+ Meer informatie

VERANTWOORDELIJKHEID VAN DE KERKENRADEN TEN AANZIEN VAN BESLUITEN VAN DE GENERALE SYNODE

12 minuten leestijd

Geen prejudicie

De kwestie die de redactie van Ambtelijk Contact aan de orde gesteld wilde hebben, raakt een materie die ook op de synode een punt van bespreking is geweest. Daar leidde de discussie tot de instelling van een deputaatschap.

Omdat het onder ons geen gewoonte is om al te stellig een mening te verkondigen, waarvan de vorming nog een zaak van onderzoek is, zal ik mij in deze korte bijdrage slechts in termen van algemeenheid kunnen uiten. Men moet, zo is de opinie, een deputaatschap niet voor de voeten lopen. Dat klinkt heel eenvoudig. lets moeilijker uitgedrukt is het wanneer we stellen, dat dit gemakkelijk zou kunnen worden opgevat als een vorm van prejudiciëren.

De onder ons groot gezag hebbende Grote Van Dale geeft aan dat dit laatste betekent dat men een beslissing neemt of een handeling verricht waardoor men later niet meer vrij is, veelal met de gedachte dat daardoor iets of iemand benadeeld wordt. Onze bedoeling, alsmede die van de redactie, is vooral om niemand te benadelen. Vandaar de algemeenheid in deze bijdrage. Niemand moet denken dat wij zouden willen doen hetgeen behoort tot de opdracht van onze deputaten in dezen. Wellicht verdient het aanbeveling om onze ambtsdragers, die toch ook niet allemaal op de synode van Zierikzee zijn geweest, iets mee te delen van wat daar aan de orde was.

De kwestie op de synode

Vanuit de particuliere synode van het oosten was er op de generale synode een instructie, waarin twee zaken aan de orde werden gesteld. De eerste was die van de wenselijkheid van een revisie van de kerkorde. Het was de vraag ‘of en zo ja op welke punten de kerkorde gereviseerd, respectievelijk aangevuld of gewijzigd dient te worden’. De tweede kwestie betrof ‘de wijze waarop de kerkorde dient te worden nageleefd en hoe gehandeld dient te worden indien de kerkorde niet wordt nageleefd’.

De instructie riep op de synode zowel instemmende als kritische reacties op. Het wekte wellicht bevreemding dat in de overwegingen het laatste punt het eerst werd genoemd. De praktijk van het kerkelijke leven liet, zo stelde de instructie, zien, dat van een stipte naleving van de kerkorde niet altijd en overal sprake is en ook dat er op dit punt van eenstemmigheid in de kerken geen sprake was: ‘dat er ten aanzien van de verplichting tot en de wijze van deze stipte naleving in onze kerken verschil van mening bestaat’. De opmerking is vanzelf niet los te denken van wat in een nadere overweging werd gesteld, namelijk dat de kerkorde bepalingen bevat, die mogelijk wijziging of aanvulling verdienen.

Geen wetboek van strafrecht

Bij de bespreking van deze zaak werd de vrees geuit dat er een discussie zou ontstaan die beheerst wordt door subjectieve overwegingen en dat de kerkorde zal gaan functioneren als een wetboek van strafrecht, compleet met sancties.

De commissie die de instructie had te beoordelen constateerde dat zij inging op een bestaande praktijk, ‘dat men zich hier en daar vrijheden veroorlooft ten aanzien van de naleving van de kerkorde. De kerkorde is geenszins een wetboek voor strafrecht, maar de kerkorde dient wel te worden nageleefd’.

Met deze uitspraak kon de synode zich wel verenigen. Vandaar dat besloten werd om een deputaatschap te benoemen dat de volgende synode van advies zou hebben te dienen en voorstellen te doen aangaande de vraag of en zo ja op welke punten de kerkorde gereviseerd, respectievelijk aangevuld of gewijzigd dient te worden zonder dat aan de oorspronkelijke inhoud van de kerkorde tekort wordt gedaan. Tegelijk zou dit deputaatschap voorstellen hebben te doen over de wijze waarop de stipte naleving van de artikelen en de bepalingen van de kerkorde bevorderd kan worden.

