+ Meer informatie

WAT IS DE RECHTE PREDIKING ANNO 1985?

27 minuten leestijd

Allereerst zou ik de opmerking willen maken dat, wat mij betreft, de grootste relevantie van het thema ligt in de woorden „rechte prediking”. Persoonlijk acht ik het jaartal 1985 van wat minder relevantie, omdat de rechte prediking in alle eeuwen dezelfde is en 1985 daar geen wezenlijk verschil in aan kan brengen. De rechte prediking is principieel in 1985 niet anders dan in 1885 of in 85. Daarom neem ik mijn uitgangspunt niet in het tijdsbeeld, maar in de Heilige Schrift, waarin voor ons voor alle tijden de regels en de normen voor de prediking zijn neergelegd.

Belang

Na deze vooropmerking zou ik met u willen nadenken over het belang van de prediking. Dat belang wordt heel duidelijk aangetoond in de Dordtse Leerregels (I, 1-3). Nadat daar allereerst gesteld is, dat de mensen verloren zijn („Aangezien alle mensen in Adam gezondigd hebben en des vloeks en eeuwigen dood zijn schuldig geworden……”), wordt daarna direct gesproken over de grote genadedaad van God, namelijk, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. En dan volgt daarop „En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie Hij wil en wanneer Hij wil”. Op deze manier worden wij gewezen op het grote belang van de prediking van het Woord - een prediking die in direct verband staat met de zaligheid van zondaren.

Dit is een zeer Bijbels uitgangspunt. God heeft op Zich genomen mensen zalig te maken. Dit is en blijft dan ook Zijn werk. Maar wel gebruikt Hij bij dit werk het middel van de prediking. Zo ligt het accent telkens weer in b.v. het boek Handelingen. „De Here deed dagelijks toe tot de gemeente, die zalig werden” (Hand. 2: 47); „Welker hart de Here geopend heeft, dat zij acht nam op hetgeen door Paulus gesproken werd” (Hand. 16: 14). Telkens weer vinden we dit accent: de Here doet het. Maar wat we ook steeds weer tegenkomen is dat God de prediking inschakelt: de apostelen „spraken alzo, dat een grote menigte beiden van Joden en Grieken, geloofde” (Hand. 14: 1).

Diezelfde verbinding hebben de apostelen ook gelegd in hun geschriften. Ik denk b.v. aan 1 Cor. 1: 21, waar Paulus zegt, dat het God behaagd heeft door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven. God maakt zalig, maar Hij doet dat door de prediking.

Op grond van deze dingen stellen we vast dat de prediking van uitzonderlijk groot belang is. Er is niets belangrijkers dan het feit, dat de mens verloren is en dat hij zalig moet worden. Als het om deze essentiële dingen gaat, komt God ons zeggen dat hierbij de prediking van het grootste belang is.

Als de Schrift dan ook spreekt over de taak die de Here aan de kerk gegeven heeft, valt de nadruk telkens weer op de prediking. Dat is de eerste en voornaamste taak. Zo kunnen we het keer op keer lezen, dat er gepréékt werd. Johannes de Doper preekte (Mt. 3:1); Jezus preekte (Mt. 4: 17); Jezus gaf bevel aan Zijn discipelen om de preken (Mt. 10:7; Lk. 24:47); de apostelen preekten (Hd. 10:42). Denk ook aan het centrale woord in Rom. 10: 14: „En hoe zullen zij in Hem geloven, van Welke zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij horen, zonder die hun predikt?”.

Nu God de dingen zo heeft ingesteld en nu Hij de prediking prioriteit gegeven heeft in de diensten der kerk, is het geen wonder, dat de geschiedenis van de kerk laat zien, dat er nooit een bloeitijd van het geestelijk leven was of het was door middel van de krachtige werking van de Heilige Geest, maar dan ook altijd nauw verbonden met een herleefde, krachtige, duidelijke, eerlijke prediking van het Woord.

