+ Meer informatie

VROUWEN IN DE DIENST = VROUWEN IN HET AMBT? *

11 minuten leestijd

Het begin en het einde van een studie

Er behoeft geen bekendheid meer gegeven te worden aan de studie van de groep Utrechtse theologen die in 1983 verschenen is. Deze publikatie heeft de aandacht getrokken en discussie opgeroepen. De schrijvers zullen wel verwacht hebben, dat er ook in „Ambtelijk Contact” op ingegaan zou worden.

De dienst waarover het gaat, is de ambtelijke dienst in de kerken. Het woord vooraf zegt zonder omwegen, dat het woord „ambt” de inzet van de studie en het uitgangspunt van de werkzaamheden was: „Onze zoektocht door het bijbels getuigenis begint bij een vraag uit onze eigen tijd”.

Daar is op zichzelf niets tegen. De vijf auteurs die hun namen aan deze studie verbonden hebben, beseffen dat het risico bestaat, dat men in de Bijbel een bevestiging zoekt van een eigen opvatting. Wie er een voorstander van is, dat ook vrouwen in het kerkelijk ambt zullen kunnen dienen, loopt dat gevaar, maar wie er bezwaar tegen maakt, ontkomt er ook niet aan.

In een „uitleiding” staat de conclusie, dat er in het Nieuwe Testament wel een terughoudendheid is met betrekking tot de positie van de vrouw in de gemeente, zowel in de feitelijke deelname aan bepaalde diensten als ook in de woorden van de apostel Paulus. Maar die terughoudendheid is te plaatsen tegen de achtergrond van de situaties in de verschillende nieuwtestamentische gemeenten en hun culturele omgeving. Waar de gronden voor zulke terughoudendheid veranderen, mogen wij als gemeenten van Christus niet blijven leven bij een onevangelische situatie door vrouwen te weren uit de ambten in de gemeente.

Met betrekking tot de opvattingen over het ambt is er reformatie gekomen, toen de tijd er door God rijp voor was gemaakt om weer te gaan leven op de toonhoogte van het evangelie. „Zal er in onze tijd misschien ook zo’n rijpheid gevonden kunnen worden?” We kunnen deze vraag aan het einde moeilijk anders lezen dan als een suggestie, waarmee men wil zeggen, dat de tijd er wel eens rijp voor zou kunnen zijn.

Enkele hoofdlijnen

Het hoofdstuk over de Schrift loopt uit op een samenvatting: „Het woord van de Schrift is een kleed. In dat kleed zitten plooien die meekomen zonder dat ze zozeer te maken hebben met de vorm die het kleed zowel omhult als openbaart. Eerst moet de vorm of de persoon die het kleed draagt, gekend worden. Dan pas kan misschien begrepen worden waarom bepaalde plooien hangen zoals ze hangen”.

Een gelukkig en duidelijk beeld lijkt mij dit niet. In de verbinding „zowel omhult als openbaart” krijgt het eerste woord bijna de betekenis van verbergen, terwijl het op zichzelf niet meer zeggen wil dan omgeven. En is er iets in de Heilige Schrift waarvan men denken kan: Dat zijn maar plooien?

Wil iemand een beeld gebruiken, dan is dat van de cirkel beter. Een cirkel heeft een middelpunt en een omtrek. Maar er is van elk punt van de omtrek een lijn te trekken naar het middelpunt.

Na deze opmerking over de Utrechtse beeldspraak trachten we het betoog van de studie te volgen.

Het is een opmerkelijk feit, dat de Bijbel geen speciaal woord heeft voor het kerkelijk ambt. De algemene aanduiding is dienst (diakonia). De Heiland heeft zelf gezegd: Maar Ik ben in uw midden als dienaar. Door de Geest van Christus wordt de gelovige in dienst genomen met het charisma dat hij of zij ontving.

In het werk van de Geest is aan de orde, wat wij te ervaren krijgen van het heil van God in Jezus Christus. Hier is te wijzen op de grote betekenis van Handelingen 2: 17-21 en Galaten 3: 26-28. In Handelingen gaat het over zonen en dochters, jongelingen en ouden, dienstknechten en dienstmaagden; in Galaten staat: Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus.

Deze nieuwe stand van zaken zal vrucht dragen in de gemeente, waarin elk lid een functie heeft (Rom. 12: 4-8; 1 Kor. 12: 12-31). De charisma’s of genadegaven zijn gegeven om er anderen mee te dienen.

Bepaalde charisma’s en de daarop gebouwde diensten vinden openlijk erkenning. Er moet het een en ander geregeld worden. Twee functies vooral hebben blijkens de Pastorale Brieven een vaste plaats gekregen in de gemeenten waarover de zorg van Timotheüs zich uitstrekt: die van opziener of oudste en die van diaken. Ook speelden weduwen een eigen rol in de opbouw van de gemeente.