Men ziet zonneklaar dat de vraag die in dit artikel aan de orde wordt gesteld onmiddellijk verweven is met de opdracht die aan het deputaatschap werd verleend. Inderdaad werd een nieuw deputaatschap gevormd, waarin deze kwesties aan de orde zouden komen. In hoeverre een plaatselijke kerk verantwoordelijk is voor de uitvoering van de besluiten van de generale synode is een kwestie die aan dit deputaatschap werd toevertrouwd. En zoals gezegd, het is onder ons geen gewoonte om op de uitspraak van enig deputaatschap vooruit te lopen. Daarom zouden we met het bovenstaande kunnen volstaan en verklaren, dat we rustig willen afwachten, wat de broeders die tot deze synodale taak geroepen zijn, op de volgende synode ter tafel zullen brengen.

Uit de toelichting bij de instructie

Intussen zou de redactie zich dan wel enigermate te kort gedaan kunnen voelen. Zijn er door de synoden geen bepalingen gemaakt die door verschillende kerken minder nauwgezet worden opgevolgd? We behoeven niet een overzicht te geven van de aangelegenheden die zich in de kerken voordoen ten aanzien van het nakomen, of nietnakomen van synodebesluiten.

In het rapport dat diende bij de toelichting op de instructie van de particuliere synode van het oosten werd een aantal zaken genoemd. Men vindt ze in de onlangs verschenen Acta van de synode, op p. 161. Daar werd gesteld dat de kerkorde bepalingen heeft die gerelateerd zijn aan de Heilige Schrift. Zij bevat ook regels die verbonden zijn met de innerlijke of uiterlijke structuur en beleving van het gereformeerd karakter van onze kerken. ‘Indien wij deze verdeling van onze kerkorde aanvaarden, heeft dit gevolgen voor het gewicht van de verschillende bepalingen. Bepalingen die door de Schrift zijn ingegeven zijn dientengevolge in essentie onveranderlijk en dienen strikt te worden nageleefd. Bepalingen die een zakelijke inhoud hebben (uiterlijke structuur) of van middelmatige aard zijn (niet rechtstreeks aan de Schrift te ontlenen) dienen met naarstigheid te worden onderhouden met het oog op de broederlijke eensgezindheid. Wijziging van deze artikelen is eventueel mogelijk maar dient te geschieden met gemeen accoord’.

Tolerantie, zwakken en sterken

De bedoelde toelichting spreekt zich ook uit over de naleving van de artikelen van de kerkorde. In feite is daarmee de kwestie van de naleving van synodebepalingen ook in de plaatselijke gemeente aan de orde. In de toelichting lezen we: ‘Het karakter van de artikelen is mede bepalend voor de naleving ervan. Behoort een artikel tot de artikelen die direct gerelateerd zijn aan de Schrift dan kan er over de naleving ervan geen discussie zijn. Heeft een artikel te maken met de uiterlijke structuur van het kerkelijk leven dan is wijziging denkbaar en zal er ten aanzien van de naleving ervan tolerantie in het kerkverband moeten zijn. Op basis van de verzoening door Christus dienen christenen elkaar te aanvaarden, zoals Christus henzelf aanvaard heeft. De sterken hebben de zwakken te verdragen. Men moet echter de zwakken niet stijven in hun zwakheid. Vragen van de tolerantie doemen hier op, waarbij de broederband behouden dient te blijven door wijsheid, vriendelijkheid en welwillendheid als het gaat om middelmatige dingen. Anderzijds dient echter ook te worden beseft, dat het geen kerk vrijstaat om eigenmachtig deze bepalingen terzijde te stellen. Is wijziging gewenst dan dient dit langs de geëigende kerkelijke weg aan de orde gesteld te worden’.

