+ Meer informatie

OPSTANDING EN EEUWIG LEVEN

10 minuten leestijd

VóóR DE UPSTANDING

Ik geloof de wederopstanding van het vlees’.

Wanneer we daarover nadenken, vergeten we niet dat er ook sprake is van een directe troost bij het sterven van Gods kinderen.

Onze catechismus verwoordt dat zo: ‘dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden…’ (zondag 22). Het wordt als in het voorbijgaan genoemd, maar toch!

Er is alle reden om steeds opnieuw in bijbels licht na te denken over sterven en opstanding. In onze cultuur leven er allerlei opvattingen over het sterven. Om maar iets te noemen: ‘dood is dood’. De mens is slechts ‘materie’, dus sterven betekent het einde. Of: de dood is biologisch al in ons voorgeprogram-meerd. We ontkomen, evenals dieren en planten, niet aan deze natuurwet. Dat wil niet zeggen dat de dood zinloos is. Nee, we kunnen nog voortleven in de gedachten van anderen of via onze geschriften of door wat we maakten. Bovendien moet je toch ook op z’n tijd plaats maken voor anderen. Zo is ‘dood-gaan’ (let op deze steeds vaker voorkomende terminologie, ook toegepast op mensen!) feitelijk een sociale daad. Je bewijst er de volgende generatie een dienst mee. Nog weer een andere gedachte — die momenteel in onze westerse samenleving sterk om zich heen grijpt — is die van de reïncarnatie: een onster-felijk beginsel in de mens keert na zijn dood in de een of andere vorm op aar-de terug.

Al deze opvattingen miskennen wat de bijbel ons leert over de dood als straf op de zonde (Gen. 2:17, 3:19, Rom. 5:12, 6:23). Maar ook de troost van het Evangelie landt dan niet: ‘maar de genadegift Gods is het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Here’ (Rom. 6:23b).

In dat licht heeft Gods Woord ons ook het een en ander te zeggen over de situatie tussen het sterven van de gelovige en de wederkomst van Christus, waarbij de opstanding van het lichaam zal plaatsvinden. Bij de dood vindt immers een ingrijpende gebeurtenis plaats: ziel en lichaam worden van elkaar gescheiden — iets dat volstrekt onnatuurlijk is, omdat God complete mensen heeft geschapen. Zo verwoestend werkt de zonde door! Wanneer het sterven intreedt, gaat het lichaam tot ontbinding over. Het wordt gezaaid in verderfe-lijkheid, oneer en zwakheid (zie 1 Cor. 15:42v). En de ziel, noem het ‘de diepste kern van mijn persoonlijkheid’, in Christus? Het OT laat al, zij het sporadisch, perspectieven zien. We lezen weliswaar niet, dat de ziel van de mens bij de dood voortbestaat. Toch is er meer dan eens het uitzicht dat de ban van de dood gebroken wordt. Niet alleen omdat ook het OT al wijst op de opstanding van de doden (Jes. 26:19, Dan. 12:2); ook niet slechts vanwege de ten hemelopneming van Henoch en Elia; maar ook doordat in Psalmen als 49 en 73 de zeker-heid van geborgenheid bij de Here in het sterven nadrukkelijk verwoord wordt. Ook hier geldt: ‘wat voor ons enigszins duister is in het Oude Testament, dat is zeer klaar in het Nieuwe’ (art. 9 NGB). Op een frappante manier zet Jezus de Sadduceeën (die de opstanding loochenen) op hun piek, als Hij er op wijst dat de HERE de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob is. ‘God is niet een God van de doden, maar van de levenden; want zij leven alien voor Hem’ (Luk. 20:38). Wat de Heiland zei tot de bekeerde moordenaar spreekt boekdelen: ‘Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn’ (Luk. 23:43). Paulus noemt het sterven voor zichzelf winst (Fil. 1:23), want dat betekent voor hem: ‘met Christus zijn’. In 2 Cor. 5:8 wordt de situatie na het sterven aangeduid als ‘inwonen bij de Here’. Hoe kan het anders, gezien de macht van Christus’ lief-de, die sterker is dan de dood? Vandaar dat de apostel kan zeggen: ‘Niets zal ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Here’ (Rom. 8:39). Het is opmerkelijk dat Paulus dan in het hele rijtje van bedreigen-de machten, die daartoe niet in Staat zijn, als eerste de dood noemt.…

Dat komt niet voort uit een soort onsterfelijkheidsgeloof, maar rust in de ver-bondenheid aan de levende Christus. Hij zegt immers: ‘Die Mijn Woord hoort en gelooft Hem die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven’ (Joh. 5:24).

