+ Meer informatie

TWIJFEL DOOR OPLEIDING?

11 minuten leestijd

Dit artikel richt zich met name op de al of niet schadelijke gevolgen voor het geloofsleven van het volgen of gevolgd hebben van een hogere of wetenschappelijke opleiding. De redactie verzocht aan die geloofsmoeite aandacht te schenken. Deze moeite vloeit voort uit de spanning of de tegenstelling tussen geloof en wetenschap. De gevolgen zijn vooral de vragen, de worstelingen, de twijfels die ontstaan door de wetenschappelijke of de hogere beroepsopleiding. Die kunnen het eenvoudige geloof in de weg staan. Men zou het ook zo kunnen stellen: neemt twijfel toe als het opleidingspeil stijgt? Ambtsdragers zullen tijdens huisbezoeken en andere gesprekken met intellectuele twijfel worden geconfronteerd. Misschien is als gevolg van de wetenschappelijk gevoede geloofscrisis een huisbezoek al niet eens meer mogelijk bij de hoog opgeleide of in opleiding zijnde. Wellicht is het zo dat de ambtsdrager nog wel welwillend wordt aangehoord, maar niet meer ernstig wordt genomen. Hoe zou dat liggen bij gelovigen in onze kerken, waar ook menigeen een opleiding aan een Hoge(re)School volgt of heeft gevolgd. Maar de “wetenschap” is ook al op de middelbare school aan de orde, waar hetgeen de scholieren wordt geleerd, lang niet meer en niet in alle gevallen in overeenstemming is met hetgeen de Schrift leert of daar zelfs fors tegen in kan gaan. Dit artikel poogt het thema niet te behandelen vanuit het gezichtspunt van de wetenschap. Derhalve geen natuurwetenschappelijke inleiding en ook geen theologische beschouwing. Hoewel binnen die opleidingen wellicht de meeste wetenschappelijke twijfel wordt gezaaid, althans in vruchtbare aarde valt.

De schrijver voelt zich tot een theologische of natuurwetenschappelijke verhandeling geroepen noch in staat. Toch zullen onvermijdelijk onderstellingen uit natuurwetenschap en theologie aan de orde komen. Omdat toch ook de ambtsdrager daarmee in aanraking komt. En niet alleen in het ambtelijk functioneren binnen de kerk.

Tegenstelling

De algemene tegenstelling tussen geloof en wetenschap is er een van nature. Zodra men weet, is er van geloof geen sprake meer. Er kan alleen geloof zijn in dingen die men niet kan vaststellen. Adam kende God zelf van aangezicht tot aangezicht. Bij hem was in eigenlijke zin geen geloof aanwezig, bij hem was het wetenschap. Vele christenen geloven door de Heilige Geest nog steeds en onwankelbaar op grond van de Heilige Schrift dat na het aardse bestaan het geloven overgaat in aanschouwen, in werkelijke kennis van God.

Of die kennis en die wetenschap die op dat moment ontstaat, in het aanschouwen een bron van eeuwige vreugde of van eeuwige droefenis is, is een vraag. Dat zal afhangen van de betrekking in welke een mens in het leven met de Allerhoogste zal hebben gestaan. Is het heil in Christus toegeëigend in een levende relatie met Christus of niet. Anders wordt het: heuvelen bedek ons. De algemene wetenschap heeft vooral sinds de Verlichting aan het eind van de achttiende eeuw het geloof op een wetenschappelijke, rationele en kille wijze bestreden. Ook deze Verlichting heeft de tegenstelling tussen geloof en wetenschap verscherpt. Toch was ook Paulus al gestuit op de rationaliteit van de meer natuurwetenschappelijk georiënteerde Grieken in zijn tijd. In wezen zijn er drie belangrijke oorzaken voor de ondermijning van het geloof bij een hoger opgeleide. Een culturele tegenstelling, de natuurwetenschappelijke visie op de Bijbel en zwakke geloofsomstandigheden.

Cultuur

Bij het ‘twijfelen’ is er ook nog de maatschappelijke en sociale registratie van de gelovige. Beeldvorming van gelovigen maakt de hoger opgeleide soms tot prooi van venijn bij andere opgeleiden. Voor veel wetenschappelijk georiënteerde niet-gelovigen is geloven vooral een zaak voor de dommen of nog voorkomend in achtergebleven gebieden waar de tijd stil staat. Een stelling van de bestrijder van het geloof kan dan zijn: pak de kaart van Nederland er maar bij. Het is zo aan te wijzen waar de gelovigen wonen. Spottend spreekt men van de ‘Bible Belt’. Mogelijk stelt men stekelige vragen als: ga jij nog (twee keer) naar de kerk? Of wie nog in iets achterhaalds als de Bijbel gelooft, kan men toch eigenlijk niet meer ernstig nemen. Het negatieve beeld kan zelfs uitstralen naar de vakkennis, de deskundigheid van de gelovige. Is wat de gelovige op zijn vakgebied zegt, nog wel deugdelijk? Kan zo iemand met zulke denkbeelden toch nog deskundig geacht worden? Kan zo iemand eigenlijk wel leiding geven? Is zo iemand niet te star? De beeldvorming die geloven heeft, staat haaks op de cultuur. Geloven sluit niet aan bij de eigenschappen en kenmerken die in deze tijd worden gewaardeerd. In het tijdsbeeld passen veeleer: vertoon, verfraaiing, flitsende vervoermiddelen, verre reizen, vergaren van vermogen, tastbaar geluk, vluchtige verbintenissen, interessante sporten en uitgaansmogelijkheden, het slagen op aarde in het algemeen. Geloven wil in dat beeld niet passen. Je hoort er als gelovige niet echt bij. De twijfelgronden zijn niet anders of groter dan vroeger, maar het geloof wordt sociaal minder aanvaard.