Zoals reeds gezegd, de Schrift laat geen andere conclusie toe, dan dat de Here aan Zijn kerk als eerst opdracht de prediking heeft meegegeven. We vinden dit b.v. ook terug in het leven van Jezus Zelf. In Mark. 1: 34-39 wordt ons verteld, dat er geweldige wonderen gebeurd zijn in Kapernaüm. Zieken zijn genezen en bezetenen zijn verlost. En als Jezus de volgende morgen vroeg is opgestaan om in een eenzame plaats te bidden, zoeken de mensen Hem weer op met hun ziekten en problemen. Petrus is de woordvoerder en hij zegt tot Jezus: Zij zoeken u allen. Maar wat antwoordt Jezus? Terwijl de mensen op Hem wachten en Zijn hulp begeren, zegt Hij: Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat Ik ook daar predike, want daartoe ben Ik uitgegaan.

Hij ziet dus de prediking als Zijn eerste taak. Genezingen en duiveluitwerpingen beschouwt Hij als secundair. Het eerste werk dat Hem opgedragen is, is het verkondigen van het Woord.

Dit hebben de apostelen heel goed van hun Meester geleerd. Als in de eerste christengemeente in Jeruzalem het werk te veel wordt, wordt besloten diakenen te verkiezen. Daarbij is een belangrijk motief voor de apostelen, dat zij zich dan kunnen houden aan het gebed en aan de bediening des Woords (Hand. 6:4).

De prediking heeft dus het primaat. Dat geldt ook in 1985, ondanks het feit dat velen het vandaag vreemd vinden om zoveel nadruk te leggen op de prediking. Waarom zouden we preken in een wereld, waarin mensen sterven van de honger en waarin anderen onrecht lijden en verdrukt worden? Zijn hulpverlening en allerlei acties niet veel belangrijker? Is het niet veel beter ons als christenen onder de mensen te begeven en één met hen te worden om hen zo in hun situatie goed te kunnen begrijpen? Gods Woord blijft echter zeggen: Predikt het Woord!

Waarom? Omdat de wezenlijke nood van de mens niet zijn honger is; evenmin het feit, dat hij verdrukt wordt. De wezenlijke nood is iets anders. En over die wezenlijke nood spreekt alleen de Schrift, zoals alleen de Schrift ook over de verlossing uit die nood spreekt. Als de kerk zich dan ook meer en meer gaat bezighouden met de secundaire zaken en de primaire taak - de prediking van het Woord - meer en meer uit het oog verliest, kon dit er wel eens een symptoom van zijn, dat de wezenlijke nood en de verlossing uit die nood niet meer voluit serieus genomen worden.

Als Luther antwoord gaat geven op Erasmus’ Diatribe, waarin deze de vrije wil van de mens leert, zegt hij: „Erasmus, gij alleen hebt begrepen wat de scharnier is waar alles om draait”. Dat is voor Luther de leer van de totale verdorvenheid van de mens. Op dit punt gaan de wegen uiteen tussen Rome en Reformatie. Niet pas bij de leer van de rechtvaardiging door het geloof, maar bij het kardinale leerstuk van de totale verdorvenheid en de onmacht van de mens.

Als we dan ook de mens zien als ziek, met een aantal defecten, en als we hem niet zien zoals Paulus hem beschrijft, namelijk als „dood in de misdaden en zonden” (Ef. 2:1), is er geen oog voor de wezenlijke nood van de mens en evenmin is er besef van de wezenlijke verlossing uit die nood.

Welke verlossing heeft de mens dan nodig? Een verlossing, die op zijn nood correspondeert. Een verlossing, die hem weer in de rechte verhouding met God brengt en die hem in die rechte verhouding met de Here leert leven en wandelen om God de eer te geven. Daarbij zijn allerlei verbeteringen van zijn situatie hier op aarde niet meer dan secundair.

In dit licht zou ik de stelling willen verdedigen dat het geen gunstige ontwikkeling is als de prediking aan waarde inboet. Een symptoom van inboeten van waarde van de prediking is dat de prediking hoe langer hoe korter wordt. Een ander symptoom is dat de inhoud van de prediking verschraalt tot bepaalde thema’s. Nog weer een ander symptoom is dat de dienst des Woords - veelal de tweede dienst - ingeruild wordt voor discussies in groepen en zelfs wel voor toneeluitvoeringen. Ook het opdringen van de liturgie in de eredienst ten koste van de prediking is symptomatisch. Zulks heeft de Reformatie ons trouwens niet geleerd!

Zopas zei ik, dat tijden van een geestelijk reveil het resultaat waren van een krachtige werking van de Heilige Geest, alsmede van een herleving van een krachtige bediening van het Woord van God. Decadente perioden in de geschiedenis laten dan ook onweerlegbaar zien dat er een verschraling van de prediking was.