BIJ DE UPSTANDING

In de Beknopte Gereformeerde Dogmatiek merkt prof. Van Genderen op: ‘Voor de gelovige liggen de kleine horizon van het einde van zijn leven op aarde en de grote horizon van de voleinding in elkaars verlengde’ (p. 754). De ziel van Gods kinderen is bij het sterven ‘reeds’ verlost, het lichaam ‘nog niet’. Maar dat komt wel. Ziel en lichaam vormen een twee-eenheid. Bij de wederkomst van Christus wordt het lichaam van de gelovigen opgewekt. Ook dat van de on-gelovigen overigens, want de Schrift spreekt zowel van de opstanding van de rechtvaardigen als van die van de onrechtvaardigen (Hand. 24:15). De laatsten ontwaken tot eeuwig afgrijzen (Dan. 12:2), tot verdoemenis (Joh. 5:29). We kunnen dus niet zomaar bij iemands sterven zeggen: ‘hem of haar is een verder lijden bespaard gebleven’. Dat hangt helemaal van de verhouding tot Christus af. Wie in Hem gelooft, Staat op met een verheerlijkt lichaam. Hij is immers de Opstanding en het Leven (Joh. 11:25), de eersteling van hen die ontslapen zijn (1 Cor. 15:20 — 23) en de eerstgeborene uit de doden (Openb. 1:5).

In Hem ligt ook het perspectief voor het lichaam. Dat bewaart ons voor een on-derwaardering van het lichaam. Alsof dat slechts een ‘kerker voor de ziel’ zou zijn (Plato), of ‘broeder ezel’ (Franciscus van Assisi) of een ‘madenzak’ (Luther). Nee, wat eens geschapen was, maar door de zonde onderworpen aan de dood, wordt herschapen.

Het lichaam van een christen wordt gezaaid, als een korrel in de aarde. Straks wordt het opgewekt in onverderfelijkheid, heerlijkheid en kracht (1 Cor. 15:42v). Het lichaam zal niet achterblijven. De Vader schiep lichaam en ziel. De Zoon kocht ze. De Heilige Geest heiligt ze. Ja, de Geest herschept het ‘natuurlijk’ lichaam in een ‘geestelijk’ lichaam (1 Cor. 15:44).

Dat wil zeggen: het zal geheel door Hem beheerst en in al zijn uitingen door Hem geleid worden, tot een instrument voor de Here.

‘Ik geloof de wederopstanding van het vlees’. Maar dan is er wel wat met dat ‘vlees’ gebeurd. Want ‘vlees en bloed’ kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven (1 Cor. 15:50). Die behoren bij het bestaan van de gevallen Adam. Dat vlees is instrument van de zonde en onderworpen aan de gevolgen van de zonde.

Dat vlees moet door de dood heen of — wanneer we nog leven bij Christus’ komst — in een oogwenk veranderd worden (1 Cor. 15:51–53).

Als het lichaam van een christen straks door de kracht van Christus wordt op-gewekt, is het totaal herschapen: onsterfelijk, onverderfelijk, verheerlijkt, volmaakt. Het zal anders zijn. Maar niet van een ander mens!

Er mag dan vandaag van alle kanten gezegd worden: uit de dood is nog nooit iemand terug gekomen — het geloof belijdt: er is er wel één teruggekomen, die leeft tot in alle eeuwigheid: Jezus Christus. Hij is het begin. Dankzij Hem zullen velen volgen. Zijn opstandingskracht zal de lichamen die reeds lang vergaan zijn, doen opstaan. We lezen in Openb. 20 zelfs: de zee gaf de doden die in haar waren. Hij behoeft maar te spreken en het is er (Ps. 33:9). Ze worden aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig. Hoe dat precies zal zijn? Ik weet het niet.

‘Geliefden’, schrijft Johannes, (1 Joh. 3:2) ‘nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten (!), dat als Hij geopenbaard (verschenen)zal zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is’.

Zo zal de dood worden verslonden tot overwinning (1 Cor. 15:54).

NA DE OPSTANDING

‘Ik geloof een eeuwig leven’.

