+ Meer informatie

Een vreedzame doper

Meoo Simons

11 minuten leestijd

Zijn naam leeft voort in die van de mennonieten. Menno Simons is voor hen de reformator bij uitstek. Een leven lang streed hij voor een heilige gemeente met een sobere, reine levenswandel. Desnoods afgedwongen door de kerkelijke ban. Christus was voor hem de ware Mozes, een strenge Wetsprediker, de nieuwe Wetgever. Het geloof van de reformatoren was hem te goedkoop. Portret van een vreedzame doper, vijf eeuwen na zijn geboorte.

Menno Simons, de voornaamste onder de oudste Doopsgezinden in ons land, ziet men vaak afgebeeld als een man op oudere leeftijd, met een grote hoed op het hoofd, gekleed in een eenvoudige wambuis met een bescheiden kraagje, met een puntbaard en een brede snor. De afbeelding is al oud. Ze dateert van 1677, maar toen lag Menno al meer dan honderd jaar in zijn graf Toch biedt de prent niet enkel fantasie. Menno was inderdaad een eenvoudig man die een bescheiden levensstaat voerde.
Bekijken wij de oude gravure wat nader, dan vallen twee dingen ons op. Allereerst de kruk onder Menno's linkerarm. Men verhaalt dat hij in zijn laatste levensjaren mank liep en zich alleen nog maar met een kruk kon voortbewegen. Dat moet heel wat geweest zijn voor de man die om zijn geloofsgetuigenis als een arme balling steeds op de vlucht was, en die bijna nergens rust en veiligheid vond, totdat hij ten slotte in de buurt van Lübeck, ver van Friesland, zijn vaderland, in zijn eigen tuin begraven werd.
Het tweede wat opvalt bij het bekijken van de oude prent is het boek dat Menno in zijn rechterhand heeft. Op de opengeslagen bladzijde lezen wij: „Geen ander fundament en mach geleyt worden dan dat geleyt is, namelyck Christus". Eronder staat een verwijzing naar 1 Corinthe 3. Deze tekst heeft inderdaad een rol gespeeld in Menno's leven. Hij kwam uit het pausdom, was priester geweest, en stelde sindsdien tegenover de roomse leer en ceremoniën Christus en de Bijbel. Het voornaamste boek dat hij geschreven heeft, heet "Fundamentboeck". Ook daarin beluisteren wij een zinspeling op genoemde tekst.

Gekleurd
Het is dit jaar vijf eeuwen geleden dat Menno geboren werd. Helemaal zeker zijn jaar en datum van geboorte niet, maar men houdt het erop dat het januari 1496 zal zijn geweest. Zijn geboorteplaats was Witmarsum. Naar men aanneemt -want ook die datum is niet geheel zeker- werd hij op 24 maart 1524 te Utrecht tot priester gewijd. Daarna was hij vicaris, te Pingjum. Enkele jaren later werd hij pastoor te Witmarsum, wat hij bleef tot januari 1536. Twaalf jaar heeft hij de kerk van Rome dus gediend als ambtsdrager. Toen kwam de breuk.
Wat in deze jaren in hem is omgegaan weten wij uit slechts één bron, namelijk Menno's eigen, latere mededelingen. Met name in zijn boek "Uyt gangh uyt 't Paus-dom". De moeilijkheid is echter dat Menno deze mededelingen nogal bijgekleurd heeft in zijn eigen voordeel. We noemen twee dingen. Als we Menno zouden moeten geloven, is hij geheel zelfstandig, alleen door het lezen van de Bijbel, tot het inzicht gekomen dat de paapse mis een gruwelijke dwaling is. De werkelijkheid is echter dat reeds allerwegen twijfel werd uitgesproken aangaande de roomse leer van een wezensverandering van brood en wijn in het avondmaal, en dat hij ook beslist met Luthers inzichten en optreden bekend moet zijn geweest. Vervolgens heeft Menno het in zijn levensverhaal doen voorkomen alsof hij nooit enige relatie zou hebben gehad met de revolutionaire wederdopers, die onder leiding van Jan van Leiden te Munster het Rijk van God meenden te realiseren. Er bestaan echter gegronde redenen om bij deze bewering een groot vraagteken te zetten. Pas op het laatste nippertje, toen het in Munster geheel fout ging, heeft Menno zich van de revolutionaire dopers gedistantieerd.