Een andere les van de kerkgeschiedenis is deze: Als het Woord van God op de rechte wijze verkondigd worden, dan laat zo’n prediking niet na uitwerking te hebben op allerlei sociale en maatschappelijke situaties. Juist een prediking, waarin men de actuele situatie niet zo uitdrukkelijk aan de orde stelde, heeft toch vaak tot resultaat gehad, dat de consequenties van het Evangelie getrokken werden en dat men o.a. ook in de vorm van christelijke hulpverlening actief ging worden. Ja, de prediking die er niet expliciet over sprak, had vaak meer effect dan een prediking, waarin allerlei actuele situaties wel uitdrukkelijk besproken werden!

Misschien houdt iemand toch vol, dat er nu toch wel zeker op een andere manier gepreekt moet worden, omdat we nu toch duidelijk in andere tijden leven dan vroeger. Dat we in andere tijden leven is mijns inziens maar betrekkelijk waar. U kunt natuurlijk zeggen, dat we ons vandaag sneller verplaatsen dan vroeger en dat we vandaag weten van atoomsplitsing en aërodynamica e.d., dingen waar men vroeger geen idee van had. Dat alles maakt wel een verschil. Maar, God is niet veranderd en Zijn wet ook niet; net zo min Zijn Evangelie. Zijn beloften zijn ook onveranderd en Zijn eisen eveneens.

Is de mens veranderd? Hij kan inderdaad meer dan vroeger. Hij presteert ook meer - ook in zonde en goddeloosheid. Maar wezenlijk is de mens onveranderd. Is er zoveel vooruitgang sinds de zondeval? Nog steeds wordt de mens door de duivel verleid om God niet te geloven en te gehoorzamen. Nog steeds is de mens geïnteresseerd in dezelfde dingen, waar hij vierduizend jaar gelezen ook in geïnteresseerd was: in eten en drinken en oorlog voeren en sex e.d. Nog steeds zijn de belangrijkste sociale problemen haat, diefstal, ontrouw, afgunst enz. De verschillen met vroeger zijn maar betrekkelijk. De oplossing van de nood van de mens is evenmin veranderd, want Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.

Als iemand dan toch wil volhouden dat 1985 anders is dan 1885, dan wil ik hem daarin gelijk geven, maar dan ook in deze zin, dat de wereld al meer goddeloos is geworden en dat al meer zonde en wetteloosheid gepropageerd worden en dat ook het rijk van de Antichrist nu honderd jaar dichterbij is dan een eeuw geleden. En dit maakt juist de prediking des te meer noodzakelijk, want alleen het Woord geeft een antwoord.

Inhoud

Wat is dan zo belangrijk dat God het gebracht wil hebben? Wat moet er gebracht worden in de prediking?

Ten aanzien van de inhoud hebben wij” niets te zeggen. Gòd heeft de inhoud van de prediking bepaald. De prediker, eventueel samen met zijn kerkeraad of een groep uit de gemeente, heeft niet tot taak gekregen de boodschap te bedenken. God heeft voor ons de boodschap opgesteld. Wat is de inhoud?

We kunnen verwijzen naar wat Paulus ervan zegt, bijvoorbeeld tot de ouderlingen van Efeze (Hand. 20: 27). Hij zegt, dat hij niets achtergehouden heeft, maar dat hij verkondigd heeft al de raad Gods. Al de raad Gods! Wat Paulus daarmee bedoelt, zegt hij in 1 Cor. 2: 2: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus en Die gekruisigd.

Paulus heeft Jezus Christus gepreekt. Uit zijn brieven kunnen we aflezen wie deze Jezus Christus voor hem was. Hij spreekt over Hem, zoals Hij was voor Zijn menswording (FM, 2); hij spreekt over Hem als Degene door Wie alle dingen gemaakt zijn (Col. 1). Hij spreekt over Hem, zoals Hij op aarde kwam (1 Tim. 3: 16, 2 Cor. 8:9). Paulus spreekt over Zijn Persoon, Zijn werk, Zijn ware mensheid, Zijn medelijden. Zijn voorbidding. Zijn heerlijkheid. Het thema „Jezus Christus” kan Paulus nooit uitputten.

