+ Meer informatie

ONZE VERHOUDING TOT DE NEDERLANDS GEREFORMEERDE KERKEN

17 minuten leestijd

Toen de generale synode van Amersfoort-1980 in zicht kwam, is in woord en geschrift opgemerkt dat onze verhouding tot de NGK één van de belangrijkste agenda-punten zou vormen. Deze opmerking was terecht. Niet alleen omdat de relatie tot kerken van gereformeerd belijden principieel altijd een belangrijke zaak is. In het licht van Schrift en confessie hebben we in dit opzicht te maken met het bevel en het gebed van onze Here zelf. Ook onze historie, zowel die van de Reformatie als die van de Afscheiding, toont aan dat onze vaderen niet lichtvaardig over een breuk in de kerk hebben gedacht. Maar ook is van betekenis dat de contacten met de NGK nu zo lang en van zodanige aard zijn geweest, dat we niet kunnen blijven doorgaan met samensprekingen via deputaten en ontmoetingen hier en daar op plaatselijk niveau. Er moeten nu eens besluiten worden genomen. We groeien daar heen. Onze synode sprak uit (Acta artikel 116) „dat de kerken in gebed, prediking, ambtelijke arbeid en publikaties, gelovend in de kracht van Christus’ gebed om eenheid, aandacht dienen te besteden aan Christus’ gebod tot eenheid opdat het besef van en het verlangen naar deze eenheid verlevendigd wordt”. Dat is duidelijke taal. Het vermelden van Christus’ gebed en gebod bewijst dat volgens de synode hier geen vrijblijvende zaak aan de orde is. Het is dan ook onjuist te zeggen dat deze synode t.a.v. deze materie een „pas op de plaats” gemaakt heeft. De synode wil dat de zaak der eenheid gaat leven in de kerken. Want ondanks enige spanning ter synode als deze zaken aan de orde komen, is gebleken dat over het algemeen, met slechts hier en daar een uitzondering, onze gescheidenheid van de NGK weinig onderwerp van discussie is.

Uit heel de gang van zaken blijkt ook, dat het allemaal nog niet zo gemakkelijk gaat. Er zijn aarzelingen, hier en daar zelfs bezwaren tegen samengaan. Anderzijds wordt er hier en daar gewacht op voltooiing van wat bereikt is en ontstaat zelfs een zekere matheid als men niet weet hoe het nu verder moet. Hier en daar werden zelfs reeds gelegde contacten verbroken.

Hoe moeten we nu verder?

De synode gaf aan deputaten drie opdrachten: a. zich te bezinnen op de oorzaken waarom het op veel plaatsen niet in de goede richting gaat; b. alles te doen wat mogelijk is om deze oorzaken weg te nemen; c. met de samensprekingen voort te gaan over zaken die het gestalte geven aan eenheid bevorderen c.q. in de weg staan.

Vergeleken bij vroeger betekent deze opdracht dat de weerstanden in eigen kerken breder zullen moeten worden onderzocht. Misschien zal er zelfs in de periode tot de volgende synode wel meer met onze kerkeraden en classes moeten worden doorgepraat dan met de commissie van de NGK. Want de bezinning op het eerste moet de inhoud vormen voor de samensprekingen met de commissie.

Op dit moment is het nog te vroeg om van deputaten te verlangen, dat zij precies een soort beleidsprogramma kunnen opstellen. Na onze synode heeft de landelijke vergadering van de NHK haar bijeenkomsten gehad en het resultaat daarvan ligt nog niet helemaal voor ons, moet in ieder geval nog nader bezien worden.

Wèl is natuurlijk door deputaten reeds uitvoerig gesproken over de wijze waarop de zaak in onze kerken aan de orde moet komen. En welke punten daarbij in geding zijn.

Als het gaat over oorzaken waardoor er nog zo weinig schot zit in de zaak van de eenheid, dan zie ik vooral vijf groepen:

1. bezwaren die bij de NGK leven tegen wat in onze kerken aan de hand is;

2. bezwaren die bij ons leven tegen wat er hier en daar in de NGK wordt gevonden;

3. het feit dat ondanks de „Gemeenschappelijke verklaring over de toeëigening des heils” er toch nog wel verschillen zijn tussen de prediking in de NGK en die bij ons;

4. de nog niet helemaal bevredigende resultaten van de samenspreking van de laatste drie jaren over de kerkelijke samenleving.

