+ Meer informatie

Voor de jeugd

5 minuten leestijd

Beste jongelui!

Tot nu toe is er in ons blad „Bewaar het pand” onder dit opschrift niets verschenen. Het zou daardoor de schijn kunnen hebben, dat er aan jullie niet gedacht werd. Nu, stel u gerust. Niets is minder waar. Er wordt heus wel aan jullie gedacht, al wordt je niet altijd met name genoemd. Doch het „met name genoemd worden” wil er ook wel eens een keertje in. We kunnen dit begrijpen. Daarom heeft de redaktie mij verzocht om in „Bewaar het pand” onder het opschrift „Voor de jeugd” te gaan schrijven. We hebben dit aanvaard en bij deze ontvangt u dan het eerste artikel van onze hand.

Jullie willen natuurlijk weten wie ik ben. Nu, daar heb je recht op. Waarom ook niet? Ik houd er niet van om kiekeboe te spelen. Dat wordt er genoeg gedaan, helaas. Als je wat ouder wordt, dan ga je dit steeds meer ontdekken. Dat is meestal geen aangename ontdekking. Vooral niet voor jongens en meisjes, die leven in het jaar 1969. Die weten maar graag waar ze aan toe zijn. „De jeugd van tegenwoordig” is eerlijk, zegt men. Nu, daar houd ik van. Ik houd, ronduit gezegd, van eerlijke jonge mensen. Hoewel, bedenk, dat eerlijk zijn niet altijd eenvoudig is. Echt eerlijk zijn kan wel eens heel moeilijk zijn. Wanneer is een mens eigenlijk eerlijk, helemaal eerlijk? Als God het hem maakt. Ik hoop, dat jullie dit begrijpenen door de Heere eerlijk gemaakt zullen worden. Want van nature is een mens dat niet.

Jullie roepen mij inmiddels tot de orde en zeggen: Vertel nu eerst eens hoe u heet. Nu, daar komt het dan, voluit: Ds. Hendrik Cornells van der Ent. Mijn adres is: Katwijk aan Zee, Zeeweg 76.

Wanneer jullie met mij kontakt willenhebben, als een gevolg van mijn bijdragen in „Bewaar het pand”, dan weet je ook mijn adres. We hopen dan van uw schrijven goede nota te nemen.

De jeugd zit tegenwoordig vol met vragen, zegt men. Soms geloof ik dat ook. Dan weer zeg ik: Is dat wel zo, heeft de jeugd wel zo veel vragen? Want ik geef op de katechisatie nog al eens gelegenheid tot het stellen van vragen. En dan komt er heus niet zoveel. Laatst zei eens iemand tegen mij (het was een jong mens ): Dominee, ik heb heel veel vragen, doch ik weet niet hoe ik het zeggen moet. Zij zei dit naar aanleiding van het spreken over de kenmerken van de wedergeboorte. Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik blij was met deze opmerking. Dat jong mens gaf eropalle manier blijk van met aandacht geluisterd te hebben en ook over de dingen na te denken. Zo kan het natuurlijk ook zijn. Ik geloof,dat het voor een jongen of een meisje niet altijd meevalt om precies onder woorden tebrengen wat er in het hart omgaat. Dat is op zichzelf zo erg niet. Als het aan woorden ontbreekt, dan weet God wat overdenking in ons spreekt. Wat je aan mensen niet kunt vertellen, dat kun je altijd tegen de Heere zeggen. Hij wil dat zelfs. Wees tegenover God altijd maar goud-eerlijk. Want we zijn van binnen toch altijd anders dan van buiten.

Laatst was ik eens ergens in Nederland in een ziekenhuis. Je moet evangeliseren, zegt men. Nu, ik probeer dat ook wel eens. Ik kreeg een gesprek met een paar verpleegsters. Ik zei: Als we nu maar geen ruzie krijgen. Daar was, aldus hun mening, geen vrees voor. Ja maar, zei ik weer, als het over de waarheid gaat heb je gauw ruzie. Ze geloofden het niet. Ik vroeg toen of ze het met mij eens waren, als ik zei, dat ze misdadigers waren. Nu, daar had je het al. Hoe kon dat nu? Nette verpleegsters en dan misdadigers! Dat was al te erg. Ik probeerde hen uit de droom te helpen. Ik moest zelf ook op het rijtje van de misdadigers gaan staan. Want we mogen het voor mensen al niet zijn, gelukkig, voor God zijn we het wel. Die kijkt over de muur van ons leven. Aan mensen laten we de schone voorgevel zien van ons levenshuis, God ziet wat er „in” huist. En dat is, eerlijk, meestal niet van het beste. Ik vroeg aan die zusters of ze wilden, dat hun gedachten op hun voorhoofd stonden. Nou nee, dat liever maar niet, want dan zouden ze zich wel eens moeten schamen. Ja, ze moesten toch toegeven, dat als je de mens zo bekijkt, hij niet zo’n beste is. Ik zei: Weet je wat ik nu zo’n wonder vind? Dat Jezus in mijn straatje, waar die misdadiger woont, komen wil. Want Hij is met de misdadigers gerekend, opdat misdadigers door God in genade zouden kunnen worden aangenomen. We hebben daarna op de zaal gebeden. Het woord legde beslag. Mijn bede is dat het ook vruchten zal dragen bij hen en jullie. Bij God zijn alle dingen mogelijk, houdt het daarop, vrienden en vriendinnen.

Mag ik me noemen je vriend?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.