Natuurwetenschappelijke visie

Dan is de wetenschap een voor de hand liggende uitvlucht en een alternatief. Immers wat moet men met de schepping? In plaats daarvan is een wetenschappelijke verklaring aantrekkelijker. Dat is intellectueel beter te aanvaarden. De aldus gelovende zal moeten toegeven dat de wetenschap er ook nog niet helemaal uit is. De theorie moet nog weleens worden bijgesteld. De theorie is ook aan tijd gebonden. Maar dat is beter te verteren dan dat ongelooflijke scheppingsverhaal. Wat is de stand vandaag? Is het oerknal of oersoep? Of toch maar een geleidelijke ontwikkeling? En dan al die wetenschappelijk vermelde miljarden lichtjaren tegenover de ons bekende 5700 jaar. Er is genoeg wetenschappelijk materiaal om het geloof te ondergraven, te veel materiaal om in dit artikel wetenschappelijk te bestrijden. Daarbij sta je als iemand met iets meer opleiding dan gemiddeld vaak nog onder grotere druk. Men dacht dat je een redelijk denkend iemand was. Het zijn toch alleen maar simpele mensen die nog kunnen geloven. Niet alleen de natuurwetenschap bestrijdt de betrouwbaarheid van de Bijbel. Ook de theologie weet van wanten.

De Godheid van Christus is ingelegd. De Bijbel is door mensen geschreven in veel later tijden en in elk geval lang nadat de werkelijke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden; bepaalde Evangelies zijn bijgewerkt. Teksten en handschriften uit de tijd van het ontstaan van de Bijbel zijn door de kerk verdonkeremaand. De kerk als instituut is een bedenkelijke zaak en deugt niet. Kun je daar als weldenkend of wel denkend mens deel van uit maken?

Zwakke geloofsomstandigheden

Hoe staat het met het geloof van de opgeleide voor de aanvang van zijn of haar opleiding? Hoe is het met simpele zaken als kerkgang gesteld met enige diepgang in de beleving, een biddend leven, getrouw lezen van de Bijbel? En is er werkelijk geloofsoverdracht door de ouders? Dat is van wezenlijk belang, want de pijlen die in de andere omgeving worden afgevuurd, zijn doordringend. Opmerkingen als: je ouders hebben je nu wel naar de kerk meegenomen, maar dat hoeft toch niet meer? Er zijn zoveel godsdiensten, wat is dat toch een vreemde weg dat verlossingswerk in Christus. En wat te denken van al die eilende vroeger en nu? Dat is toch wel het beste bewijs dat God niet bestaat. Ach, dood is toch gewoon dood? Kerkmensen deugen ook niet. Wist je niet wat hij of zij heeft uitgehaald? Of hoe hij of zij tegen zijn of haar ouders is? Als het geloof dan niet doorleefd is, niet beproefd is, dan kan het heel moeilijk worden, want het blijft intussen een zaak van geloven. Dat geldt ook voor iemand met een eenvoudige opleiding of een gevorderde opleiding. Dat geloven is vanuit ons zwak en onmogelijk. Dat komt in het volgende enigszins naar voren. Zoals een oude abt op 85-jarige leeftijd het desgevraagd eens in twee woorden uitdrukte. Hij was al zestig jaar in hetzelfde klooster. Een heel leven van een welgemeend en opofferend dienen van God. Een passant vroeg de oude abt: gelooft U in God? Zijn antwoord luidde: nog niet. Zelfs voor vele Protestanten misschien een herkenbaar beeld. Soms is God zo dichtbij dat het geloven bijna weten wordt. Dan is het weer zover weg dat het geloven onzeker wordt en twijfel toeneemt. lets van die twijfel blijft ook altijd in ons. Zelfs als men in geloofsopzicht een hoogvlakte bewandelt. Is er niet altijd enige reserve?