5. de discrepantie tussen de contacten in sommige plaatselijke kerken en die in breder kerkelijk verband.

Ad 1. Met opzet noem ik als eerste: bezwaren tegen ons in de NGK. Het is van belang dat wij ons niet inbeelden dat we kerken zijn, zo aantrekkelijk voor anderen dat zij maar al te graag naar ons toe komen. Men weet ook bij de NGK heus wel wat er in onze kerken te vinden is aan oude en nieuwe tegenstellingen, aan verwijderingen enz. Elke kerk, ook die van ons, timmert aan de weg. In onze kerkelijke pers wordt er heus geen geheim van gemaakt dat lang niet alles bij ons koek en ei is. De hand in eigen boezem steken is ook in dit opzicht een zeer christelijke zaak. Als sommigen van onze leden daarom weglopen, kunnen we dan verwachten dat anderen naar ons toehollen? Er zijn in de loop van de laatste jaren aan deputaten wel eens artikelen uit kerkbodes voorgelegd, waarvan de NGK-broeders vroegen: is dat nu christelijk gereformeerd? Wordt er bij jullie zó gepreekt, worden zo de zielen geleid? Soms rustte die kritiek op onbegrip, maar soms ook was zij terecht. Deze kritiek mag ons wel eens diep ootmoedig doen denken aan ons eigen kerkelijk leven. Dat bestaat alleen maar, en kan alleen maar bestaan bij de genade des Heren. De Here heeft geduld met ons, met onze kerken. Wij mogen in de relatie tot andere kerken niet hoog van de toren blazen. O zeker, ik ben op de meeste andere kerken niet jaloers. Daar is het ook niet alles. En er is veel waarvoor wij bewaard bleven, althans tot dusver. Maar om nu te zeggen dat bij ons alles volgens Schrift en belijdenis toegaat … Er blijft veel te wensen, te strijden en te bekeren over. En als anderen ons daarop wijzen, past ons geen hoogmoedig antwoord. Ootmoed dus.

Maar ik zeg er direct bij: ootmoed is iets anders dan ontrouw. Op de markt b.v. is het zo dat als mijn „produkt” feilen vertoont, ik met een lagere prijs tevreden moet zijn. En wie boter op zijn hoofd heeft, moet niet in de zon gaan staan, zegt een spreekwoord. Maar in de kerk gaat het toch anders! Ondanks alle dingen waarop kritiek te maken is, zijn we niet bezig ons „produkt” te „verkopen”, waarbij de verkoopprijs kan zakken of stijgen. Want de kerk is des Heren, d.w.z. zij is niet ons, maar Zijn „produkt”. Zij is door Hem gekocht en door Hem vergaderd. Zij is en blijft van Hem. En als ik hier „kerk” zeg, bedoel ik niet één of andere vaagheid „met een grote K”, maar dan bedoel ik heel uitdrukkelijk onze Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland (niet met uitsluiting van andere kerken, maar op dit probleem ga ik hier niet in). Ik wil maar zeggen: ootmoed over ons zelf houdt beslist niet in dat we nu ‘s Heren kerk maar wat goedkoper gaan verhandelen. We mogen alleen handelen in trouwe gehoorzaamheid aan de Koning der kerk. De enige vraag in de onderhavige kwestie is: hoe wil Hij dat we handelen? Mogen we breuken laten bestaan of moeten we die helen? Moeten we gescheiden blijven of moeten we elkaar zoeken?

Zo leren we met elkaar omgaan op een echt geestelijk niveau. Ootmoedig en gehoorzaam, omdat we allereerst met de Here Zelf te maken hebben, ook als het over de kerk gaat. Wat doen we met Zijn zaak, Zijn opdracht, met wat Hij liefheeft?

Deze gehoorzaamheid in ootmoed hebben we trouwens ook naar binnen te beleven. Waarom zijn (en blijven) wij tot dusver christelijk gereformeerd? Toch uiteindelijk omdat we geloven dat de Here ons daar heeft geplaatst en geroepen? Niet omdat het bij ons „beter” is dan elders. Trouwens, de situatie kan morgen heel anders zijn!