Leven is leven uit God. Leven is leven om Hem te loven. Daartoe zijn we geschapen. Dat raakten we door eigen schuld kwijt. We ademen wel, maar we leven niet echt. We zijn ten diepste dood. Maar dan wel: actief dood, nl. in vijandschap tegen God. Maar wie levend gemaakt wordt door de Geest, lééft: in het kennen van God door Christus (Joh. 17:3).

In de volksmond is eeuwig leven iets dat nog komen moet. Maar de Schrift spreekt daar dus anders over (zie ook Joh. 6:47). Daarin ligt het beginsel van de eeuwige vreugde (zondag 22 HC). De toekomst is voor de gelovige al begonnen. Beginsel, dat wil zeggen: het is nog niet alles, maar er is al het een en ander ge-geven. Christus is ons leven (Col. 3:3). Het leven in Hem duurt niet alleen eeuwig, het is ook van een andere kwaliteit dan het leven hier en nu.

Hoe zal dat dan zijn? Allereerst moeten we zeggen: dat heeft geen oog gezien, geen oor gehoord en het is geen mensenhart opgeklommen, wat God bereid heeft voor wie Hem liefhebben (1 Cor. 2:9).

Een veelgestelde vraag is, of er straks herkenning zal zijn. Bij de beantwoording van die vraag moet vooropstaan dat het gaat om de gemeenschap met God in Christus. De hemel is geen familiereünie. We moeten niet denken in aardse verhoudingen. De Here Jezus heeft daar op gewezen in Matt. 22:30. Treffend merkt prof. Van Genderen op: ‘Het hiernamaals is (…) iets anders dan een hierna nogmaals’ (De Bijbel en de Toekomst, Heerenveen 1998, p. 141).

Toch kunnen er een paar dingen gezegd worden.

a. Gods kinderen zijn ook straks geen naamloze schimmen, maar personen met een naam (zie Luk. 20:38, Matt. 17:3)

b. De gemeenschap der heiligen draagt een blijvend karakter; waar hier ‘banden in de Here’ gelegd zijn worden ze zelfs door de dood niet verbroken. Prachtig wordt dat verwoord in de berijmde psalm 150: ‘Voor Zijn troon en hier beneden’. Nu al is de strijdende kerk op aarde met de triomferende kerk in de hemel verenigd in de lofzang op de Here!

c. Voor zo ver er sprake is van herkennen, zal het dan ook zijn een herkennen ‘in de Here’. Daarom zal er ook geen gemis worden gevoeld over hen die ont-breken.

Wanneer we spreken over het eeuwige leven, lopen we het gevaar te eenzijdig ‘hemelgericht’ te zijn. We mogen nooit vergeten: de hemel is voor Gods kinde-ren een ‘tussenfase’. Ze zijn geschapen en herschapen voor de aarde. Ps. 115:16 blijft recht overeind staan!

Wij verwachten immers naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waarin gerechtigheid woont (2 Petr. 3:13). Gods kinderen komen weer met beide benen op de grond te staan. Om te leven in het licht van Gods liefde, met Hem te wezen, om rijker dan ooit tevoren Hem te kennen , om te delen in de verheerlijking van Christus, om te leven in volkomen heiligheid en heerlijkheid. De vreugde in de Here zal ongekend zijn en de lofprijzing volmaakt (Openb. 5:13). Ook het woord ‘rust’ wordt meer dan eens gebruikt om het eeuwige leven te typeren (Hebr. 4:9; Openb. 14:13). Maar die rust bestaat niet in eeuwig niets doen. ‘Het is veeleer eeuwig dienst doen’ (J. van Genderen, a.w. p. 150). Het laatste bijbelboek spreekt over ‘dienen’ en ‘heersen als koningen’. Ja, de hele schepping wordt nieuw; gelouterd en gereinigd van het kwade, dwars door het vuur van het gericht heen (2 Petr. 3:10 — 13). De hele aarde wordt vol van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken (Jes. 11:9).

Wellicht mogen we het ons zo voorstellen dat hemel en aarde in zeker opzicht ineenschuiven. Immers, God verbindt Zijn woonplaats met die van zijn volk; Hij zal als onder één dak met hen wonen (Openb. 21:3).

Zo zal God zijn alles in allen (1 Cor. 15:28).

Is dat geen wenkend perspectief, ook anno 2004?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.