+ Meer informatie

Het teken van ’s Heeren gunstrijke tegenwoordigheid

6 minuten leestijd

De vvolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. (Exodus 14 : 19b)

Jacobs kinderen leefden onder zware druk in Egypte; zij werden gevangen gehouden tot dienstbaarheid. De Heere hoorde hun geschrei en verloste hen. Deze verlossing volgde op het slachten van het paaslam en was vrucht van de onderscheidende en levengevende toepassing van het bloed des lams.

Israël is door God verlost, uit souvereine gunst. Zo is dit volk het beeld van het geestelijk Israël, wat tot op Gods tijd gevangen wordt gehouden onder de dienstbaarheid der zonde, tot verderfenis. Dit geestelijk Israël leert hun diep ongeluk en zware dienstbaarheid kennen door Gods Woerd. Het gaat uit de diepte tot Gocl omhoog roepen. En de Heere let op hun geschrei en op Zijn eigen tijd verlost Hjj hen. Deze verlossing is vrucht van de onderscheidende en levengevende toepassing van het Bloed van het ware Paaslam. Israël is dus verlost uit de dienstbaarheid, het is vrij, maar niet zonder strijd en bestrijders. Van stonde aan is de strijd begonnen. Zo ook met een iedere geestelijke Israëliet. Dit is dan ook het deel van jongelingen of jongedochters, welke door de Heere verlost zijn uit de overheersing van satan, zonde en wereld. Zij zijn vrij door de Goddelijke toepassing van Christus' middelaarswerk. Dit is een onuitsprekelijke weldaad van Gods souvereine gunst, vloeiend uit Gods Verbond, maar het voert onze jongeren dan ook in de strijd des levens. Zij hebben met zichzelf te strijden, ook met de opdringende goddeloze Farao en al zijn rijksgroten, met hun beste heilskrachten. Ongelijke krachten! Een ontbloot en ongewapend en ongeoefend volk nagejaagd door een bewapende en geoefende krijgsmacht met een strijdvaardige koning aan het hoofd. Wat zal er toch van worden!

Het is voor Israël, ziende op zichzelf een verloren en hopeloze strijd. En toch zijn zij ontkomen! De Heere deed hen 's vijands macht ontvliên. Die vóór Israël was, is meer dan die tegen hen waren. God is meer dan Farao; de HEERE meer dan satan, zonde, wereld en eigen vlees. De HEERE is geweldiger dan het bruisen van grote wateren.

Zo is het ook met het geestelijk Israël, hetzij zij dan jong of oud van jaren zijn. Zij zijn in zichzelf krachteloos en machteloos; de vijand schijnbaar onoverwinnelijk en zeer geoefend om het ontkomende volk terug te halen en tot de dood toe te drukken. Maar er is geen nood of dood meer voor Gods volk want de HEERE ia met hen. Dit mag Israël ervart„, als schaduwbeeld en tot bemoediging van al Gods volk. De HEERE maakt een scheiding door de wolkkolom. Die wolkkolom is het teken van 's Heeren gunstrijke tegenwoordigheid voor Israël, daarentegen het bewijs van Gods oordeel, toorn en gramschap over Farao met de zijnen. De Heere kwam tussenbeide. Zo is dat nog, bij aanvang en bij de voortgang met 's Heeren volk.

Er is een wezenlijke scheiding door God gemaakt, tussen verkorenen en verworpenen, tussen levenden en de doden in geestelijke zin, tussen de herborenen en 011herborenen, ' tussen Gods volk en de onbekeerden. Deze scheiding is Gods werk, ze getuigd van souvereiniteit in de volvoering van Gods genadewerk. Laten onze jongeren toch nooit vergeten, dat het wel goed is, ja profijtelijk zelfs, om ons af te zonderen van de wereld en de goddelozen, maar dat dit niet genoeg is; noodzakelijk is het voor ons dat God zelf ons afzondert van aile anderen. De mogelijkheid daartoe is er met het leven onder Gods Woord, de noodzakelijkheid er van moge toch steeds gevoeld worden in het leven der jongeren, de werkzaamheden daartoe mochten maar levendig betracht worden, door onze jongens en meisjes. Wie weet, de Heere mocht zich over U eens ontfermen, en voor U strijden, ja voor uw aangezicht heen gaan en uw achtertocht willen zijn in de woestijn van dit leven. De Israëlieten mochten wandelen in het licht van Gods genadig welbehagen, terwijl de Egyptenaren in het nachtelijk duister van Gods oordeel wandelden.

Voor Israël werd het evenwel een onmogelijke weg. Het ging door het water, nooit was daar een weg geweest, het ging met hen boven eigen verstand en overleg, zij konden het niet langer uitrekenen of berekenen; het was een weg, die alleen maar in het geloof bewandeld kon worden. Zo zijn zij in het geloof, achter de Heere door de zee gegaan. Onder hen waren groten en kleinen, sterken en zwakken, jongen en ouden, maar zij allen gingen en ontkwamen van Farao.

Zo is het ook met Gods volk. Zij worden gebracht aan het einde van hun eigen werk en kracht en overleggingen en berekeningen. De weg, welke de Heere de Zijnen doet gaan tot verlossing en vrijmaking is niet een weg des verstands, of van Vleselijk overleg, noch een weg, die te betreden is in eigen kracht, maar een weg des geloofs. En gelijk er onder de Israëlieten onderscheid was, zo ook onder Gods volk, er zijn onderscheidene standen in het genade leven, daar zijn zwak-en sterkgelovigen, er zijn eikenbomen der gerechtigheid, maar ook gekrookte rieten en rokende vlaswieken. Maar zij allen gaan in de weg des geloofs, achter de Heere aan en worden zo verlost en in vrijheid

^esteld Kont eii mijn lezer of lezeres er ook iets van fn de practijk vïn uw l e v e n ? Daar zal het toch op aankomen, niet alleen op het belijden, maar vooral op het beleven Komt het voor ons aan. Die wolkkoxom was voor Israël het onbetwistbaar teken van Gods gunst.

De inwoning des Heiligen Geestes is voor Gods volk het onbetwistbaar bewijs van de gunst en gemeenschap Gods in Christus. Die wolkkolom was voor Israël tot scheiding en onderscheiding, tot leiding door de woestijn, tot verlichting als het donker was, tot verkwikking in de hete woestijn. Zo is het ook met Gods volk. 's Heeren kinderen worden door de Heilige Geest afgescheiden en onderscheiden, die Geest is hun tot leiding, lering, en gedurige bekering; die Geest verlicht hun duisternissen, welke vele zijn, en verkwikt hen in de woestijn van dit leven. En zoals de wolkkolom Israël in Kanaan bracht, zo leidt de H. Geest Gods volk naar en in het hemels Kanaan; waar zij even zeker zullen aankomen, als het vleselijk Israël in het aardse Kanaan.

O! leerden wij toch letten op het teken van Gods gunstrijke tegenwoordigheid. De Heere beware ons om met het onze iets te worden; Hij beware ons ook voor valse lijdelijkheid. Hij doe ons het grote gewicht onzer zielestaat opmerken en betrachten en Hij verheffe het Licht van Zijn vriendelijk Aangezicht voor jong en oud, Zijn naam tot eer, en onze ziel tot zaligheid.

Ds W. DE WIT.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.