Wel moeten wij ons afvragen of wij, als we eisen stellen aan anderen, niet met twee maten meten. Als wij b.v. een zekere eenheid in verkondiging vragen die naar binnen niet geëist wordt, of waartoe we in eigen kerken geen mogelijkheid zien, zijn we dan wel oprecht? Deze vraag kan naar twee kanten werken: vragen we niet teveel van de ander, maar ook: zijn we naar binnen echt wel getrouw? Men bewondert ons soms om de wijze waarop we elkaar ondanks alles vasthouden … of: hebben we elkaar in de houdgreep? Als we ons hierop bezinnen, zullen we kritiek van anderen niet zonder meer naast ons kunnen neerleggen. We worden dan teruggeworpen op ons ambt, dat is: op ons dienaarzijn. Ik hoor wel eens uitdrukkingen die mij doen twijfelen of het altijd wel zo verstaan wordt. Er wordt soms gezegd: ik voel helemaal geen genegenheid, geen liefde tot die andere kerk; en voor een huwelijk van twee mensen moet er toch liefde zijn, anders kun je beter niet beginnen! In alle simpelheid is dit voorbeeld misleidend. Als een huwelijk wordt gesloten, dan heeft inderdaad de liefde het beslissende woord. Maar als het om kerkelijke eenheid gaat, heeft de Here het laatste woord. Dan is er het gebod der liefde. Als er liefde ontbreekt, dan sta ik voor de vraag of ik hiermee niet tegen Gods bevel in ga. Tenzij ik om ‘s Heren wil, alleen dáárom, moet zeggen: die eenheid mag niet! Dan is er ook de pijn der liefde, en daarvan hebben Luther, Calvijn, de Cock heel veel geweten.

Ik weet niet of deputaten de opdracht „alles te doen wat mogelijk is” om de oorzaken waarom het tussen de NGK en ons niet „gaat” zo zullen vullen dat zij elk bezwaar van de NGK tegen ons in ons kerkelijk leven aan de orde zullen stellen. Dat zij zich op het „hoe” van deze opdracht hebben te beraden, spreekt vanzelf.

Ad 2. Er zijn zaken bij de NGK die bezwaren hebben opgeroepen en nog oproepen bij ons. Ter synode zijn enkele punten gerapporteerd: vrouwelijke ambtsdragers b.v. Ze zijn en blijven in de samensprekingen aan de orde.

De vraag die telkens mag en moet worden gesteld, is: is wat er geschiedt naar Schrift en confessie? Dat kan betekenen dat we ons in vraagstukken moeten verdiepen die niet direct uit eigen kerkelijk leven opkomen. Ik denk maar aan die vrouw in het ambt: in onze kerken is die vraag (nog) niet aan de orde gesteld. Op synodes is er wel eens een opmerking over gemaakt (o.a. toen de kwestie van het stemrecht van de zusters der gemeente werd besproken), maar een officieel chr. geref. standpunt is er niet. Er is nooit om gevraagd. Maar nu komt die vraag van uit de NGK naar ons toe. Of eigenlijk: wij hebben die vraag aan de NGK gesteld. Kunnen we één worden als er bij u vrouwelijke ambtsdragers worden aangesteld?

Wat ligt meer voor de hand dan dat we samen met deze vragen bezig gaan, en naar elkaar gaan luisteren als we elkaar de Schrift voorhouden. En daarbij krijgen we natuurlijk te maken met onze eigen tradities, met wat er in de historie aan opvattingen en gewoonten bij ons is gegroeid, leder weet welk een grote plaats deze traditie bij ieder inneemt. Hier speelt vaak onbegrip, een niet in eikaars gedachten kunnen komen, een grote rol. Nogmaals: dit moet eigenlijk samen gedaan worden. Niet op een afstand van elkaar, maar in ontmoetingen met elkaar. En daarin kan en moet de plaatselijke kerk een rol spelen, want plaatselijk, en niet via kerkbodeartikelen of brochures ontmoeten we elkaar werkelijk.

