+ Meer informatie

HOELANG PLOEGT (ZWOEGT!) DE BOER VOORT?

12 minuten leestijd

Pastorale zorg aan agrarische gemeenteleden in een tijd van economische recessie.

Inleiding

Wie de laatste tijd het nieuws enigszins bijhoudt, heeft allang begrepen dat het in verschillende agrarische sectoren niet zo goed gaat. Er is soms een dreiging, dat een bedrijf niet langer kan bestaan. En het betekent voor veel boeren onzekerheid voor de toekomst.

De vraag komt op: “Wat is er nu mis op het platteland?”

We willen proberen de problemen die zich voordoen, kort te schetsen. Daarna willen we proberen de pastorale kant van de zaak te benaderen. We kijken dan eerst naar bedrijven die langdurig onder financiële druk verkeren, en vervolgens naar bedrijven waar de beslissing genomen moe(s)t worden om te stoppen. Uiteraard moet u hier geen volledigheid verwachten. Dat kan ook niet gevraagd worden van iemand, die (hoewel groot geworden op de boerderij) verschillende agrarische sectoren niet van binnenuit kent.

Aard van de problematiek

Het gaat momenteel siecht in de varkensbranche, de glasbouw, de groente- en fruitteelt en de akkerbouw (vooral de graanteelt).

Het grote probleem vormen vooral de overschotten. Daardoor liggen de prijzen van veel produkten laag. Verschillende produkten zijn gequoteerd. Levert een agrariër boven dat quotum, dan krijgt hij voor het overtollige bijna geen cent.

Door de lage prijzen daalt het inkomen van boeren tot een dieptepunt. Even een paar cijfers die ik ontleende aan een artikel in De Boerderij:

“Door de lage varkensprijzen en de vrije val in de biggenprijzen (30 procent lager) zullen de inkomens in de zeugenhouderij sterk negatief zijn. Het gemiddelde varkensbedrijf komt op een gezinsinkomen van min f 4.000,- per jaar; zeugenbedrijven zitten tussen min f 35.000,- en min f 40.000,-. Gevolg: een forse intering op eigen vermogen en daarom acute betalingsmoeilijkheden! De akkerbouw doet het iets beter, maar als je praat over een gemiddeld gezinsinkomen van f 26.000,- per ondernemer, dan is dat veel te laag om er een voldoende gezinsinkomen uit te halen. Gevolg: de kredietruimte bij leveranciers wordt groter, een ondernemer moet soms een extra lening afsluiten of aflossingen op de lange baan schuiven.” Op deze lage prijzen is tevens van invloed, dat zeer recent op EEG-niveau een begin gemaakt is met de afbouw van landbouwbeschermende maatregelen, de subsidies. Ook het Gatt-akkoord, dat een vrijere wereldhandel in o.a. landbouwprodukten beoogt, zal nadelen hebben voor de agrarische sector.

Een probleem vormt eveneens de regelgeving van de overheid in verband met het milieu, die boeren tot hoge investeringen noopt.

Uiteraard voelen de boeren zich verantwoordelijk voor het milieu. Ze doen nun uiterste best om de hoeveelheid mest terug te dringen en het gebruik van schadelijke Stoffen in de landbouw te beperken. Maar er zit zo’n peperduur kostenplaatje aan. De boer zwoegt (letterlijk) om aan de milieu-eisen tegemoet tekomen.

Naast regelgeving en lage prijzen komt het probleem van hoge investeringen. Er zijn boeren die een aantal jaren geleden geweidig geïnvesteerd hebben en een zware hypotheek hebben opgenomen. Het hoeft geen betoog, dat men zwaar in de schuld zit, wanneer het inkomen zo laag ligt.

Voor sommige boeren is er een tijdelijke crisis ontstaan door de huidige lage prijzen. Als de prijzen wat omhoog gaan, redt men het wel. Voor anderen kan er een jarenlang durende moeilijke financiële situatie zijn ontstaan met spanningen en stressverschijnselen.

Bovendien moet niet vergeten worden, dat er op korte termijn niet zoveel perspectief is op een economische opleving.