Een speciale plaats in zijn Christus-prediking krijgt het kruis van Christus. We vinden in zijn brieven, dat het centrale van zijn denken en spreken is: Gods grote verlossingswerk in de dood van Zijn Zoon. Het bloed, het offer, de dood, de verzoening, de voldoening, de gestilde toorn, de gebluste wraak, de verse en levende weg - dat alles komt zeer uitdrukkelijk aan de orde in Paulus’ prediking en het is alles terug te voeren tot dit thema: Jezus Christus en Die gekruisigd.

Waar het Paulus dus om gaat is de Persoon en het offer van Christus. Al het andere is daaraan gerelateerd. Al het andere. Vandaar dat Paulus altijd weer gelegenheid ziet om alles vanuit deze Christus en Die gekruisigd te bezien. Als hij spreekt over de verhouding van man en vrouw, doet hij dat vanuit Christus: „Gelijk ook Christus…..” (Ef. 5). Trouwens, we vinden dit niet alleen bij Paulus, maar bijv. ook bij Petrus. Als hij schrijft over slaven en vrijen, doet hij dat vanuit Christus, Die „als Hij gescholden werd, niet terug schold” (1 Petr. 2). Trouwens, is er wel één leerstuk, één aspect van de openbaring Gods, dat niet te maken zou hebben met Jezus Christus? Hiermee is dan ook het centrale van de prediking aangegeven.

Begrijpt u mij niet verkeerd. Als ik spreek over het „centrale” van de prediking, bedoel ik er niet mee wat een moderne hermeneutiek er mee zou kunnen bedoelen, als die stelt, dat de Bijbel gelezen moet worden vanuit een bepaalde optiek, bijvoorbeeld het liefde-gebod. Dat berust op een eigenmachtige keus. Een zeer willekeurige keus ook, want wie verbiedt dan een ander met een andere optiek te komen? Dit is bovendien niet zelden een keus, die we maken, opdat we kunnen komen waar we willen zijn!

Als ik zeg, dat Jezus Christus het centrale is in het Woord en in de prediking, dan zeg ik dat omdat in Hem het hele Woord is.

Wat is in dit licht gezien geen rechte prediking? Wanneer wijkt de prediking af en is ze geen rechte prediking meer? Wanneer is de prediking valse prediking geworden?

Het is geen wonder dat er altijd valse prediking is geweest. Als de verkondiging van het Woord zo belangrijk is, dat God haar gebruikt om zondaren aan de macht van Satan te ontrukken en ze over te brengen in Zijn Koninkrijk, waardoor het rijk van de Boze wordt afgebroken, dan kunnen we verwachten dat Satan alles in het werk stelt om de rechte prediking zoveel mogelijk te verijdelen. Daarom staat de rechte prediking altijd op de tocht.

Dat hebben de apostelen begrepen. Trouwens, in het Oude Testament lezen we al van waarschuwingen aan Israël gegeven, opdat ze zouden leren onderscheiden tussen ware en valse profetie. In het Nieuwe Testament zijn de waarschuwingen niet minder ernstig en dringend. Paulus wijst op de concrete ketterij, die de opstanding loochent (1 Cor. 15). Johannes waarschuwt tegen de ketterij, die ontkent dat Jezus Christus in het vlees gekomen is.

Maar niet altijd is de ketterij zo duidelijk. Jezus Zelf heeft ons gewaarschuwd voor wolven, die niet in wolfsvachten, maar in schaapskleren komen. Dan wordt het nog gevaarlijker, want wolven in schaapskleren vallen zo spoedig niet op. Dan denken we niet direct aan afwijkingen in de leer. Zij spreken immers naar de Schrift; ze spreken zeer aantrekkelijk en ze kunnen heel ernstig zijn en heel ijverig. Maar ondertussen moet wel bedacht worden, dat bepaalde elementen van de volle raad Gods niet aan de orde komen. Het valse van de prediking ligt echt niet altijd in de vraag hoe verkeerd het gezegd wordt, maar het kan ook wel degelijk liggen in datgene wat juist niet gezegd wordt. En we zijn mijns inziens duidelijk in de gevarenzone aangeland, als de stelling verdedigd wordt, dat er aan de prediking wel mag mankeren, mits de prediking toch maar blijft binnen Schrift en belijdenis. Dan zou alleen dat verkeerd zijn, wat tegen Schrift en belijdenis in gaat. Maar is dat zo? Ik meen van niet. Ook als niet het volle Woord en de volle belijdenis aan de orde komen, is er al wat fout. Als vitale elementen van Woord en confessie in de prediking ontbreken, is het mis. Luther zei: „Als ik met luide stem en duidelijke uiteenzetting elk onderdeel van de waarheid Gods belijd, met uitzondering van net dat kleine punt, dat de wereld en de duivel aanvallen op dat ogenblik, dan belijd ik Christus niet, hoe duidelijk ik Hem ook belijd”.

