een genade bewezen had. Als een wedergeborene stond ik van mijn knieën op." Met deze woorden heeft August Hermann Francke weergegeven wat hij als student ondervond, toen hij in grote benauwdheid van zijn ziel bezig was zich voor te bereiden op een preek over Johannes 20 vers 30. Bij die voorbereiding kwam hij tot de ontdekking, dat hij zelf het geloof waar in deze tekst sprake van is, miste. Vóór die tijd had hij ook wel gepreekt, maar zonder innerlijke ervaring van wat hij anderen voorhield. Naar zijn eigen zeggen trad hij toen slechts op met kunstgrepen en redeneerkunst voor zijn toehoorders, en had hij van de verkondiging van het Woord zijn handwerk gemaakt.

Bekering
Het werd totaal anders, toen hij in de Johanniskirche in Lüneburg over de bovengenoemde tekst moest preken. „Waarom is de Koran en waarom is de Talmoed niet even waar als de Bijbel? Is God trouwens wel echt God?" Dat waren de vragen die zijn ziel bestormden. Al zijn zelfverzekerdheid, waarmee hij tot dat moment op de been was gebleven, raakte hij kwijt. God liet hem zien dat de hoofdbron van zijn zonden zijn ongeloof was en dat heel zijn vroegere leven, met alle vrome kanten die eraan zaten, onder Gods oordeel viel. Hij overwoog de preekbeurt af te zeggen. Op dat ogenblik echter ontfermde de Heere Zich over hem en vond de grote omkeer in zijn leven plaats. Als een levend getuige van het Evangelie beklom hij de preekstoel van de Johanniskirche, om te verkondigen: „Geloof is een goddelijk werk in ons; geloof is een levend vertrouwen op Gods genade." Van toen afwas het doel van zijn leven totaal anders dan voorheen. Niet langer stond zijn eigen eer en roem in het middelpunt. Niet langer was het zijn streven om mensen te behagen. De eer van God en de uitbreiding van Zijn Rijk stonden nu bovenaan.

Godsdienstoorlog
Wie is August Hermann Francke? Een piëtist van het zuiverste water, zouden we hem kunnen noemen. Een man van het praktisch christendom, zou een andere aanduiding kunnen zijn. Hij wordt geboren in 1663, in het Duitsland dat dertig jaar lang verscheurd is door een verschrikkelijke godsdienstoorlog. De gevolgen daarvan zijn nog duidelijk merkbaar. Velen zijn tot de bedelstaf vervallen. Erg welwillend staan de beter gesitueerden niet tegenover dit verarmde deel van de bevolking. Op godsdienstig gebied is de situatie niet beter. Sinds de vrede van Munster, in 1648, is er godsdienstvrijheid. Die is in de bloedige oorlog bevochten. Maar hoe staat het met het geestelijk leven? Bloeit dat? De woorden die Luther eens sprak, blijken helaas maar al te waar te zijn. „Het Woord Gods blijft op één en dezelfde plaats zelden langer dan twintig of ten hoogste veertig jaar in zijn zuiverheid bewaard. De mensen raken eraan gewend, verkillen in hun christelijke liefde en beschouwen de gave van Gods genade met onverschilligheid."

Spener
Zo is het in het Duitsland waar Francke opgroeit. Zeker, er is rechtzinnigheid. Voor de orthodoxe leer wordt zelfs gestreden. Alles wat daarvan afwijkt en op dwaalleer lijkt, kan rekenen op felle weerlegging. Grote nadruk wordt gelegd op de leer van de rechtvaardiging door het geloof Maar de vraag wat volgens de Schrift een godzalig leven is, valt buiten de horizon van de theologische belangstelUng. Dat in het laatste oordeel ook met de werken gerekend zal worden, is vergeten. Zodoende ziet de kerk geen hongerenden, dorstenden en naakten meer. Als de leer maar zuiver is, komt het leven er niet zozeer op aan. Wat ontbreekt is de hartelijke bekering. De reactie op deze geesteloze toestand blijft niet uit. God geeft nog getrouwe dienstknechten. Philipp Jakob Spener is er een van. Met zijn boekje "Pia Desideria" (Vrome Wensen) verkrijgt hij grote bekendheid en invloed. Hij is diep getroffen door het verval in de kerk. Het ergste vindt hij nog dat het onderwijs in de Schriften verwaarloosd wordt, en dat mede daardoor het leven des geloofs taant. Als nog van een echt geloofsleven gesproken kan worden.