Voetius over deze kwestie

Zonder nu al te diep op de kwestie te willen ingaan is het wel goed om te herinneren aan wat Voetius, de grootmeester van het gereformeerde kerkrecht in Nederland uit de zeventiende eeuw, heeft geschreven over de betekenis van kerkelijke wetten. In zijn tijd had vrijwel iedere provincie haar eigen kerkorde, in mindere of meerdere mate aangepast aan de eigen situatie. Ook de diverse classes hadden nog weer eigen classicale wetten. Maar deze benaming van een kerkorde, als een classicale of synodale wet, hield niet in dat er geen souplesse was.

Hoe men de orde van de kerk ook aanduidde, voor ieder was zonneklaar dat zij in dienst stond van de vrede in de gemeente. Men kon van een kerkorde afwijken, wanneer dat afwijken geoorloofd was. Men onderscheidt in iedere kerkorde, en men deed dit ook reeds in de dagen van Voetius, tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke artikelen. lets daarvan vonden we reeds in de toelichting die op de synode van Zierikzee diende. Daar werd het onderscheid gehanteerd tussen bepalingen die de uiterlijke structuur betreffen en die welke meer het innerlijke gereformeerde karakter van de kerk raken.

Afwijking van de kerkorde, d.w.z. afwijking van hetgeen ter synode is overeengekomen, is mogelijk wanneer er drie regels worden in acht genomen. 1) De afwijking moet geschieden om des te beter de orde in de kerk te bewaren. 2) Een afwijking mag men niet aan anderen opleggen. Een synode alleen kan een verandering maken. 3) Wanneer er verschil ontstaat over de afwijkingen moet men zich onderwerpen aan de uitspraken van classis, synode of kerkenraad.

Vereisten voor synodale besluiten

In zijn grote werk over de regering der kerk (Politica ecclesiastica) heeft Voetius zeven vereisten genoemd van een kerkenordening, die in zekere zin ook gelden voor synodale besluiten. Het zijn de volgende: 1) Zij mogen de gewetens niet rechtstreeks binden. 2) Kerkordelijke of synodale bepalingen kunnen nooit als eeuwig geldend worden voorgesteld. 3) Een kerkelijke orde kan geen bepalingen bevatten over allerlei bijzondere gevallen. Zij kunnen algemene beginselen of grote lijnen aangeven. 4) Kerkelijke bepalingen kunnen niet gaan over maatschappelijke of burgerlijke zaken. 5) Kerkordelijke regels moeten zo weinig mogelijk in aantal zijn. 6) Bovendien moeten ze duidelijk en kort zijn. 7) De bepalingen mogen niet al te streng worden opgelegd, zodat ze ‘met goddelijke voorschriften worden gelijk gesteld, of ook zelfs deze zouden overtreffen, en ook opdat alle billijkheid der christelijke wijsheid en liefde niet zou worden buitengesloten. Dan immers zou het hoogste recht het hoogste onrecht worden en de opbouw van de gemeente zou niet meer de hoogste wet zijn’ (Pol. Eccl. I, 256).

Orde en wanorde

De kwestie heeft Voetius uitvoerig besproken aan de hand van de vraag ‘of de synodale bepalingen (canones), vastgesteld door een ‘nationale kerk[vergadering]’, die alleen middelmatige dingen betreffen, moeten worden nageleefd en ook alle zo streng moeten worden aangedrongen of ter uitvoering opgedragen in sommige particuliere kerken, op straffe van publieke berisping, òf van schorsing, òf van excommunicatie?’ (a.w., blz. 272).

Voetius antwoordt, dat men weliswaar de wanorde en ook de ongeregeldheden moet weerstaan, terwille van de eenheid, gemeenschap en correspondentie van de kerken in gemeenschappelijke opbouw, bevordering van het rechte geloof en de vroomheid en de bediening van de tucht. Maar naar zijn oordeel is ieder nalaten of niet-waarnemen van gebruiken of voorschriften nog niet te beschouwen als wanorde. ‘Het kan veeleer juist een goede orde zijn in zulke kerken, waar ze tot meerdere opbouw en tot bewaring van de vrede worden nagelaten’.