Nu geef ik aan u het oordeel om te bepalen of er in 1985 vitale elementen van het Woord in de prediking ontbreken. Zijn er dingen, die verzwegen worden, terwijl ze niet verzwegen mogen worden?

Hoe staat het met de verkiezing van eeuwigheid - wordt daar inderdaad nadrukkelijk over gepreekt? Krijgt dit leerstuk in de prediking ook die belangstelling, die het in onze belijdenis heeft? Als dat niet zo is, dan vervaagt het soevereine karakter van de genade. Als de verkiezing niet schriftuurlijk gepreekt wordt, vervallen we in de veronderstelling dat alle mensen verkoren zijn of in de eenzijdigheid waarbij alle nadruk valt op de verantwoordelijkheid van de mens; dus hetzij in een barthiaanse, hetzij in een arminiaanse beschouwing. Is dat rechte prediking?

Een ander punt is de verdorvenheid van de mens. Wordt dat onderdeel van de leer, waarin we belijden dat de mens geheel verdorven is en daarom onbekwaam tot enig zaligmakend goed, in de prediking in alle duidelijkheid aan de orde gesteld? Of wordt dat verzuimd? Als dat zo is, komt dat dan doordat we nog wel oog hebben voor de liefde Gods, maar wellicht het zicht op de heiligheid en de gerechtigheid Gods verloren hebben? En als we wel over de liefde Gods, maar niet of nauwelijks over de heiligheid en de gerechtigheid Gods spreken, hangt dat dan mogelijk weer samen met een anders verstaan van de functie van de wet? Functioneert de wet dan nog wel als kenbron der ellende en als tuchtmeester tot Christus? Als de wet niet meer doorklinkt in de prediking dan raken we ook het accent op de toorn van de Wetgever kwijt. Dan hoort de gemeente ook niet meer van de straf van de Rechter van hemel en aarde of van de eeuwige bestemming van de goddeloze. Kunnen we dan met Paulus nog zeggen „Wij dan, wetende de schrik des Heren, bewegen de mensen tot het geloof”? Beeft er dan nog wel eens iemand onder de prediking, zoals Felix beefde toen Paulus sprak over rechtvaardigheid, matigheid en het toekomend oordeel?

En hoe staat het met de toepassing des heils in de prediking? Het geloof mag centraal staan in de hele heilsweg. Maar dan wel geloof in de Schriftuurlijke zin. Maar het gaat toch ook weer niet uitsluitend om geloof. De Schrift spreekt toch over wedergeboorte, die immers noodzakelijk is vanwege onze totale verlorenheid. Spreekt de Schrift ook niet over bekering? Moet er in de prediking niet op bekering aangedrongen worden, door de gemeente te plaatsen voor het heilig recht en de eisen van God? Moet de bekering niet gepredikt worden als een mijden en vlieden van de zonde en als een verzaken van de wereldse begeerlijkheden? En wat te zeggen van de heiligmaking? Komt de heiligmaking, zoals die gepreekt wordt, voort uit de wedergeboorte? Of is de heiligmaking langzamerhand geworden tot een twintigste-eeuwse beleving van het werkverbond?

De rechte prediking zal ernst maken met alle aspecten van het Woord van God en zal geen van die aspecten willen verdoezelen. De rechte prediking zal dan ook niet komen met een oppervlakkige boodschap en een gemakkelijke zaligheid.

