+ Meer informatie

WOORD EN KERK

5 minuten leestijd

2.

We zouden naar aanleiding van de verschijning van het boek Woord en Kerk nog iets willen zeggen over de Theologische Hogeschool.

Er is in de loop der jaren heel veel veranderd. We denken terug aan de tijd toen er nog docenten aan de school verbonden waren. Wanneer zij in een gemeente het Woord bedienden, was er blijdschap. Zij spraken naar het hart van Gods volk en worden nog door de ouderen met hoge achting genoemd. Het wetenschappelijk peil stond toen op school niet zo hoog, maar er werden mannen gevqrmd, die in alle eenvoudigheid de kerk gediend hebben. Toen stond de praktijk der godzaligheid op de voorgrond.

Voetius stelde al, dat wetenschap en godsvrucht met elkaar verbonden moeten worden, maar het juiste evenwicht tussen beide blijkt in de praktijk erg moeilijk te zijn. Niet onmogelijk, want ook in vroeger eeuwen zijn er godgeleerden geweest, die van God geleerd waren. Het ideaal is en blijft dus wetenschap verbonden met godsvrucht, waarbij de laatste eerste vereiste is.

De theologische school was vroeger een opleidingsschool voor toekomstige predikanten. Dat is zo gebleven, maar het aksent is verlegd. Nu doceren wetenschappelijk gevormde mannen. De school is een hogeschool geworden. Er kunnen studenten worden ingeschreven, die niet door het curatorium zijn toegelaten om opgeleid te worden voor het ambt van dienaar des Woords. Er kunnen zelfs personen, die tot een ander kerkverband behoren, tot de studie aan de hogeschool worden toegelaten. We horen al stemmen, die het opnemen voor de toekenning van het promo tierecht.

We kunnen ons enerzijds in deze ontwikkeling wel vinden, omdat een gedegen opleiding vooral in deze tijd noodzakelijk moet worden geacht. Maar anderzijds vinden we deze ontwikkeling geen winst. Er is sprake van grote achteruitgang of, wilt ge, van een groot verlies. Waar blijven de mannen, die evenals weleer in alle eenvoudigheid het Woord bedienen en ingang vinden bij Gods volk?

Er is behoefte aan zulke dienaren. Een hoogwetenschappelijke opleiding geeft geen waarborg, dat in deze behoefte wordt voorzien. De praktijk leert het tegendeel. Dat moet met grote zorg vervullen.

Met een wetenschappelijke opleiding zijn we er niet. Als men toegerust is met wetenschap wil dat nog lang niet zeggen, dat men van God geleerd is. We hebben de indruk, dat naar mate de opleiding wetenschappelijker werd de godsvrucht steeds meer op de achtergrond is gekomen. De prediking is anders geworden. De gemeenten worden anders bearbeid. Het oude heeft afgedaan. Dat is gelukkig nog niet overal het geval. Zo hier en daar zijn er nog gemeenten met dezelfde grondslag als vroeger, maar we zien op vele plaatsen de bedenkelijke gevolgen van een eenzijdige wetenschappelijke instelling. En zij, die door de Heere Zelf onderwezen worden op de Hogeschool des Geestes, horen geen prediking meer als weleer, waarbij de Heere verhoogd wordt en de zondaar vernederd. Hier zou natuurlijk meer van te zeggen zijn, maar we willen dat niet doen. Het gaat er ons in dit verband alleen om te wijzen op de nood van de kerk.

We juichen dus een goede wetenschappelijke opleiding toe. Daar heeft de kerk behoefte aan. Maar we willen ook benadrukken, dat de kerk behoefte heeft aan godvruchtige mannen, die de Heere wil gebruiken in Zijn wijngaard. Kunnen zij een wetenschappelijke opleiding volgen, dan is van belang, dat dit ook gebeurt. Maar de weg tot het predikambt moet open blijven voor hen, die niet op een gewone school een vooropleiding hebben genoten en toch door de Heere tot het ambt worden geroepen. Deze mogelijkheid is er nog en dat blijve zo.

De studenten hebben echter ook een praktische vorming nodig. Wordt daarmee wel voldoende rekening gehouden? In 1956 stelde het curatorium aan de Generale Synode op praktische gronden voor de studie in de theologie aan de school met een jaar te verlengen. De toenmalige rektor heeft dit voorstel ter synode toegelicht. Drie jaar — aldus de rektor — wordt niet voldoende geacht, omdat

1. in onze tijd hogere eisen gesteld moeten worden dan vroeger, gezien de toename van de algemene ontwikkeling en de veranderingen in de wereldsituatie; de studietijd aan de School bleef nog steeds gelijk; het tijdgebrek remt de rustige studie en vooral de bezinning op hetgeen bestudeerd wordt;

2. de studenten over het algemeen jonger zijn dan vroeger, terwijl toch een zekere geestelijke rijpheid nodig is;

3. er meer tijd beschikbaar moet komen bijzonder voor de geestelijke en praktische vorming der studenten, zodat deze uitbreiding niet allereerst bedoeld is om het wetenschappelijk peil van de studie op te voeren, maar om des te beter te kunnen beantwoorden aan het doel: de vorming van dienaren des Woords in de Chr. Geref. Kerken.


Het voorstel werd met algemene stemmen aangenomen en de synode besloot, gehoord de overwegingen van het Curatorium, op praktische gronden de studie in de theologie aan de Theologische School met één jaar te verlengen. Zie de Akta van 1956, art. 39.

De school moet dus wetenschappelijk opleiden en praktisch vormen. Wanneer beide punten tot hun recht komen is er verwachting. Vooral dat laatste, de praktische vorming, moet de volle aandacht hebben. En dan, niet te vergeten, het onderzoek naar roeping en genadestaat moet nauwgezet zijn. Wanneer deze ontbreken kan geen school er een rechte dienaar des Woords van maken. We kunnen hiervoor verwijzen naar de artikelen van Ds. Van der Ent in dit blad. Het gaat om het welzijn van Sion, de opbouw van de kerk en de verheerlijking van Gods naam.

Tenslotte willen we wijzen op wat de Heere Jezus gezegd heeft: bidt de Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.