Overtuigd piëtist
Spener legt de nadruk op de noodzaak van de beleving van wat we als leer toestemmen. Als de leer ons niet tot geestelijker en nuttiger mensen maakt, is er iets mis. Daarom moet grote aandacht worden besteed aan de persoonlijke vroomheid. Hier komt dan ook de naam van de zo ontstane beweging vandaan: Piëtisme. Een naam die oorspronkelijk als scheldwoord fungeert. Men beschouwt Spener en zijn volgelingen als fanatiekelingen, verstoorders van de gezapige rust waarin de rechtzinnige kerk verkeert.

Al in zijn jeugd komt de jonge Francke met de piëtistische beweging in aanraking. Hij ondergaat er ook wel bepaalde invloeden van. Maar het duurt tot die ervaring in verband met zijn preek in de Johanniskirche in Lüneburg, voordat hij er echt voor ingewonnen wordt. Als hij daarna ook nog enkele maanden in het huis van Spener in Dresden verblijf gehouden heeft, is hij een overtuigd piëtist geworden. En dat is hij zijn leven lang gebleven.

Protest
Na allerlei omzwervingen vestigt Francke zich in Leipzig. Daar was hij eerder ook al. Hij keert er naar terug, omdat hij de woorden die Jezus eens tot Petrus sprak, op zichzelf betrekt. „En gij, als gij eens bekeerd zult zijn, versterk uw broederen." Onder de studenten aan de theologische faculteit van de universiteit van Leipzig ontdekt hij veel zondige praktijken. Hij begint met bijbellezingen en God zegent dat middel. Er komt een omwenteling, niet alleen onder de studenten, maar ook onder de burgers. Dan blijkt echter dat ook andere krachten aan het werk zijn. Francke wordt beschuldigd van dwaalleer, van "Schwarmerei", en het wordt hem verboden de bijbellezingen voort te zetten. Hij protesteert fel en wijst op de zedeloze toestanden, waarin hij door Gods genade enige verandering heeft mogen aanbrengen. Hij klaagt de theologen aan die het monopolie van geestelijke zaken aan zich getrokken hebben. Alles mag dan orthodox zijn wat de leer betreft, maar er zit geen geest en leven in. Hij laat zien dat theologisch denken op zichzelf geen waarde heeft. Maar alles wat hij probeert heeft geen resultaat. Francke wordt uitgestoten. Er is geen ruimte voor de piëtistische geest waarmee hij de leer wil doortrekken. Hij moet vertrekken.

Afzonderlijke beweging
Wat in Leipzig gebeurt, geschiedt op vele plaatsen in Duitsland. Binnen de bestaande kerkelijke en theologische wereld blijkt geen plaats te zijn voor het piëtisme. Het gevolg is, dat het als een afzonderlijke beweging voortgaat. Afzonderlijk of niet, de beweging op zich is nu niet meer te stuiten. Francke zet zijn arbeid voort in Erfurt. Hij heeft er soortgelijke ervaringen als in Leipzig. Na een periode van rust tekent zich ook hier het verzet af Zijn nadruk op een waarachtig christendom roept reacties op. Ook het feit dat hij met gemeenteleden over de prediking spreekt, lokt tegenspraak uit. Zijn collega's willen de "leken" maar liefst onmondig houden. Als de piëtistische predikant ook nog bevordert dat gemeenteleden in groepjes samenkomen, om over de prediking en het geestelijke leven te spreken, is de maat vol. Men ziet zijn activiteiten als ondermijnend voor de kerk. Een smaadschrift waarschuwt voor "de verleider August Hermann Francke en zijn piëtistisch gif'. Ondanks verzoeken door gemeenteleden en zelfs kinderen van de gemeente, ingediend bij de kerkelijke besturen, wordt het besluit genomen om hem uit het ambt te ontzetten. De oproep tot bekering en tot een leven in ware heiligmaking wordt niet geduld.

Schaduwzijden
Nu moet worden toegegeven, dat er ook schaduwzijden waren aan wat Francke voorstond. Het was zeker niet denkbeeldig dat de particuliere samenkomsten van gemeenteleden zouden leiden tot conventikelvorming, waardoor een beweging naast de kerk zou ontstaan. Ook kan niet ontkend worden dat het piëtisme het gevaar van een zekere individualisering met zich meedroeg, waarbij het accent kwam te liggen op de gelovige mens en zijn beleving, terwijl de gemeente uit het gezichtsveld ging verdwijnen. De nadruk op de levensheiliging kon leiden tot bepaalde vormen van wetticisme, waardoor de christelijke vrijheid in het gevaar kwam. Deze dreigende ontsporingen vormen echter geen reden om het piëtisme als zodanig te veroordelen en het streven van Francke af te wijzen. Integendeel, de nadruk op de persoonlijke beleving van de waarheid en het aandringen op levensheiliging zijn door en door bijbelse noties. En wat kan er voor bezwaar worden ingebracht tegen het herstel van het catechetisch onderwijs in de gemeente, waar Francke voor ijverde? Welk bezwaar kan er zijn tegen een pleidooi voor eenvoudige, bijbelse prediking, tegenover een bombastische rhetorica met allerlei spitsvondigheden waarop de gemeenten vanaf de preekstoel getrakteerd werden?