Misschien denkt iemand: Hoort dit allemaal in de gemeente thuis, in de verbondsge-meente? Als we in de gemeente preken is dat toch niet hetzelfde als de verkondiging van het Woord op het zendingsveld of in een evangelisatiecampagne? We spreken het Woord toch in de gemeente, die uit het zaad van Abraham bestaat? Dat is volkomen terecht. Maar, zoals prof. W. Kremer ons al geleerd heeft: „Allereerst komt telkens in de Schrift naar voren dat er ook bij hen, die onder het verbond en de prediking van de belofte leven, geen plaats is voor het heil Gods. De natuurlijke situatie van een mens is door het verkeren onder de belofte van het verbond en de prediking daarvan niet veranderd” (Priesterlijke Prediking, p. 63). En „De eerlijkheid gebiedt de Adamspositie duidelijk in het licht te stellen. Het gaat hierbij om de gevallen mens, de zondaar, de schuldige, de vijand van God, die krachtens zijn gevallen bestaan vreemd is van het leven Gods, door de onwetendheid, die in hem is. Het is niet genoeg dit zondaar zijn als een soort promemorie post in de prediking uit te trekken en er verder geen rekening mee te houden” (a.w. 67).

Daarom is het nodig, ook in de gemeente, de volle raad Gods te verkondigen. En als het gaat om de voorrechten, die aan de gemeente geschonken worden en om de beloften, die haar worden voorgesteld en om het heil van Christus, dat haar mag worden gepresenteerd, dan zullen we toch in de Schriftuurlijke en reformatorische lijn onderscheid moeten blijven maken tussen schenking en deelachtigmaking.

In dit verband wil ik ook nog een enkele opmerking maken over de toepassing in de prediking. De prediking mag immers niet volstaan met de mededeling van een aantal feiten of het uiteenzetten van de leer. De prediking dient ook toepasselijk te zijn. Om opnieuw Kremer te citeren: „Wat is de theologische plaats van de mens? Hoe is hij te zien als zondaar, als kind, als mandataris, als kerklid, als burger van het rijk? Is hij dan Adamiet, Abrahamiet of Christen in zijn geestelijke positie? Wie hierover geen bezinning kent, kan het adres van de preek niet schrijven, die tot allen, maar ook tot een iegelijk gericht dient te zijn” (a.w. 24,25).

Inderdaad, de prediking moet geadresseerd zijn. De prediking moet gericht zijn op de enkele mens, temidden van de mensen, de gemeente. Als we in de krant een advertentie zien van een kledingmagazijn, waarin aangekondigd wordt, dat er een speciale verkoop gehouden zal worden van herencostuums met de woorden „Halve prijs - één maat - geschikt voor iedereen”, dan zie ik nog niet in, dat er veel mensen door zo’n advertentie aangelokt zullen worden. Toch ben ik bang, dat vele preken op deze wijze geadverteerd zouden kunnen worden……

Maar nog afgezien van deze kant van de zaak, toepasselijke prediking is de enige Bijbelse prediking. Jezus preekte ook toepasselijk. Hij had een apart woord voor Farizeeërs en een apart woord voor de discipelen; een apart woord voor de vrouw in Samaria en een apart woord voor wie dan ook. Zo preekte ook Johannes de Doper. Hij zou zijn hoofd gespaard hebben, als hij niet in concrete toepassing tot Herodes gezegd had: „Het is u niet geoorloofd haar te hebben”.

Petrus preekte eveneens met duidelijke toepassing. „Welke gij genomen hebt….” Niet in vage termen, zoals „Welke sommige mensen genomen hebben…….” en dan nog een paar algemeenheden.

Ook ten aanzien van de beloften en de toepassing van het heil, laat de Schrift ons zien, dat de prediking toegepast dient te worden. Ik denk aan het prachtige christologische gedeelte in Jes. 50, waar de Knecht des Heren van Zichzelf zegt, dat Hij onderwezen wordt, om met de moede een woord ter rechter tijd te spreken. Zo wordt de Knecht des Heren bekwaamd om met elk individu in prediking en pastoraat afzonderlijk te handelen. Moeten dan de knechten van die Knecht niet bij dezelfde God in de leer gaan om op die manier bekwaamd te worden om een woord te spreken met de moede ter rechter tijd?

Daarom is de omschrijving, die Calvijn van de prediking gegeven heeft, zeer adequaat. „De bedoeling van heel de evangelische dienst is, dat ons, die van God, de bron aller gelukzaligheid, door de zonde gescheiden zijn en daarom verloren, Christus worde medegedeeld; zodat wij het eeuwige leven uit Hem putten en eindelijk alle hemelse schatten aldus ons worden toegepast, dat zij niet minder van ons dan van Christus zijn, die ons roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid”.

