+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

7 minuten leestijd

57.

Er was in het hart van de verdrukte pelgrims een innige overgave aan de Heere, zodat zij zich in de leiding van Zijn alwijze beschikking met een kinderlijke blijmoedigheid mochten verheugen. In het genot van deze heerlijke geloofsgestalte waren zij vergenoegd met het tegenwoordige. Zij hadden wat het toekomende betreft geen kwaad te duchten, want de Heere doet alle dingen medewerken ten goede. Het hart werd er des te meer door in Zijn trouw bevestigd. Welgelukzalig zijn ze dan ook, die op de Heere vertrouwen. „Die op de Heere vertrouwen, zijn als de berg Sion die niet wankelt, maar blijft in eeuwigheid”.

Toen er nu een dag was vastgesteld, werden zij weder voorgebracht om hun vonnis te vernemen. Zij verschenen voor hun rechters en nu begonnen de beschuldigingen. Denaam van de rechter was Hater Van Het Goede. De aanklachten, die alleen verschilden wat de vorm betreft, kwamen neer op hetgeen volgt: De mannen waren vijandig gezind jegens de handel, die in de stad gedreven werd en trachtten die op allerlei wijze te verstoren; in de stad hadden zij oproer en verdeeldheid veroorzaakt, en met verachting van de wetten des lands hadden zij anderen weten over te halen hun hoogst gevaarlijke begrippen te omhelzen.

Getrouw antwoordde nu, dat hij zich alleen verzet had tegen dingen, die in strijd waren met de eer van de allerhoogste Koning. „En”, zeide hij, „wat oproer aangaat, ikheb dat niet verwekt, want ik ben een man des vredes. Zij, die voor ons partij kozen, waren gewonnen door onze waarheid en onze onschuld en dus hebben zij niet het kwade, maar het goede verkozen. En wat de koning aangaat, van wie gij spreekt, daar hij Beëlzebul, de vijand van onze Heere, is, trotseer ik hem en al zijn engelen”.

Nu werd er een oproeping gedaan, dat allen, die iets te zeggen hadden voor hun heer, de koning, tegen de gevangene voor de rechterstoel, terstond moesten verschijnen om hun getuigenis af te leggen. Daarop kwamen de drie getuigen binnen, Nijd, Bijgeloof en Plasdank. Hun werd gevraagd of zij de gevangene voor de balie kenden en wat zij te zeggen hadden voor hun heer, de koning, tegen deze man.

Toen trad Nijd naar voren en zeide: „Edele heer, ik heb deze man lang gekend en ben bereid onder ede te verklaren.....” De rechter: „Wacht eens! Neem hem de eed af”.

Dit geschiedde nu en toen vervolgde de man: „Deze mens is, in weerwil van de schone naam, die hij draagt, één der snoodsten van het land. Hij bekommert zich om vorst noch volk, wet noch gewoonte, maar doet al wat hij kan om slechte beginselen te verbreiden, terwijl hij ze noemt beginselen van geloof en heiliging. En nu heb ik hem zelfs horen beweren, dat het christendom en de zeden van onze stad IJdelheid, zo in lijnrechte strijd met elkaar zijn, dat zij nimmer te verenigen zijn. En door zulke woorden, edele heer, veroordeelt hij niet alleen onze loffelijke daden, maar ons zelf, die ze verrichten”.

De rechter vraagde hem: „Hebt gij nog meer te zeggen?” Nijd: „Edele heer, nog veel meer zou ik kunnen zeggen, maar ik wil het hof niet ophouden. Mocht er, wanneer de andere heren hun getuigenis hebben uitgebracht, nog iets nodig zijn tot zijn veroordeling, dan zal ik gaarne nog meer tegen hem aanvoeren”. Men verzocht hem dus terzijde te gaan staan. Hierop werd Bijgeloof geroepen en nu moest hij de gevangene aanzien. Men vraagde hem, wat hij in het belang van hun vorst tegen hem kon getuigen. Hij legde nu de eed af en begon: „Edele heer, ik ben niet bijzonder met deze man bekend en wens ook geen nadere kennis met hem te maken. Doch dit weetik,hij is een pest, want onlangs hoorde ik hem zeggen, dat onze godsdienst geheel waardeloos is en dat wij daardoor Gode niet kunnen behagen. Dit houdt natuurlijk in, dat alles wat wij doen, vergeefse pogingen zijn, dat wij nog in onze zonden zijn en eindelijk veroordeeld zullen worden. Dit is alles wat ik te zeggen heb”. Nu werd Plasdank beëdigd en hem werd gelast te zeggen wat hij tegen de aangeklaagde had in te brengen.