De prognose is immers dat in een bestek van vijftien jaar het aantal agrarische bedrijven gehalveerd zal zijn. Bij de acties op de Zeelandbrug twee jaar geleden riep een boer uit: “We hebben hier altijd tegen de natuur op moeten tornen. En dat is ons redelijk gelukt. Nu moeten we optornen tegen de politiek, die een veel grilliger macht vormt”. Dat was heel raak gezegd.

Het is misschien een wat somber beeld, dat ik geschetst heb. Laat niemand er uit afleiden, dat elke boer het nu per definitie siecht heeft. In de melkveehouderij gaat het gelukkig aardig goed. En er zijn gelukkig ook heel wat boeren die ondanks de moeite een redelijk bestaan hebben. Ik wil me in dit artikel vooral richten op de situatie van boeren die onder zware financiële druk zitten.

De zwoegende boer

Hoe voelt dat, als je bedrijf siecht draait en je maandelijks (b.v. als varkensfokker) inteert? Voor een boer ligt dat uiterst gevoelig. En de reacties zijn dan ook verschillend. Er zijn boeren die het voor een ander niet willen weten. Ze verdringen het probleem. Boeren worden ook kwetbaar in deze situatie, vooral als collega-boeren het wel vrij goed redden. Door bepaalde reacties uit de omgeving gaat men soms twijfelen aan eigen competentie als ondernemer. Er ontstaat faalangst. Men gaat zichzelf soms beschuldigen: “Zo van: had ik die investering toen maar niet gedaan, of: was ik maar tijdig overgeschakeld op een ander gewas etc.”

Men kan zich daardoor ook wat gaan isoleren. De ontmoeting met anderen, met collegaboeren wordt gemeden. Want ja, als die pijnlijke vraag op tafel komt “Hoe gaat het op jouw bedrijf”, dan kun je beter thuisblijven. Want je wilt je liever niet kwetsbaar opstellen. Wat kan in zo’n situatie de kerk, de predikant of de diaconie doen? Als je weet, dat het in een bepaalde sector siecht gaat, denk dan als predikant aan de voorbede. Het is zo fijn als een agrariër voelt: “Ook mijn probleem wordt voor de troon der genade gebracht”. Ook in de prediking kan bemoediging geboden worden aan ieder, die het zwaar heeft.

Bij het huisbezoek mag de vraag niet ontbreken: “Hoe gaat het met uw bedrijf in deze tijd van economische teruggang? Wie dat belangstellend vraagt en vervolgens goed kan luisteren, zal dikwijls de bal aan het rollen krijgen.

Toch is hier de nodige voorzichtigheid geboden. Een agrariër legt niet zo gemakkelijk (trouwens wie wel?) zijn financieel zwakke positite op tafel. Hij moet ook weten dat het verhaal dat hij in zijn kwetsbare positie vertelt, veilig is bij die ander. Want hij wil niet met zijn bedrijf “de straat over”.

Ga daarom als ambtsdrager behoedzaam met verkregen informatie om. En blijft iemand op een eilandje van zwijgzaamheid zitten, trek het er niet uit. Maar kom een keer terug. Wellicht, dat iemand dan wel wil praten, omdat hij voelt: “Tegen die of die kan ik het wel zeggen”. Als de agrariër zijn gevoelens maar kan uitspreken. Als de boerin desnoods maar even kan uithuilen.

En als er in het pastorale gesprek diepinsnijdende vragen gesteld worden dan mag de ambtsdrager daarop ingaan.

Misschien is er schuldgevoel: “Ben ik dan zo’n siechte boer?” Misschien is er twijfel aan eigenwaarde, nu het bedrijf dreigt onder te gaan en de agrariër zich meegezogen voelt worden in die dreigende ondergang.