Manier

Hoe moet dit allemaal gebeuren? Dit brengt ons bij de prediker. Wat is de rechte wijze van prediken? Hoe dient de prediker te zijn? Ik denk weer aan Paulus. Hij zegt in 1 Cor. 2 dat hij in Corinthe niet gesproken heeft zoals de redenaar dat doet of zoals de filosoof dat doet. Hij heeft gesproken als een getuige. Dat houdt in, dat hij er zelf geen vreemdeling van is. Hij spreekt niet over dingen waar hij geen verstand van heeft. Hij heeft het zelf gezien; hij heeft het heil zelf gesmaakt.

Dit is de enige juiste houding voor de prediker. Hij redeneert niet. Hij is ook geen advocaat, die het Woord van God moet verdedigen. Hij mag getuige zijn en zo de mensen, tot wie hij spreekt, zoeken mee te nemen in de waarheid Gods. Hij is zelf uit het vuur gered. „Mij is barmhartigheid geschied”, zegt Paulus. Hij kent de schrik des Heren. Hij weet van de liefde van Christus. Zo kan hij als een getuige spreken.

Deze positie brengt een aantal dingen mee, die voor de wijze van preken van belang zijn. Het brengt bijvoorbeeld ernst mee. De prediking geschiedt immers altijd in het grensgebied van tijd en eeuwigheid. De mens is op weg naar de eeuwigheid en zo spoedig kan de dood er zijn. Wat zal iemand dan zoeken, die zelf uit grote nood gered is? Zal hij niet ernst aan de dag leggen om ook anderen te redden? Daar is trouwens haast bij. „Laat u met God verzoenen!”

Paulus drukt die ernst ook uit als hij zegt, dat dit zijn streven is om altijd Gode een goede reuk van Christus te zijn in degenen, die zalig worden en in degenen, die verloren gaan (2 Cor. 2: 15). Hij streeft er naar om altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen (Hand. 24: 16).

De getuige moet ook integer zijn. Paulus zei het tot de ouderlingen van Efeze, dat hij niets had achtergehouden van al de raad Gods. De getuige mag niets verbergen, niets voor zichzelf houden, omdat het misschien minder aantrekkelijk en minder smakelijk is, of nu niet zo goed uitkomt of omdat de mensen het hem misschien niet in dank zullen afnemen. De integriteit van de getuige is dat hij niets achterhoudt.

Diezelfde gedachte zit ook in het woord „heraut”, dat het Nieuwe Testament eveneens gebruikt om de positie van de prediker aan te duiden. Deze getuige-heraut mag ook met gezag spreken, zoals ook Jezus met gezag sprak (Mt. 7: 29). Hij sprak anders dan de Bijbel-praters, de Schriftgeleerden. Er was autoriteit in Zijn woorden; een gezag, dat rustte in Zijn wettige roeping.

Maar wie is tot deze dingen bekwaam? Paulus erkent van zichzelf dat hij die bekwaamheid mist. In 1 Cor. 2: 3 zegt hij, dat hij in Corinthe was met veel vrees en beving. Daarmee zinspeelt hij niet op een lichamelijke zwakte. Dit vrezen en beven kwam voort uit zijn besef van ongeschiktheid voor dit werk. Paulus beseft, dat hij, hoewel hij zo duidelijk geroepen was tot dit werk, toch ongeschikt is. Geen wonder, want in 1 Cor. 1 heeft hij al gezegd, wat er aan weerstanden loskomt tegen het Evangelie dat hij brengt. Het is een ergernis! Een dwaasheid is het! En wie is Paulus om die ergernis en die dwaasheid weg te nemen? Als Paulus op zijn eigen zwakte en ongeschiktheid ziet, beeft hij. Dat hoort ook bij de rechte wijze van de Woordverkondiging. Zo moet de prediker het meer en meer gaan beseffen en zo moeten kerkeraden en gemeenten het meer en meer gaan beseffen, dat de Heilige Geest van absoluut belang is voor de rechte prediking.

Dat komt ook uit in 1 Cor. 2. Paulus erkent, dat hij preekte met vrees en beving, en toch preekte hij in betoning van Geest en kracht. Ja, de Geest moet komen zal de prediking waarlijk krachtig zijn.

