+ Meer informatie

Voor de jeugd

10 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Jullie herinneren je nog wel waar we de laatste keer over geschreven hebben. Dat was naar aanleiding van een brief, die we van een lezer hadden ontvangen en die ging over de vraag of er iets gebeuren moest met de mens. In verband hiermede haalde hij verschillende dingen aan uit het doopsformulier. Ik zou zeggen: Lees het artikel er nog maar eens op na. Dan kom je er weer in.

Want wat is nu het geval?

We hebben op dit artikel een heel uitgebreid schrijven gehad van dezelfde vrager, als waar het in dat artikel over ging. Hebben we de vorige keer zijn schrijven geheel weergegeven, dat is nu niet mogelijk, omdat het de plaats van twee volledige artikelen in ons blad in zou nemen. Voor we dan aan de behandeling daarvan toekwamen, zouden we al weer enkele weken verder zijn, gezien de frequentie, waarmede ons blad verschijnt. We zouden dan ook met één antwoord-artikel niet klaar zijn, maar er meerdere aan moeten wijden.

Want de vrager heeft zich in zijn laatste schrijven geopenbaard als een tegenstander van de kinderdoop. Dat was uit zijn eerste schrijven niet direkt op te merken, vandaar dat we eigenlijk een beetje langs elkaar heen geredeneerd hebben. Dat is natuurlijk jammer en tevens een bewijs, dat we uit één enkele brief niet altijd weten met wie we nu eigenlijk te doen hebben. Wat hij in zijn laatste schrijven ons mededeelt, kunnen we voor een gedeelte onderschrijven. Maar met een groot gedeelte zijn we het toch ook weer niet eens. Dat is wederzijds, dacht ik, tot op zekere hoogte, ons goed recht. Uiteindelijk moeten we beiden buigen voof het Woord van God. En dat wil onze vraagsteller ook. Maar hier komt dan dadelijk de vraag aan de orde: Hoe leest gij? En je zoudt er dan ook nog bij kunnen zeggen: Verstaat gij ook hetgeen gij leest? Met het hanteren van bepaalde teksten om een zaak te verdedigen is men zonder meer niet klaar. Want veel teksten, worden vaak op de klank af gebruikt - en dat niet alleen door leken - terwijl, als men ze nader gaat bekijken, ze met het doel waarvoor ze gebruikt worden, helemaal niets te maken hebben. Zo is ook een beroep op bepaalde schrijvers van naam, niet altijd afdoende. B.v. onze vraagsteller beroept zich op Spurgeon, Philpot, Warburton en Bunyan, die allemaal baptisten zijn geweest, dat zijn mensen, die tegen de kinderdoop zijn. Hij haalt er dan bij aan Luc. 10 : 21, waar staat, dat hetgeen voor de wijzen en verstandigen verborgen is, aan de kinderkens is geopenbaard. De toepassing is dan, dat God het aan „deze kinderen” nooit heeft geopenbaard, dat kinderen als ze pas geboren zijn, besprenkeld moeten worden.

Met deze tekst en zulke kinderen Gods op de achtergrond, meent mijn vraagsteller sterk te staan. Maar deze tekst zegt in dit verband niets m.i.z. Want als de Heere Jezus de Vader dankt dat Hij „deze dingen” voor de wijzen en verstandigen verborgen heeft gehouden, wat zijn dat dan voor dingen? Wordt daar o.a. ook de kinderdoop mee bedoeld? Ik geloof het niet. Het gaat over de vraag, hoe men tot vrede met God moet komen. Dat is het essentiële in deze tekst, en niet of men voor of tegen de kinderdoop moet zijn.

Nu twijfel ik er niet aan, dat bovengenoemde schrijvers kinderen van God zijn geweest. Maar garandeert het-kind-van-God-zijn, dat men dan ook gezuiverd is van alle dwalingen. Dan zou er onder de kinderen van God geen enkel punt van verschil meer moeten bestaan. En de geschiedenis is er toch, om van het tegendeel te getuigen. Niemand zal er b.v. aan twijfelen dat Calvijn en Luther beiden kinderen van God zijn geweest, terwijl er toch op verschillende punten verschillen tussen hen bestonden. Ik hoorde eens een prof. zeggen: Hoeveel dwalingen kan een kind van God hebben, terwijl hij toch nog een kind van God is. We leven hier nu eenmaal nog niet in een volmaakte bedeling. Integendeel. Nu zijn er inderdaad „achtenswaardige mensen” tegen de kinderdoop geweest. Maar daartegenover staat een hele rij van niet minder achtenswaardige mensen, die er vóór zijn geweest.