De ambtsdrager mag in deze verwarrende situatie proberen schuldgevoelens toch wat te relativeren. Er mag gewezen worden op het feit, dat het niet ligt aan de competentie van de agrariër, maar aan allerlei economische factoren, waaraan men overgeleverd is. En mocht iemand toch bij de bedrijfsvoering fouten hebben gemaakt en verstrikt zijn in schuldgevoelens, dan mag er gewezen worden op de bijbelse notie van vergeving. Bovendien mag de ambtsdrager de agrariër vanuit het Woord een breder blikveld proberen te geven. Zodat hij niet alleen zijn eigen precaire situatie ziet, maar ook Gods troostvolle nabijheid. En hij ziet, dat zijn waarde niet slechts afhankelijk is van het niet of wel goed functioneren van zijn bedrijf. Als christen mag de agrariër zijn oneindige waarde vinden in Christus. Zelfs bij bedrijfsbeëindiging (ik ga daar straks nog op in), is niet alles verloren. Want een agrariër is meer dan boer, meer dan zijn bedrijf. Zijn hoop reikt verder dan het aardse perspectief voor zijn bedrijf. Juist het pastoraat mag daar voorzichtig en tactvol op wijzen.

De ambtsdrager mag ook wijzen op het belang van sociale contacten, juist als het moeilijk gaat.

Het is immers goed er eens uit te zijn, andere gesprekken te hebben. Om zo eigen situaties toch beter te kunnen relativeren.

Ook de diaconie kan voortreffelijk werk doen. In de Gereformeerde Kerk in Aalten heeft men bijvoorbeeld allen bezocht, die een varkensfokbedrijf hebben. Over het algemeen is deze belangstelling enorm gewaardeerd. In een aantal situaties heeft men financiële steun gegeven om het huishoudgeld rond te krijgen.

Een totaalaanpak om alle boeren van een sector waarin het economisch siecht gaat te bezoeken, werkt het beste. Zo hoeft de entree van een ambtsdrager niet opgevat te worden als een bedreiging: “Zo van: die man weet zeker van mijn siechte situatie.”

De vraag kan ook gesteld worden of hier niet elke pastor zelt tijd moet gaan vrij maken voor deze adressen. De pastorale agenda is vaak al vol genoeg. Dat besef ik. Maar mag de pastorale/kerkeraadsagenda niet meebepaald worden door economische vragen? Ik ken een kerkeraad die zich heeft laten voorlichten door iemand van de C.B.T.B. om zo de problemen in kaart te krijgen en die vervolgens alle bedrijven in de “economisch zwakke” sector heeft bezocht. Een goed initiatief! We mogen niemand die het financieel moeilijk heeft, in de kou laten staan. In feite rekenen mensen er ook op.

Men ziet dan zondags een herder op de kansel, die in de week langs geweest is en meeleeft, en in de kerkeraadsbank zitten mensen die aandacht hebben getoond. Dan zit je als agrariër anders in de kerk. Dan beluister je in het gebed betrokkenheid en meeleven. lemand, die heel moeilijk zat en als een berg tegen de dankdagdienst opzag, zei na afloop: “Wat was het fijn in de kerk, de voorbede, dat warme meeleven van broeders en zusters”.

Is er leven na het boer zijn?

Tot slot wil ik ingaan op de situatie dat iemand zijn bedrijf moet beëindigen.

Waar iemand daadwerkelijk moet stoppen, gaat er een hele worsteling aan vooraf. Dan is er soms al lange tijd schrijnende nood geweest. Fijn, als een kerkeraad dat op tijd signaleert en ook pastoraal kan begeleiden bij bedrijfsbeëindiging. Waarom is bedrijfsbeëindiging zo moeilijk?

Dat kan zijn, omdat het leven van de boer dan doelloos schijnt. Waar hij een heel deel van zijn leven aan gebouwd heeft, gaat ten onder. Er is schaamte tegenover hen, die het wel redden. Er is ook angst de plek te moeten verlaten, waar men opgegroeid is, waar van vader op zoon het bedrijf is doorgegeven. Het is het stuk grand, waar men aan gehecht is. Heel iemands identiteit is bepaald door dat bedrijf, die plek, dat werk. Loslaten is rouwen om wat niet meer is. Het betekent ook dikwijls een isolement: “De handelaren, de voerleveranciers komen niet meer gezellig op de koffie”. Het wordt zo akelig stil rond de boerenbehuizing.

Als ambtsdrager mag je goed werk doen, als er sprake is van schulden schaamtegevoelens.