In dit besef zal ook in 1985 gepreekt moeten worden. En als er recht gepreekt wordt, dan gaat het om realiteiten. Dan gaat het niet om een naam „God” of om een begrip „Christus” of om een begrip „zonde” of om een woord „genade”; dan gaat het in dit alles om realiteiten, om beleefde werkelijkheden. Dan worden ze beleefd, doordat de Geest ze reëel maakt. Als de gemeente wordt voorgesteld om te eten van het brood des levens, dan zal de prediker zelf ook eetlust moeten hebben. Als de prediker spreekt over Jezus Christus en Die gekruisigd, dan zal Hij een door de prediker gevoelde Christus moeten zijn. Hoe kan hij anders aan het gevaar ontkomen om als advocaat op te treden, of als prater, of als computer?

Dit zal hem er ook toe brengen om in zelfverloochende liefde te preken. Dan mag hij in de prediking ook zichzelf meedelen aan zijn volk, zoals Paulus tot de Thessalonicenzen zegt (1 Ths. 2: 8). Zo heeft Paulus de gemeente in Efeze ook „met tranen” vermaand (Hand. 20: 31). Vanwege deze gezindheid kan hij ook zeggen, dat de onbekeer-lijkheid van Israël hem een gedurige smart is (Rom. 9: 2). Het wordt van de Schotse prediker M. Cheyne gezegd: „Hij preekte, alsof hij stervende was om je bekeerd te krijgen”. Trouwens, Jezus weende toch ook toen Hij de stad zag. En Gods ingewanden rommelen van barmhartigheid, zegt de Schrift. Zou van dit alles ook in de prediking niet iets moeten uitkomen? Dat kan alleen door de Heilige Geest, die van zelfzuchtige mensen mensen maakt die zichzelf zouden willen opofferen, als het maar zou mogen zijn tot bekering en zaligheid van het volk, tot wie ze mogen spreken.

Zo heeft Paulus het ook ondervonden, dat door de Geest het gepredikte woord kwam met veel verzekerdheid (1 Ths. 1: 5) en dat het kracht deed. De Geest opende het verstand, zodat mensen die van nature niet verstonden wat de dingen van de Geest van God zijn, ze wel gingen verstaan. De Geest opende het hart van Lydia. De Geest overtuigde van zonde. De Geest maakte Christus noodzakelijk en dierbaar en Hij bracht tot het voorwerp van het geloof. De Geest deed alles om zondaren het heil deelachtig te maken.

Zullen we vandaag op de rechte wijze prediken, dan hebben we de Heilige Geest nodig. Maar laten we er dan wel om denken, dat wij door een kleinigheid de Geest kunnen tegenstaan en uitblussen. Als we de Geest in de prediking negeren, dan zijn we al bezig Hem uit te blussen. Het is waar, dat de Geest van Zichzelf niet zal spreken (Joh. 16: 13, 14). Maar toch mag de prediking niet over Hem zwijgen. En het gebed zal concreet een gebed om en tot de Geest moeten zijn. We staan immers voor een gesloten Boek. En we hebben te doen met onsterfelijke zielen, die op weg zijn naar de eeuwigheid. En alleen door het geloof in Christus is er ontkoming - maar dat geloof is weer door de Heilige Geest. Daarom zijn we niet klaar in de prediking met onze homiletiek en exegese en ook niet met een formeel gebed. De prediking wordt alleen vruchtbaar door het wonder van de bediening van de Geest.

Laten we die Geest dan niet bedroeven of tegenstaan door zorgeloos met het Woord om te gaan of door zedelijke afwijkingen in het leven. Ook niet door af te wijken van wat naar Gods Woord in de prediking centraal moet staan. Evenmin door uit het oog te verliezen dat de prediking de eerste taak van de kerk is. Laten de predikers van het Woord zich dan ook houden aan die eerste taak en laten de kerkeraden daarop toezien. Een Engelse schrijver, William Jay, vertelt een verhaal, dat in dit opzicht leerzaam is. Het gaat om een koetsier, die een passagier vervoerde. Onderweg wilde de passagier van alles weten. „Wie woont er in dit huis?” Maar de koetsier antwoordde: „Ik weet het niet”. ”Wat is dat voor een gebouw?” „Ik weet het niet”. Tenslotte werd de reiziger wat korzelig en zei: „Wat weet u nu eigenlijk wel?” Daarop antwoordde de koetsier: „Ik weet hoe ik een koets moet besturen”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.