Universiteit
Kort voor het vertrek van Francke uit Erfurt wordt in Halle een universiteit gesticht. Daar zal het piëtisme echt wortel schieten. Spener ziet Francke graag benoemd als hoogleraar in de oosterse talen, maar Francke betwijfelt of dit wel Gods weg met hem is. Hij wil liever predikant blijven. Om hem tegemoet te komen, wordt het voorstel gedaan het professoraat te verbinden met het predikantschap in Glaucha, een voorstadje van Halle. Daar gaat Francke op in. Het valt hem echter nog niet mee in Glaucha. Op sociaal terrein is de toestand er miserabel. Ook in geestelijk opzicht is er zeer veel dat te wensen over laat. Men volstaat met de kerkgang. Verder is er van zondagsheiliging geen sprake. Omdat de geboden toch niet te houden zijn, probeert men het niet eens. Op antinomiaanse wijze wordt gezegd, dat de mens het immers van genade moet hebben! Tegen allerlei zondige praktijken zoals die in de gemeente voorkomen, trekt de nieuwe predikant ten strijde. Dat hij hierbij niet ontkomt aan het opleggen van te veel regels, en dus aan een bepaalde vorm van wetticisme, is niet te ontkennen. Maar zijn intentie is geen andere dan te bevorderen dat er een wandel komt, waardig het Evangehe.

Zegen
Voor de prediking van Francke komt hoe langer hoe meer waardering. Hij houdt geen dorre verdediging van de rechtzinnige leer, uitgesproken in hoogdravende termen, maar preekt naar het leven. En God geeft zegen. In twee jaar tijd is de gemeente onder Gods zegenende hand uit de staat van religieuze onverschilligheid omhoog gebracht. Dat geeft de predikant gelegenheid tot verdere activiteiten op het terrein van het praktisch christendom. Ook dat is een wezenlijke kant van het piëtisme. Te midden van de vele sociale noden is er werk te verrichten. Francke zorgt voor onderwijs aan kinderen, ook arme kinderen. Hij sticht een weeshuis. Hij probeert de armoede van zijn dagen te bestrijden. Door de giften die van alle kanten binnenkomen -soms heel grote!" wordt hij steeds weer in staat gesteld deze arbeid voort te zetten. In die steun heeft hij "de voetstappen van de nog levende Heere" gezien. Het heeft zijn Godsvertrouwen zeer versterkt. Dat in al dit werk zijn vertrouwen op de Heere staat, blijkt uit het antwoord dat hij geeft aan hen die vinden dat zijn weeshuis veel te groots is opgezet. „Ik weet hoe groot het huis moet zijn om het werk naar behoren te kunnen verrichten. Maar weet dit, dat als God dit huis eenmaal gebouwd heeft, Hij nog even rijk zal zijn als tevoren en nog even bekwaam om voor de armen te zorgen, die er verblijf houden."

Praktisch christendom
Praktisch christendom. Christendom met de daad. Daar ontbrak het zo erbarmelijk aan in de officiële kerk. Francke is door God gebruikt om daar de ogen voor te openen. Natuurlijk is rechtzinnigheid nodig. Natuurlijk moet de kerk zuiver zijn en zuiver blijven in de leer. Maar als dit alles is, gelijkt zij op de gemeente van Efeze, waarvan de Heere moest zeggen dat zij haar eerste liefde verlaten had. Ook de brief van Jakobus laat op dit punt geen onduidelijk geluid horen. In 1724 komt een einde aan het vruchtbare leven van Francke. Door de vele activiteiten is hij betrekkelijk jong "opgebrand". Zijn toch al zwakke lichaam wordt door een ernstige ziekte aangetast. Zo nadert zijn levenseinde. Hij lijdt veel pijn. Als hij zijn voorbijgegane leven nog eens overziet, mag hij zeggen dat het zijn oprechte begeerte geweest is om zielen tot de Heere te brengen. Het maakt hem niet hoogmoedig. Omstanders horen hem zeggen dat hij is als een wormpje, dat tevreden moet zijn wanneer het door zijn Schepper niet verpletterd wordt. Op zijn sterfbed ziet hij zichzelf in de hemel aankomen en hoort hij de Heere Jezus de vraag stellen waar hij vandaan komt. Hij antwoordt dat hij behoort tot hen die uit de grote verdrukking komen. Want het blijft staan dat we door veel verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk der hemelen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.