Ad 3. Eén van de belangrijkste punten in de samensprekingen was de „toeëigening des heils” en de plaats daarvan in de prediking. Ik ben het van harte ermee eens dat juist dit punt zo brede aandacht heeft gekregen. Want prediking is méér dan Schriftverklaring, meer dan verkondiging „naar aanleiding van” een tekst of hoofdstuk. Prediking is toediening, be-diening van het heil in Christus. Hoe gebeurt dit? Hoe wordt echt „onderscheidenlijk” gepreekt? Voor wie is het heil, voor wie is het niet? Hoe worden de leden der gemeente in alle waarheid geleid? De betekenis van deze vragen is nauwelijks te overschatten. Vroeger, in de samensprekingen met de gereformeerden, later in die met de vrijgemaakten, en vervolgens in die met de NGK, is dit onderwerp telkens aan de orde geweest. En u weet, de NGK en wij hebben elkaar gevonden in de „Gemeenschappelijke Verklaring”. Deze is, na op de generale synode aanvaard te zijn, aan alle kerkeraden toegezonden. En toen … is het stil geworden! Slechts een enkele kerk stelde eens een kritische vraag, ter synode een enkele afgevaardigde.

Een goed teken? Ik wilde dat ik het geloven mocht. Maar ik vrees dat dit geschrift in veel gevallen opgelezen in het archief is terechtgekomen. En dat, als te eniger tijd de zaak van de eenheid met de NGK in een concreet stadium komt, plotseling allerlei kritiek losbreekt. Ik vrees het, ik kan het niet bewijzen. En wat moeten we dan? Op formele gronden zeggen: de tijd van kritiek is nu voorbij, dit na-kaarten is niet eerlijk? Is dan dit onderwerp geheel buiten discussie? Natuurlijk niet. Deze „Gemeenschappelijke Verklaring” is bedoeld om gelezen, maar ook om gehandhaafd te worden. De NGK mag tot ons zeggen: zó moet toch het Woord worden bediend? En wij moeten hetzelfde tot de NGK zeggen, als we zouden constateren dat ervan wordt afgeweken in de praktijk. Voorts zullen we ermee moeten rekenen dat ondanks een gemeenschappelijke uitspraak door de eigen geschiedenis de prediking gevarieerd zal blijven. Maar dat is bij ons toch ook het geval? Het gaat er maar om: wordt het Woord Gods toe-gediend, worden zielen geleid in de wegen des Heren? De „Gemeenschappelijke Verklaring” moge gaan functio-neren, in gesprekken binnen en buiten de eigen kerken.

Ad 4. In de laatste jaren is uitvoerig met de commissie van de NGK gesproken over de kerkrechtelijke ontwikkelingen. Veel leden van de NGK hebben in hun leven maar liefst twee keer een kerkscheuring meegemaakt. Eerst in 1944, toen de vrijgemaakte kerken zich afsplitsten, en ruim 20 jaar later, toen de „buitenverbanders” er naast kwamen te staan. In beide gevallen speelden kerkverband en kerkorde een belangrijke rol. Vooral de macht die de generale synode zich toekende, was funest. De interpretatie van de Dordtse Kerkorde (die wij ook hebben) bracht verdriet en scheuring. De NGK zei en zegt: „dat nooit weer” en zij poogt een orde van kerkelijk samenleven op te stellen die geheel in de lijn van het gereformeerde kerkrecht blijft, maar die tevens het in 1944 en 1967 gepleegde misbruik voorkomt.

Deze ontwikkeling bij de NGK ontmoet van onze zijde kritiek. Onzerzijds wordt gevreesd dat het gezag van de bredere kerkelijke vergadering zo wordt uitgehold, dat geen enkele tuchtoefening over een dwalende kerkeraad mogelijk is, en ook dat besluiten van bredere vergaderingen heel gemakkelijk kunnen worden genegeerd. Ik weet dat kerkrechtelijke vragen voor veel kerkleden zaken zijn die de theologen maar moeten uitzoeken. Maar toch, wil er kerkelijke eenheid komen, dan moet er overeenstemming zijn over de wijze van samenleven. Deze kwestie moet dus uit de weg. Want onbelangrijk is zij helemaal niet.

Wel moeten we hier natuurlijk de proporties in het oog houden. Het akkoord van éénheid tussen kerken is naar gereformeerde opvatting niet de kerkorde, maar de belijdenis. Waar men één is in het belijden, dus in het geloof, daar is de echte kerkelijke eenheid in de Here. Daar moet ook de kerkelijke eenheid, duidelijk voor allen, komen. Kerkorde-lijke zaken mogen op de duur geen breekpunt vormen, tenzij natuurlijk de heerschappij van Jezus Christus in het geding komt. Stel u voor dat de kerkorde leervrijheid toelaat, dan is er veel meer dan alleen maar de kerkorde in het geding. Doch de eerste eenheid in de kerk is de eenheid dan de avondmaalstafel, niet die van de synodetafel. De tweede is er om de eerste, niet omgekeerd.