Blijkbaar heeft Voetius het oog op een verschil dat men ten aanzien van kerkelijke besluiten heeft te maken. Zij die op een ongelukkige manier (importune) willen aandringen op de handhaving van deze besluiten, nog wel tot verwarring van zo’n gemeente, waarbij er meer onheil dan heil te verwachten is, zijn uit op een verandering van toestand, om niet te zeggen op een algehele omkeer, òf ze weten geen onderscheid te maken tussen de geloofsuitspraken en de afzonderlijke toepassing ervan en de wijze van de regering van de kerk; geen onderscheid tussen een algemene en blijvende regel en een bijzondere, bijkomstige of voorbijgaande; geen onderscheid tussen het canonieke recht en de uitoefening van dat recht volgens een bijzondere toepassing die men maakt overeenkomstig de omstandigheden van personen, zaken, feiten, tijden en plaatsen.

We kennen Voetius voldoende om te weten dat hij de strijd voert tegen wanorde. Maar hij doet het op de manier die kennis draagt van het verschil tussen hetgeen blijft en hetgeen van voorbijgaande aard is. Ook de regels die van blijvende waarde zijn vragen om billijkheid in de toepassing, d.w.z. wijsheid, liefde en inzicht.

Eigen kerkorde

We stoppen hier met de weergave van Voetius’ gedachten op dit punt omdat het zonder meer duidelijk is dat de fundamentele inzichten die hij aan de dag legt in overeenstemming zijn met de principes van het gereformeerde kerkrecht, zoals dit ook in eigen kerkorde is verwoord.

De besluiten van kerkelijke vergaderingen zullen voor vast en bondig gehouden worden. Dat lijkt een op zichzelf duidelijke uitspraak. Zo is de regel ook. En het laatste artikel van de kerkorde geeft eveneens aan, dat wij niet te doen hebben met een onveranderlijk wetboek, zoals Luther het eenmaal in het vuur wierp, toen hij (20 december 1520) het omvangrijke Corpus Iuris Canonici, de rooms-katholieke kerkwetten van zich wierp. De artikelen van onze kerkorde kunnen veranderd worden. Maar die verandering staat niet aan één persoon, ook niet aan één gemeente. Zij behoort tot de taak van de generale synode, die zal oordelen over nut en noodzaak.

Merkwaardig is het dat op dit punt de uitdrukking voorkomt over het ‘belang van de kerken’. Dat ‘profijt’ van de kerken is natuurlijk in dit verband bedoeld als het nut, of ’t heil van alle kerken tezamen.

Kerkverbandelijk profijt

Het kerkverbandelijk belang komt zeker in geding, wanneer het de grondslagen van de kerk zelf raakt. Dan spreken we over de belijdenis van de gemeente van Christus. Dat belang of profijt van de kerken ‘in ’t gemeen’, is ook in geding, wanneer het om z.g. middelmatige dingen gaat, d.w.z. die zaken, waarom wij een buitenlandse kerk niet zouden willen veroordelen. Over zulke zaken kan een synode binnen eigen kerken beslissen dat zij in de vrijheid van de kerken wordt gegeven. Zo is het bij ons geschied ten aanzien van de bijbelvertaling. Ook andere kwesties zouden we hier kunnen noemen. Maar dan begeven we ons op het terrein dat de generale synode ter bestudering aan een afzonderlijk deputaatschap heeft toevertrouwd. Dat deputaatschap willen we de vrijheid der studie niet ontnemen. Vandaar dat we ons in dit artikel beperkt hebben tot enkele algemene opmerkingen, die echter wel een lijn laten zien, waarlangs gedacht en gehandeld kan worden in de kerken die elkaar beloofd hebben de kerkelijke orde te zullen handhaven, terwijl diezelfde kerken het noodzakelijk geacht hebben om te onderzoeken in hoeverre een stipte naleving, die nu nog al eens gemist wordt, kan worden geëist en bereikt.

Prof. dr. W. van ’t Spijker nam onlangs afscheid als hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht aan onze Theologische Universiteit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.