In het hoofdstuk over vrouwen in de Bijbel wordt herinnerd aan het feit, dat de Here Jezus door vrouwen werd gevolgd en dat uitgerekend vrouwen de opdracht kregen om te getuigen van zijn opstanding. In Romeinen 16: 1, 2 lezen we iets over Phebe, de dienares van de gemeente te Kenchreae. Men kan ook vertalen: de diacones van de gemeente. De studiegroep zegt: we moeten wel degelijk aan een vrouwelijke diaken denken. Overigens wordt erkend, dat het aandeel van de zusters in de werkzaamheden in de kerk vergeleken met de broeders misschien relatief gering was.

Verder wordt aandacht besteed aan bijbelse gegevens als het onderdanig zijn van de vrouw aan haar man en het hoofd zijn van de man.

Het zwijggebod voor de (gehuwde) vrouw (1 Kor. 14: 34-36) kan het beste betrokken worden op het gemeentegesprek, het beoordelen van profetie, het deelnemen aan discussies, het uiten van kritiek en het stellen van vragen. Ook in 1 Timotheüs 2:12 gaat het over discussies over bepaalde zaken in de gemeente.

Wat ontbreekt

Het ambt heet een geordende dienst - in wezen niet anders dan elke andere dienst. Als het een en ander geregeld moet worden, is dat om wanorde te voorkomen. Wanneer bepaalde geordende diensten nodig zijn, moeten ze er komen.

Welk gezag is aan deze ambten of geordende diensten te ontlenen? De ambtsdrager treedt uit de rijen van de gemeenteleden om tegenover hen te gaan staan.

Wel wordt nog gezegd, dat Christus en niet de gemeente het handelend onderwerp is achter de ambten, maar datzelfde geldt volgens de studiegroep van alle andere diensten. We constateren, dat het ambt hier uit de gemeente opkomt. De ambtsdrager treedt uit de rijen. Er had moeten staan, dat de ambtsdrager uit de rijen van de gemeenteleden geroepen wordt. Van gaven voor de dienst horen we wel, gaven die ieder in de gemeente ontvangen heeft, zij het in grote verscheidenheid. Over de roeping tot het ambt gaat het niet.

Maar de grote vraag is niet, of er vrouwelijke leden van de gemeente zijn die gaven hebben voor een ambt - wie zou dat ontkennen? Er zijn ook broeders met gaven, die er toch niet toe geroepen worden. Een charisma is wel een vereiste voor het ambt, maar het geeft nog geen recht op het ambt. Bekwaamheid en bevoegdheid zijn twee.

De apostelen werden geroepen en de oudsten aangewezen (Hand. 14: 23) of aangesteld (Tit. 1: 5). De Pastorale Brieven zeggen, waaraan opzieners of oudsten en diakenen moeten voldoen. Maar hangt deze aandacht voor „geordende diensten” samen met een toenemende vatbaarheid voor de gevaren van dwaalleer en oppervlakkigheid?

Men onderschat het belang van deze brieven dikwijls en „Utrecht” doet dat ook. We hebben met apostolische voorschriften te maken, met instructies die juist na het heengaan van de apostelen van grote betekenis zullen zijn voor het kerkelijk leven.

Van een beknopte studie kan men niet alles verwachten. Toch is het een manco, dat niet meer gezegd wordt over de volmacht die bij het ambt hoort, de bevoegdheid die eraan verbonden is en de verantwoordelijkheid die ermee gegeven is. Dan zou opnieuw blijken, dat „ambt” meer inhoudt dan „dienst”.

Wat we overhouden, wanneer we ons door de Utrechtse theologen laten leiden, is wel een geordende en openlijk erkende dienst, maar het is een ander ambt dan wij nu hebben. Daarbij behoeft men dan ook niet zoveel gewicht te hechten aan het drietal ambten dat we hebben. Vanuit de gemeente gezien kunnen ook andere diensten of functies gewenst zijn!

Nu weet iedereen wel, dat dienaren van het Woord, ouderlingen en diakenen nergens in de Bijbel op dezelfde wijze naast elkaar staan als in onze kerkorde. Toch kunnen we ons voor dit drietal ambten op de Schrift beroepen.

De vormgeving van het kerkelijk leven, zoals wij daar nu aan gewend zijn, komt inderdaad door de lange sluis van de geschiedenis heen uit de Bijbel vandaan. Ongetwijfeld mag de vraag gesteld worden, of de vrouwen in de ontwikkeling voldoende meegekomen zijn. Er zijn aanwijzingen voor dat de vrouwen in de nieuwtestamentische gemeenten een grotere plaats innamen dan later dikwijls het geval geweest is.