Ik meen dat hier de mogelijkheid ligt voor de „federatie”. Een federatief samenleven, dus nog geen eenheid over de hele linie, weliswaar wel op weg naar die eenheid over de hele linie, is mogelijk als men de rangorde: avondmaalstafel - synodetafel in het oog houdt. En weer, die eenheid van avondmaalstafel leeft niet op classes, synoden en deputatenvergaderingen, maar daar waar de gelovigen rondom het Woord des Heren samenkomen en elkander met het Woord en naar het Woord dienen. M.i. moet het mogelijk zijn dat, waar plaatselijk de kerken elkaar vonden en gemeenschap begeren, het feit dat men landelijk nog niet overal zo ver is en organisatorisch daar nog moeilijkheden zijn, de kerlelijke gemeenschap daardoor niet mag worden opgehouden.

Ad 5. Om direct bij het vorige aan te sluiten: we staan voor het feit dat de situatie plaatselijk en landelijk verschilt. Er zijn plaatselijke kerken die aan eenheid toe gekomen zijn; die van hun classis daarvoor alle medewerking en goedkeuring hebben gekregen. Maar het gehele kerkverband is niet zo ver. Wat dan?

De oorzaken zijn duidelijk. Niet alle plaatselijke chr. geref. kerken zijn gelijk, en alle NG Kerken ook niet. Ook doet zich het vraagstuk niet in elke plaats voor, b.v. waar alleen een chr. geref. of alleen een NGK is.

Vooropgesteld zij dat een plaatselijke kerk, zoals trouwens de Kerkorde ook uitdrukkelijk zegt, niet zonder gesprek met de zusterkerken een andere band mag aangaan. De classis moet er in gekend worden. Waarom moet dat?

Dit is een heel principiële zaak. Wat is nl. de taak van een kerkverband? De eigenlijke taak is niet: allerlei zaken zoals opleiding en emeritikas enz. te regelen, maar: elkander als kerken te bewaren bij het Woord des Heren! Als lid-kerk van het kerkverband heeft men beloofd naar elkaar te luisteren, zich door elkaar te laten onderwijzen en leiden. Het uitgangspunt is: wij hier ter plaatse weten het niet alleen; het kan zijn dat de gena-buurde gemeente ons het Woord des Heren beter doet verstaan. Dus een kerk die eenheid zoekt met de NGK zegt dit aan de classis, en luistert naar het oordeel van die classis. Maar anderzijds heeft dan ook dat kerkverband niet anders dan het Woord des Heren te spreken. Dat kerkverband moet of zeggen: gemeente, die band mag u om ‘s Heren wil niet aangaan en als u dit toch doet, dan mogen wij u niet meer als zusterkerk behandelen; öf het moet zeggen: gemeente, gehoord uw argumenten moeten we zeggen dat u in de weg des Heren bent gegaan, en we steunen u erin!

Daarom is het van het allergrootste belang dat op onze kerkelijke vergaderingen geluisterd wordt naar het Woord des Heren. Zijn stem moeten we er horen. Anders wordt het heel erg moeilijk. Als een classis b.v. door stemming gaat uitmaken „of men er voor voelt” dat een plaatselijke kerk toestemming krijgt tot kanselruil, dan gaat het fout. Hier is niet aan de orde „het gevoelen van de vergadering”. Ook op de classis en verdere vergaderingen moeten we tegenover elkaar dienaars des Woords zijn, zowel de predikanten als de ouderlingen. Want een kerk die klem wordt gezet tussen wat zij verstaat als de roeping des Heren énerzijds en het subjectief gevoelen van de andere kerken anderzijds, wordt in een vals dilemma getrokken. En daaruit is maar één uitweg: „ziende op het gebod, blind voor de toekomst”. Alleen, dat gaat dan wel vaak met pijn gepaard.

De zaken van de verhouding tot de Nederlands Gereformeerde Kerken vragen van deputaten een diepgaande bezinning. Het laatste woord zal nog niet gesproken zijn. Maar het is beslist geen zaak van deputaten, maar een zaak van de hele kerk. Wie deze zaak geen plaats gunt in zijn persoonlijke bezinning en gebed, kan vervreemden van wat, naar ik vast geloof, niet door de mensen, maar door de Here aan de orde wordt gesteld in onze kerken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.