Menisten
Na eenmaal met de kerk van Rome gebroken te hebben, begaf hij zich naar Groningen. Daar werd hij door de doperse voorganger Obbe Philips gedoopt, dat wil zeggen herdoopt, en gelijk ook geordend tot oudste. Wat betekent dat hij ook zelf voortaan een voorganger onder de dopersen zou zijn. Hier in Groningen trouwde hij ook. Wij kennen alleen de voornaam van zijn vrouw: Geertruid. Meer weten we niet. Menno heeft bij haar op zijn minst een zoon en twee dochters gekregen. In 1558 of reeds eerder is Geertruid hem door de dood ontvallen.
Een leven van reizen en trekken ving aan. Gaan we na waar Menno zijn werkterrein heeft gehad, dan komen wij de namen tegen van plaatsen als Groningen, Leeuwarden, Emden, Keulen, Wismar en andere (Noord-)Duitse steden. Tal van dopers zijn in die tijd op gezag van de overheid gevangen genomen, gemarteld en terechtgesteld. Toch waren lang niet allen staatsgevaarlijk. Er waren onder hen vele stille en vreedzame mensen. Het is vooral Menno geweest die aan het vreedzame doperdom in ons land steun heeft gegeven. Men heeft wel eens gezegd dat hij er de redder van is geweest, na de ondergang van Munster in juni 1535. Niet zo zeer door zijn optreden, want hij was slechts af en toe in ons land, maar vooral door zijn talrijke geschriften. Zijn volgelingen noemden zich mennonieten ofwel menisten.

Verdeeld
Over de laatste levensjaren van Menno ligt een zware schaduw. De Broederschap, waaraan hij steeds zijn beste krachten had gegeven, raakte innerlijk verdeeld. Al vanaf het begin kende men in de doperse beweging een streng handhaven van de kerkelijke ban. De gemeente, zo stelde men, moet geheel zuiver gehouden worden.
De grote vraag was echter: Hoe ver gaan wij daarin? Er waren radicalen en minder radicalen. Daar komt bij dat algemeen aanvaard werd dat een gebannene moest worden gemeden door de andere leden van de gemeente. Dat gold ook voor een vrouw indien haar man onder de ban kwam te liggen, of omgekeerd. Men sprak in dat verband van huwelijksmijding, die in feite neerkwam op echtscheiding.
De zaak werd acuut toen in 1556 in Emden door de rigoureuze oudste Leenaart Bouwens om onbekende reden een mannelijk lid van de gemeente in de ban werd gedaan, en van diens vrouw, Swaen Rutgers, werd verlangd dat zij voortaan haar man zou "mijden". Maar Swaentje weigerde. Wat nu? Menno werd geraadpleegd. Ook hij was een voorstander van huwelijksmijding, doch slechts in de alleruiterste gevallen. Het jaar daarop vond te Harlingen een vergadering van oudsten plaats, waar de zaak besproken werd. Menno kreeg het zwaar te verduren. Men vond hem te slap. Er werd gekozen voor de harde lijn. Tegen zijn geweten ingaf Menno toe. Als een gebroken man keerde hij naar Duitsland terug.

Verbond
Hiermee kunnen wij het verhaal van Menno's levensloop beëindigen. Het gaat ons nu verder om zijn theologische inzichten. Menno was geen geleerde. In zijn geschriften vinden wij maar weinig diepgang en originaliteit. Toch is er grote invloed van hem uitgegaan binnen de doperse beweging in ons land. Steeds beriep hij zich op de Bijbel. Beter gezegd op de letter van de bijbel, waarbij we nog even in het midden laten in hoeverre dat terecht was of niet.
Menno's optreden was het meest herkenbaar aan zijn dooppraktijk. De kinderdoop is door hem fel afgewezen. Hij noemde die een "anti-christelijk gebruik", een gruwel, een afgod. De praktijk van de kinderdoop zou slechts naamchristendom tot gevolg hebben. Menno leerde dat men volwassenen moet dopen op hun geloof! Hij beriep zich hiervoor op de woorden van Christus: „Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende..." (Mattheüs 28:19) en: „Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden" (Markus 16:16). Om een nadere exegese van deze woorden van Christus bekommerde Menno zich niet. Hij hield het bij de letter. Maar is er dan niet een relatie tussen besnijdenis en doop? Zijn niet ook de kleine kinderen begrepen in Gods verbond? Menno maakt een diepgaand onderscheid tussen het Oude en Nieuwe Testament. Zo diep, dat hij een relatie tussen besnijdenis en doop miskent. Ook aangaande het verbond heeft hij een geheel eigen opvatting. Pas wanneer iemand zijn geloof belijdt om gedoopt te worden, spreekt Menno van een verbond. Niet voor niets noemden de dopers zich "bondgenoten". Gods verbond strekte zich volgens hen niet verder uit dan tot henzelf. Vandaar dat zij ook zo exclusief waren ten aanzien van andere christenen, niet alleen roomsen maar ook luthersen en gereformeerden. Voor de voorgangers van beide
groepen had Menno slechts aanduidingen als "Schriftgeleerden" en "brooddienaren".