„Edele heren”, was zijn antwoord, „ik heb deze deugniet reeds geruime tijd gekend en ik heb hem dingen horen zeggen, die niet geoorloofd zijn, want hij heeft onze edele vorst Beëlzebul gesmaad en met minachting gesproken van zijn voorname vrienden, baron Oude Mens. baron Vleselijke Lust, baron Zoeker van ijdele Eer, baron Wellust en jonker Schraapzucht en andere leden van onze oude adel. Hij zeide, dat indien allen er over dachten zoals hij, niemand van die voorname lieden nog iets in dit land te zeggen zou hebben. Ook heeft hij niet geschroomd, edele heer, u, die nu als rechter over hem gezeten zijt, te lasteren en u een goddeloze en een booswicht te noemen. Al zulke namen paste hij toe op u en de voornaamsten van de stad”.

Toen Plasdank geëindigd had, keerde de rechter zich tot de gevangene met de woorden: „Gij vagebond, ketter en verrader, hebt gij gehoord wat al deze eerlijke mannen tegen u getuigen?” Getrouw vraagt: „Is het mij geoorloofd enige woorden tot mijn verdediging te zeggen?” Waarop de rechter kwam te antwoorden: „Kerel, kerel, gij verdient niet langer te leven en gij moest hier op deze plaats ter dood gebracht worden. Maar opdat allen overtuigd mogen zijn van onze goedwilligheid jegens u, zullen wij aanhoren wat gij, verachtelijke vagebond, in ’t midden hebt te brengen”.

„In antwoord op hetgeen Nijd getuigd heeft, heb ik”, zeide Getrouw, „dit te zeggen: Nimmer heb ik iets getuigd dan dat alle bepalingen, wetten of gewoonten, die in strijd zijn met het Woord van God, ook lijnrecht staan tegenover de christelijke godsdienst! Heb ik daaraan verkeerd gedaan, men overtuige mij van dwaling en dan ben ik bereidwillig mijn woorden te herroepen. En wat de andere beschuldiging betreft, die van Bijgeloof, ikheb alleen dit gezegd, dat oprechte godsvrucht niet kan bestaan zonder een levend geloof, en dat een levend geloof slechts gevonden wordt waar God Zijn genade heeft geopenbaard aan het zondaarshart. Alles wat aan de verering van God wordt toegedaan, zonder gegrond te zijn in Gods openbaring, berust op menselijke willekeur en kan niet van enig nut zijn voor het eeuwige leven.

En wat datgene aangaat, wat door Plasdank beweerd is, daar betuig ik (niet om te lasteren), dat de vorst dezer stad en allen, die hem toebehoren, meer geschikt zijn voor de hel dan voor deze stad en dit land, en voorts zij God mij genadig!”

Nu wendde de rechter zich tot de gezworenen, die gedurende al die tijd hadden geluisterd, en merkte op: „Mijne heren van het gerecht, gij ziet hier voor u deze man, die zulk een oproer in de stad verwekt heeft; ook hebt gij gehoord wat deze waarde heren tegen hem getuigd hebben en eveneens, wat hij hierop geantwoord en beleden heeft. Zijn leven hangt nu van u af, maar het komt mij billijk voor u nog eens met onze wet bekend te maken”.

Er staat Getrouw nog heel wat te wachten, hij kan zich wel op ’t ergste voorbereiden. De helse Leviathan doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij. En de zalf die daaruit voortkomt geeft aan de gehele beroering en verbittering nog een godsdienstig tintje om velen er door te misleiden. Maar Getrouw staat in de kracht van het geloof, dat roemt in de overwinning van Christus op hel, dood en graf.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.