Vaak te herkennen in een gebrek aan een werkelijk onherroepelijk en onvoorwaardelijk, met prijsgeven van alles en allen dienen van God. Voor die reserve is genoeg voedingsbodem in het dagelijks leven. Redelijke uitvluchten te over. Voor een geloofsgetuigenis wordt men toch niet betaald door zijn baas. Als vrienden of medescholieren en collega’s vervreemden door over het geloof te praten dan kan men hen ook niet meer bereiken. Als men zich niet zo christelijk gedraagt, kan men ook maar beter zijn mond houden. Het is beter de praat in overeenstemming te brengen met de geestelijke maat. Is dat getuigen niet al gauw overdreven of overgeestelijk te noemen? Mag men die stoffelijke zegen dan niet behouden? Is wat in het Nieuwe Testament gevraagd wordt, nu allemaal wel nodig?

Daaraan houdt zich in wezen toch geen mens? Men mag toch een verzorgde oude dag hebben? Die ongelovige partner kan toch tot geloof komen als God dat wil?

Geen natuurwetenschappelijke weerlegging

De Bijbel is geen natuurwetenschappelijk boek. Zo is de Bijbel zelfs in het verleden niet altijd gebruikt. In de middeleeuwen en daarvoor was de mens bevreesd van de aarde af te vallen. Toch heeft de Bijbel nergens gesteld dat mensen van de aarde af zouden kunnen vallen. Die angst was ook toen al onderdeel van een menselijke wereldbeschouwing. Een ander punt is ook het omgaan met het spreken van de Bijbel. In het dagelijks spraakgebruik draait de zon om de aarde. De zon gaat op en onder. Niemand stoort zich aan dit taalgebruik ook al weet nagenoeg iedereen dat dit natuurwetenschappelijk niet klopt. Maar, o wee als in de bijbel iets staat dat niet in net beeld past. Een poging tot weerlegging zou ook het volgende kunnen zijn. Een mens is pas een mens als hij gelooft. Niemand kent een gelovige die geleefd zou hebben voor Adam. Toch zijn zulke pogingen tot weerlegging en verdediging van de Bijbel bij voorbaat onvruchtbaar. Het wetenschappelijk inzicht in de schepping zal nog toenemen. Men zal steeds meer geheimenissen bloot leggen.

Het zal misschien nog wel eens zover komen dat de wetenschap alle geheimen zal ontsluieren. Onmogelijk lijkt dat niet. De mens is immers aan God gelijk geschapen. Dat de kinderen de Vader eens zullen evenaren, ligt eigenlijk in die lijn besloten. Dat tijdstip zou wel eens het einde der tijden kunnen zijn. Als de draden uit het gordijn dat tussen God en wetenschap op aarde hangt, zijn ontrafeld. Dan zal de mens van aangezicht tot aangezicht zien. Ja, heel de schepping. Dat betekent dan eeuwige aanschouwing. Als dat dan maar Gods vriendelijk aangezicht is en niet Gods aangezicht in toorn. Wie of wat kan dan bestaan?

Poging

Weerlegging is een zaak van geloof. En dat kan slechts gebeden, geschonken en bewaard worden. Zo ondervond een jong student het eens. Nog geen dag op zijn kamer in de studentenstad. De eerste de beste huisgenoot die hij tegen het lijf liep, was een student filosofie. De ouderejaars had het in een lang en nachtelijk gesprek al snel in de gaten. De nieuwkomer was een “achterlijke” gelovige. Dat geloof zou hij er wel eens even uit praten. Dat was al zo vaak door hem gedaan. Het nachtelijk verweer van de nieuwe student was onbeholpen en ongetwijfeld ondeugdelijk. Hij werd zo omver gepraat. Toch bleef hij nadien geloven. Dat was natuurlijk geen eigen verdienste. Het geloven bleef op dat moment ook niet ongeschokt. De smaad werd er ook niet minder om.

Het is zeer de vraag of ambtsdragers pogingen moeten doen wetenschappelijke discussies aan te gaan met hoger opgeleiden. Dat is geen oproep tot struisvogelpolitiek. Zo men de ander op zijn eigen terrein al zou kunnen verslaan. Dan nog is niets gewonnen. Het geloof wordt er niet door versterkt en door gewerkt. Het geloof staat los van wetenschappelijke overtuigingen. Als de twijfelende nog bereikbaar is dan zou het gesprek zich beter richten op de gewone geloofsbeleving. Vaak zal blijken dat het gewone geloofsleven ontbreekt bij de in de ban van de wetenschap geraakte persoon. Bijbellezing of gebeden worden niet betracht en de diensten worden verzuimd. Erger nog is dat de betrekking tot de levende God er niet of nauwelijks meer is of misschien nog nooit geweest is. Het is dan beter de twijfelaar weer te roepen, tot zoeken op te wekken, te verhalen van de levende band die men zelf heeft met God. Soms is die levende band als wetenschap, dan weet men het haast zeker. Dan wordt het: niets of niemand kan mij nog scheiden van het geloof in mijn Heer en Heiland. Dan kan men zeggen: neem mij alles maar af en laat de smaad maar duren. Dan kan men zeggen: ondanks al de vergaarde aardse kennis, heeft men toch een zalig leven, want men is dorn genoeg gebleven om te geloven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.