En als men met schuldgevoelens kampt, omdat men als ondernemer schipbreuk heeft geleden, dan mogen noties als vergeving en genade naar voren komen. Want vergeving betekent immers: “Een verleden afsluiten en naar de toekomst kijken”. Genade betekent immers: “Hij weet, wat van zijn maaksel zij te wachten”. God vraagt niet dat wij met onze zwakke schouders de last blijven tillen van een bedrijf, dat niet meer gaat.

Er is door genade toch een nieuw begin mogelijk. Er is toch leven na het boer zijn. En de boer mag zich afvragen: “Heb ik niet meer gaven dan alleen het boer zijn? Zijn er niet meer mogelijkheden om ingeschakeld te zijn?” Wel wil ik hier beklemtonen: “Zet niet te vroeg met deze noties in, maar luister eerst goed!!!” Zeg niet te lichtvaardig: “Och man, er zijn genoeg andere mogelijkheden, er zijn zovelen die met het werk moeten stoppen of werkeloos worden”. De boer zal dan terecht het gevoel hebben niet begrepen te zijn.

Wie hier pastoraal begeleidt, moet geduld hebben. Een agrariër kan niet in korte tijd klaar zijn met deze “rouwverwerking”. Hij zal er wellicht jaren over doen om een nieuwe invulling te vinden. Ga als herder rustig dat traject mee, overeenkomstig het voorbeeld van de grote Herder, die de zogenden zachtkens leidt.

Het is ook belangrijk, dat de pastor gevoelens van ernstige depressiviteit onderkent en desnoods hulp inroept. En hij zal, waar men zich gaat isoleren uit schaamte, een weg zoeken om iemand erbij te blijven betrekken.

Gelukkig ervaren sommigen bedrijfsbeëindiging na verloop van tijd als een goede stap. lemand schreef: “Als we het bedrijf gehouden hadden, waren we alleen maar dieper in de problemen terecht gekomen. We zijn tijdig gestopt en hebben gelukkig ander werk kunnen vinden”. Dus toch leven na het boer zijn!

En een ander schreef: “Trefwoorden bij bedrijfsbeëindiging zijn verdriet, teleurstelling, basalisatie (je moet terug naar de worteis van je bestaan, je wordt bepaald bij de basale dingen: wat betekent nu je huwelijk, je geloof voor je), een gevoel van overgeleverd zijn”. En wat betekent dan geloof? “Veel hebben we gehad aan de les die we leerden van het volk Israël dat Egypte, het land van de vleespotten, maar ook van menselijke zekerheden, moest verlaten, de woestijn in moest om daar met de dagelijkse zandkorrels tussen de tenen te leren, dat God betrouwbaar is. Zo hebben we mogen leren, door het wegvallen van menselijke zekerheden, dat Hij onze zorgende Vader is, ons rustpunt, ons vertrekpunt, ons doel”.

”En wat is daarbij de rol van de kerk? Laat er gemeentekringen zijn, waar aandacht is voor elkaars problemen, waar je elkaars lasten leert dragen, je eigen lasten leert relativeren. Daar wordt zelfstandigheid getransformeerd tot gemeenschappelijkheid. En leven na het boer zijn, ja dat is er gelukkig door Gods trouwe Vaderzorg die, als wij ons werk moeten laten varen, zelt niet laat varen de werken zijner handen.

Hij gaat met een mens door.

Tenslotte

Het is voor mijn gevoel van belang, dat de kerkelijke gemeente de agrariër niet pas in het vizier krijgt, als het moeilijk gaat. Hij heeft er weinig belang bij, dat iedereen dan plotseling rond zijn “ziekbed” gaat staan. Als het kan moet er telkens een grote betrokkenheid zijn, waardoor de agrariër weet: “Als er wat is, kan ik in mijn gemeente terecht voor bemoediging”. Er zou veel aan gelegen zijn om eventuele nood vroegtijdig te signaleren om zo in eerdere instantie mensen pastoraal bij te staan. Daarom is het regelmatig door de wijk gaan belangrijk. Pastorale zorg die vroeg begint, heeft zoveel meer mogelijkheden om op te vangen.

Wilt u tot slot goede lectuur over deze materie, dan kan ik u van harte het boekje “Crisis op de boerderij” geschreven door Carin Giesen, psychologe en boerendochter, aanbevelen. Het is uitgegeven bij A.W. Bruna Uitgevers B.V. Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.