Nu zal een voorstander van de kinderdoop moeilijk een tegenstander kunnen overtuigen. Ik vlei mij daarom heus niet met de gedachte dat mijn opponent het na het lezen van dit artikel, met mij eens zal zijn. Hij is zo overtuigd, dat hij met zijn vrouw zich zelfs over heeft laten dopen. Want voor de kinderdoop en daarom ook voor het formulier, vindt hij geen enkele grond in de H. Schrift.

We zijn het dadelijk met de schrijver eens, als hij zegt, dat velen met hun kinderen voor de doop verschijnen, die van God en Zijn gebod zich weinig of niets aantrekken. Zij worden aangesproken als gelovigen, terwijl zij zelfs grove ongelovigen zijn. Zo heeft hij het menigmaal in de N.H.K. gezien en ik zou niet graag beweren dat in andere kerken deze praktijken niet voorkomen.

Doch dat is de zaak niet waar het over gaat. Als men aangesproken wordt krachtens het doopsformulier, als een gelovige, dan gebeurt dit, omdat men belijdenis van het geloof gedaan heeft. Zo is het althans in de kerken van Gereformeerd belijden. Nu kun je hier natuurlijk weer in gaan op de vraag: Wat is dat voor een geloof, waar men belijdenis van heeft gedaan? Dat is ten diepste voor een mens moeilijk uit te maken. De Heere alleen kent het hart, al zal het er in de praktijk dikwijls op neerkomen, dat men belijdenis heeft gedaan, zonder dat men weet wàt men eigenlijk heeft gedaan. Zelfs uiterlijk verstandig nog niet. Maar dit ligt dan voor rekening van hem of haar die belijdenis deed. Als men over dit punt door gaat redeneren, dan komt men op het terrein van de tucht terecht. En dat is al evenzeer gecompliceerd in deze „verwarde kerkelijke wereld”. We laten dat daarom nu maar rusten. Door de doop wordt geen genade verzegeld, zoals mijn opponent denkt, dat in het doopsformulier geleerd wordt. Maar de belofte. De belofte hebben en de genade hebben, is nog niet hetzelfde.

Petrus heeft gezegd: Want u komt de belofte toe en uwe kinderen.... Doch dan staat er een paar verzen verder te lezen: En die dan zijn woord gaarne aannamen, die werden gedoopt enz. Om dus de genade, die in de belofte vervat ligt, deelachtig te worden, moet men komen tot het aannemen daarvan door het geloof.

Men zal met het doopsformulier en de kinderdoop wel nooit klaar komen, als men geen oog heeft voor de eenheid van het verbond in de oude en de nieuwe bedeling. Het is in feite maar één genadeverbond met twee bedelingen. De oude bedeling beperkt zich tot het oude bondsvolk: Israël. De nieuwe bedeling is uitgebreid tot alle volken, die onder de verkondiging van het evangelie leven. Als nu de kinderen in het oude testament het oud testamentische verbondsteken moesten ontvangen, dan is het logisch, dat in het nieuwe testament de kinderen het nieuw testamentische verbondsteken ontvangen. De doop is in de plaats der besnijdenis gekomen. Zie Col. 2 : 11, 12, al moeten we toegeven dat dit geen eenvoudige tekst is. Dit is echter wel duidelijk, dat de doop daar in verband met de besnijdenis wordt genoemd.

Ik moet ook toegeven, dat als men een echt kind van God is, door wedergeboorte, men dit ook blijft. Er is geen afval der heiligen. Maar dat neemt niet weg, dat de bijbel toch onderscheid maakt tussen kinderen en kinderen. We hebben daar de vorige keer reeds op gewezen. Je komt er hier echt niet met de redenering, zoals mijn opponent dat wil: Je bent kind, of je bent geen kind. Dit blijkt ook duidelijk uit het voorbeeld, dat hij zelf gebruikt, van Judas. Judas is wel uitverkoren geweest als discipel, maar nooit als echt kind van God tot de zaligheid. Was dit laatste het geval geweest, dan zou hij ook zeker zalig geworden zijn. Want de roeping en de verkiezing Gods zijn onberouwelijk.