Doopopvatting
We keren nog even terug naar Menno's doopopvatting. Die staat in het geheel van zijn theologische inzichten bepaald niet op zichzelf, maar vormt een wezenlijk onderdeel van zijn leer aangaande de toeëigening van het heil. Niet op wat God gedaan heeft en doet valt bij Menno de nadruk, maar veeleer op hetgeen door de mens gedaan moet worden. We ontkennen niet dat hij van "genade" wist en de vergeving der zonde kende, maar die staan in zijn denken toch niet centraal.
In zijn "Fundamentboeck" schrijft hij ten aanzien van de doop dat de gelovigen „nu voortaen niet meer na haer eygen wille, maar na Gods wille leven willen, dat se om dat getuygenisse Jesu bereydt zijn te verlaeten Huys, Goed, Landt, Lijf ende Leven, ende om dat selvige te lijden honger, ellende, druk, vervolgh, kruys ende doot, jae dat sy dat vleesch met sijnen lusten begeeren te begraven, ende met Christo op te staen in een nieuw leven."
Elke heenwijzing naar Gods belofte, die toch in de christelijke doop verzegeld wordt, ontbreekt in dit citaat. Maar men bedenke: De doop is bij Menno evenmin als het avondmaal een sacrament. De doop is wel een instelling van Christus, maar de betekenis ervan ontleent hij aan 's mensen belijdenis. Alles wordt gezet op de smalle basis van het goede voornemen van de dopeling. Die verklaart zich bereid tot... Daar komt het op aan! En in dat goede voornemen staan kruisdragen en lijden centraal. Wordt zo niet aan 's mensen kruisdragen een te hoge prijs toegekend?

Gemeentebegrip
De doop bij Menno brengt ons als vanzelf ook tot zijn gemeentebegrip. Het ging hem om een zuivere gemeente. We moeten daarbij in de eerste plaats denken aan een reine en onberispelijke levenswandel. We kunnen gerust zeggen dat het Menno meer ging om de heiliging dan om de rechtvaardiging. Hij spotte met het geloof der reformatoren. Hij plaatste kritische kanttekeningen bij hun leer van een rechtvaardiging door het geloof alleen. Luther zou volgens hem -wat een misvatting is- van goede werken niet hebben willen weten. Nu is het realiseren van een volstrekt heilige gemeente een moeilijke zaak. Ook Menno heeft dat ondervonden. Niet voor niets moest herhaaldelijk de ban eraan te pas komen.
Hij sprak ook veel over de "wedergeboorte". Meer dan over het "geloof'. Hij beschreef de wedergeboorte in termen van zware boetedoening. Zij moet worden gewekt door een strenge Wetsprediking. Christus heet bij Menno de ware Mozes, een strenge Wetsprediker, de nieuwe Wetgever. Gellius Faber, een van zijn reformatorische opponenten, heeft hem het verwijt gemaakt dat hij daardoor de mensen soms tot wanhoop en zelfs wel eens tot zelfmoord bracht. Faber kon dit weten want hij werkte in hetzelfde gebied waarin ook Menno heeft gearbeid.

Menswording
Een "dogma" van Menno dat bij Calvijn, BuUinger, A Lasco, Marten Micron, Guido de Brés en andere reformatoren heel veel ergernis heeft gewekt, betreft zijn leer aangaande de menswording van Christus. Menno ontkende dat de Zoon van God, als het eeuwige Woord, vlees en bloed van de maagd Maria heeft aangenomen. Neen, Christus zou Zijn vlees uit de hemel hebben meegebracht en als het ware door Maria zijn heengegaan. God zou Christus' Vader èn Moeder zijn, naar Zijn mensheid. Menno heeft het vlees van Christus zo ver mogelijk verwijderd willen houden van alle menselijk vlees, van de aardse werkelijkheid. Daardoor kwam hij in conflict met het oudkerkelijk belijden dat Christus niet alleen "waarachtig God" is maar ook "waarachtig mens".
Het is wel duidelijk: het boterde niet tussen Menno en de reformatoren. Er lag een diepe kloof Een klein voorval moge dat illustreren. In februari 1554 vond te Wismar in Duitsland een godsdienstgesprek tussen dopers en reformatorische theologen plaats, ten huize van een doper. Menno was ook tegenwoordig en speelde een leidende rol. Zijn belangrijkste opponent was Marten Micron. Het twistgesprek liep zo hoog, dat op een gegeven moment de dopers met hun ellebogen hun reformatorische tegenstanders de deur uitwerkten. Daarna ontstonden wederzijds boeken waarin de strijd werd voortgezet. Een van die boeken is Marten Microns "Waarachtig verhaal", geschreven in 1556, maar herdrukt te Leiden in 1981. De inhoud is dus blijkbaar nog steeds van belang en actueel. De strijd met doperse beginselen gaat nog steeds voort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.