Wat heeft ons dat te zeggen?

Wanneer wij dat eerlijk onder ogen hebben te zien, ontslaat dat ons niet van de verplichting om serieus rekening te blijven houden met de terughoudendheid waar de Utrechtse studiegroep aan het einde zelf over spreekt.

Maar dat gebeurt juist veel te weinig bij de verklaring van enkele Schriftplaatsen die in geding zijn (1 Kor. 12: 34-36 en 1 Tim. 2: 8-15). Dan schijnt het, dat de gronden voor de terughoudendheid alleen met de situatie van vroeger samenhangen.

Natuurlijk moeten we een tekst verstaan in zijn verband en letten op de achtergrond. Maar het gaat niet aan om bij de woorden „zoals ook de wet zegt” (1 Kor. 12: 34) vijf mogelijkheden op te sommen, waaronder de Romeinse wet en de Joodse voorschriften, en met de opmerking, dat het niet goed duidelijk is, waarop Paulus precies doelt, aan de wet voorbij te gaan. De apostel verwijst zeker naar een norm die God gaf en niet naar een menselijke wet of norm. In verband met 1 Timotheus 2: 13 en 14 zal te denken zijn aan de eerste hoofdstukken van Genesis, die ook Thora (onderricht of wet) zijn.

De veelbesproken woorden van 1 Timotheüs 2 zouden neerkomen op: niet deelnemen aan de discussies over al die dwaalleer en niet op de voorgrond treden ten koste van anderen.

Maar zowel de tegenstelling tussen zich laten onderrichten en onderricht geven als andere details worden daarbij verwaarloosd. Bovendien wordt de motivering van Paulus typisch Joods en rabbijns genoemd, zonder dat men oog heeft voor het motief van de apostel: de plaats die God van het begin af aan de vrouw in haar verhouding tot de man heeft toegekend.

Vrouwen in de dienst - ja, maar hoe?

Als vrouwen geen ambtsdragers kunnen worden, is het dan een onevangelische situatie, waarbij de gemeenten van Christus niet mogen blijven leven?

Nu er in het Nieuwe Testament zelf een „terughoudendheid” bestaat, had de Utrechtse studiegroep zich wel voorzichtiger mogen uitdrukken.

Omgekeerd moet men zich ervoor wachten, de auteurs van „Vrouwen in de dienst” het verwijt te maken, dat zij zich niet door de Schrift willen laten leiden.

Men kan m.i. wel zeggen, dat deze studie eenzijdig was.

Het is goed, dat erop gewezen is, dat het heilsfeit van Pinksteren en de woorden van de apostel in Galaten 3 consequenties hebben voor de verhouding van mannen en vrouwen in de gemeente en voor de positie van de vrouw in de kerken. Geen achterstelling van de vrouw!

Het laat zich begrijpen, dat er in deze tijd vragen opkomen. Waarom staan vrouwen dan achter bij mannen, als het om het ambtelijk dienen in de gemeente gaat? Waarom hebben zij geen volwaardige plaats in de gemeente? Is dat geen discriminatie?

Hierop zou ik willen antwoorden, dat men de vragen zo niet moet stellen. Er is een geestelijke orde, die de Here ons in zijn Woord geopenbaard heeft (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 30).

Daar valt onder, dat het de opdracht van de ouderlingen is, samen met de dienaren van het Woord opzicht te hebben over de gemeente, terwijl het de opdracht van de diakenen is, samen met de predikanten en de ouderlingen zorg te dragen voor de gemeente.

Onder leiding van de ambtsdragers moeten de gaven van de broeders en zusters die niet geroepen worden tot een ambt, tot hun recht komen. Er kunnen van hen ook allerlei initiatieven uitgaan, al blijft de kerkeraad verantwoordelijk voor het geheel.

Er is wel meer mogelijk dan gebruikelijk is.

Het gaat erom dat de gemeente een gemeenschap zal zijn van gelovigen, die met de hun verleende gaven in dienst van de Here staan en elkaar dienen in liefde. Aan deze dienst hebben zich altijd veel vrouwen gewijd.

Het is niet nodig in de gemeente vooraan te staan of leiding te geven om naar het apostolisch woord (1 Kor. 15: 58) te allen tijde overvloedig te zijn in het werk des Heren, wetende dat de arbeid niet vergeefs is in de Here.

* N.a.v. Vrouwen in de dienst. Bijbelse studie naar de diensten in de christelijke gemeente en de plaats van de vrouw daarbij. Uitgegeven door de Studiegroep van de Chr. Ger. Theologen te Utrecht. 80 blz., 1983. Tebestellen door overmaking van f. 6,50 op giro 54694 69 van J.M. Baaij te Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.