Als u mij vraagt, hoe ik dat „tweeërlei” verklaren wil, dan moet ik zeggen, dit niet te kunnen. Ik zeg hier alleen, niet wijzer te willen zijn dan de schrift, die dit duidelijk leert. Ik zou ten deze een ieder aan willen raden het boekje van Ds. I. Kievit te lezen over „Verbond en Prediking”. Daar wordt het „tweeërlei” zoals de bijbel het leert, duidelijk in aangetoond.

Het voordeel van de joden was, dat hun de woorden Gods waren toebetrouwd, wat echter niet stuk voor stuk, voor hen de zaligheid garandeerde. Zo hebben ook de nieuw testamentische kinderen des verbonds vele voorrechten. Inderdaad is nu het onderscheid, wat er Oud-testamentisch tussen de joden en heidenen bestond, weggevallen. Wat het verbond en de genadebeloften betreft, staat de nieuw-testamentische kerk nu op één lijn met de oud-testamentische. Het terrein des verbonds is nu verbreed geworden. „Maar het is (nóg) niet al Israël wat Israël genaamd wordt”. Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. En de uitverkorenen worden zeker zalig. Die worden tenslotte maar alleen zalig. En wie dat zijn, weet de Heere alleen. Want de Heere kent degenen die de Zijnen zijn. En als ik niet zalig word, dan ga ik verloren, niet omdat ik niet uitverkoren was, maar omdat ik niet geloofd heb. Natuurlijk ook omdat ik niet uitverkoren was. Maar als ik dat op de voorgrond zou gaan stellen, dan zou ik uiteindelijk er toe kunnen komen, om van mijn verloren-gaan God de schuld te geven. En de mens is er echt niet te goed voor om dat te doen. Ja, hij is alzo verdorven, dat hij veel eer God de schuld zal geven dan zichzelf. Alleen wanneer genade werkelijk heerschappij gaat voeren in zijn hart, dan geeft hij niet God de schuld, maar zichzelf. En dat weegt dan dubbel zwaar, omdat men gedoopt is. Want God heeft dan van Zijn kant gedaan, (menselijk gesproken) alles wat tot mijn zaligheid van node was, maar ik heb niet gewild dat Hij Koning over mij zou zijn. De verantwoordelijkheid van het verloren gaan, komt dan ten volle voor mijn rekening te liggen. Die wordt dan ook aanvaard. En voor de zodanigen wordt genade een wonder, een écht wonder. Want het is alleen genade, wat hen nog redden kan. En dezulken worden ook wezenlijk met genade bedeeld. De „geschonken” beloften worden dan aan het hart „toegepast”, of wilt u: „in geloof aangenomen”. Dit alles geschiedt door de werking des Heiligen Geestes, Die Zijn souvereine gang gaat, door dit leven, met Zijn bedieningen. Ten deze mocht het een ieders vragen wel zijn, van jong en oud:


Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwen
Geest;
Mocht die mij op mijn paan ten
Leidsman strekken, enz.


Nogmaals, ik wil niet beweren, mijn vraagsteller overtuigd te hebben, maar ik hoop wel dat dit schrijven tot meer begrip zal leiden voor het aloude Gereformeerde standpunt, wat ook door onze belijdenisgeschriften is ingenomen. Deze zijn gegrond op Gods Woord en hebben de kritiek der eeuwen doorstaan.

Daar de grens van de mij toegemeten ruimte in ons blad reeds meer dan overschreden is, haast ik mij om afscheid te nemen en jullie allen weer hartelijk te groeten.

Alleen ja, deze ene regel moet er toch nog maar bij. Ik hoop dat de eindredakteur hem niet schrappen zal. Jullie komen toch allemaal naar Dordrecht op zaterdag 28 april? Dan zien we elkaar tenminste nog weer eens van aangezicht tot aangezicht.

Jullie aller vriend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.