+ Meer informatie

Vaderlandse Geschiedenis

5 minuten leestijd

De tocht naar Duinkerken (vervolg). Maurits, Willem Lodewijk en Hohenlo, het plan van Oldenbarnevelt en de andere „langrokken" gehoord hebbend, achtten dit zeer gevaarlijk.

Zeker, er was muiterij in het spaanse leger en zo meende men hierdoor zijn slag te kunnen slaan. Maar hoe spoedig kon zich dit herstellen.

En hoe zou Vlaanderenland zich houden: , als het leger daar doortrok?

Maurits noemde het plan roekeloos en Willem Lodewijk zei, dat op de victorie kortstondige blijdschap zou volgen. En bij een mogelijke nederlaag lag het land naar die kant geheel open voor de vijand.

Maurits en zijn medewerkers gaven de raad het zeer belangrijke 'Sluis te belegeren en na verovering het vlaamse land binnen te trekken.

Maar de Staten-Generaal, aangezet door Oldenbarnevelt, wisten het natuurlijk beter dan deze deskundigen en zetten door.

Willem Lodewijk zou in het Noorden, waar het nog altijd roerig was, de orde handhaven, Hohenlo bij Hemert de gelderse grens bewaken, terwijl prins Maurits de leiding van de tocht zou hebben. Maurits heeft als goed soldaat zich bij de opdracht neergelegd, zij het ook, dat hij zijn misnoegen aan de heren afgevaardigden van de Staten-Generaal (de z.g. Gedeputeerden te velde; Oldenbarnevelt was er ook bij) duidelijk liet blijken.

De voorbereiding begon. Op Walcheren werden 12000 man voetvolk, 3000 ruiters en 37 stukken geschut samengebracht. Deze zouden met 2800 vaartuigen naar Oostende, dat, zoals vroeger gemeld, in onze handen was, overgebracht worden. Vandaar zou men dan over land naar Duinkerken gaan.

Aan de bevolking van Vlaanderen werd een boodschap gezonden, dat men kwam om hen van de spaanse tyrannie te verlossen.

Helaas, de wind was tegen, zodat er van een overzeetocht niets kwam.

Toen stak Maurits de Schelde over en landde bij Philippine, teneinde zo, tussen Gent en Brugge door, naar Oostende te gaan.

Toen men dicht langs Brugge ging werd er op het voorbijtrekkende leger geschoten. Dat voorspelde bij een eventuele terugtocht niet veel goeds.

Op 21 Juni vertrokken, was men reeds de 30ste bij Nieuwpoort, dat belegerd werd. Ook deze plaats had een haven, waar de schepen het leger van het nodige konden voorzien.

Het merkwaardigste, beter gezegd het gevaarlijkste, was, dat men tot op dat moment niets van de vijand afwist!

Toen kwam de verrassing. Wat Maurits en zijn medewerkers altijd gevreesd hadden, waarvoor zij gewaarschuwd hadden, was geschied. Het was Isabella en Albertus gelukt hun muitende troepen tevreden te stellen. Isabella had haar juwelen er voor verpand. De troepen van Velasco, die aan de Maas lagen, werden met spoed opgeroepen en 28 Juni stond Mendoza, de veldheer van Albertus met 12000 man te Gent.

In snelle marsen ging het vijandelijke leger nu richting Nieuwpoort. De bedoeling was tussen deze plaats en Oostende in te schuiven naar de kust en ons leger af te snijden, zodat het niet terug kon. Maurits zag het grote gevaar. Toch nam hij rustig zijn maatregelen. Hij zond zijn neef Ernst Casimir (broer van Willem Lodewijk) direct naar de brug van Lef fingen om de vijand zo lang mogelijk op te houden en zelf zijn leger op te kunnen stellen. Onbegrijpelijk is het, dat men die brug niet tijdig had afgebroken.

Maar de verdediging van die brug was geen gemakkelijke taak. De vijand kwam met zijn totale macht opzetten en verraste onze soldaten. Deze werden uiteengejaagd. Wij hadden een verlies van niet minder dan 3000 man! Maurits ving de vluchtelingen handig op en dirigeerde ze naar de schepen. Zij mochten om begrijpelijke redenen niet bij de anderen komen.

Men zou verwachten, dat de Spanjaard nu doorstoten zou. Neen. Nog vreesden zij hun tegenstander, de knapste veldheer van zijn tijd, ook na de geleden verliezen zijnerzijds.

Er ontstond aarzeling bij de vijand en deze korte pauze gebruikte Maurits om zich op de komende slag in te stellen.

Beseffende de ernst van de toestand nam hij rustig zijn voortreffelijke maatregelen.

Ten eerste zond hij zijn schepen, die in de haven van Nieuwpoort lagen de zee op, teneinde te voorkomen,

dat zij tijdens de slag door de bezetting in brand zouden gestoken worden.

Frederik Hendrik wilde hij wegzenden met de vloot wegens het groot gevaar, dat ging dreigen. De jongeling smeekte hem te mogen blijven. Het werd hem toegestaan.

Het geschut werd op planken geplaatst om het wegzakken in het duinzand tegen te houden.

De manschappen werden met de rug naar zee geplaatst om geen last van de zon en de kruitdamp te hebben.

Ook zorgde hij voor ruiterijreserve onder bevel van de zeer bekwame Engelsman Francis Vere en graaf Lodewijk Gunther. Het is bekend, dat ook Napoleon later deze taktiek toepaste om de afgematte vijand de genadeslag' te geven.

Het is een hardnekkige worsteling gew T orden, die tot de avond duurde. Mendoza beging de fout al zijn troepen in het vuur te werpen en te verknoeien. Maurits werkte met zijn verse reserves. In een woedende charge werd de vijand over hoop geworpen, 't Heeft weinig gescheeld of Albertus was gevangen genomen; zijn paard en zijn wapenrusting althans viel in onze handen.

Mendoza werd als gevangene naar Oostende gevoerd. Toen de vijand verdwenen was steeg Maurits van het paard, dankte God en riep uit: „O, Heere, wat zijn wij, arme zondige mensen, dat Gij ons heden, tot eer en glorie van Uw Naam, zodanig geluk meedeelt; U zij de roem en dank tot in eeuwigheid."

Het was anders gegaan, dan Isabelia zich inbeeldde, toen zii sprak: „Mij gelust te zien hoe zich die van Nassau stellen zal, als hij voor mij gebracht wordt."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.