+ Meer informatie

Voorbede voor hen die afdwaalden

5 minuten leestijd

Enige tijd geleden heb ik een artikel geschreven over de voorbede in onze kerkdiensten. Op één onderwerp uit dat artikel wil ik graag nog eens apart terugkomen. Het gaat over hen die de kerk verlaten hebben. Onwillekeurig denk je dan vooral aan jonge mensen, die niet komen tot het doen van belijdenis, in plaats daarvan zich van de kerk afkeren en — in elk geval voor het oog — breken met God en Zijn dienst. Intussen hebben we te bedenken dat het gerekend over een groter aantal jaren niet alleen maar om jonge mensen gaat. De jongeren van twintig jaar geleden behoren nu zelf tot een oudere generatie; wel niet de oudste, maar toch ook niet meer de jongste.

Heeft de kerk nog verantwoordelijkheid voor deze mensen? Kerkrechtelijk gezien hangt dat af van de vraag in hoeverre deze mensen nog als dooplid bij de kerk behoren. Zolang die band er nog is, kan geen kerkeraad doen alsof ze niet meer ingeschreven zijn. Ik weet uit ervaring hoe moeilijk het is zulke doopleden ambtelijk te bearbeiden. Daarover gaat het nu niet. Evenmin over de vraag hoe men moet handelen, wanneer zij blijk geven op geen enkele wijze meer met de kerk te willen meeleven noch er iets mee te maken willen hebben.

Er blijft echter voor mijn besef in elk geval de taak van de voorbede. Ik heb geen gegevens over de trouw van de kerk in de voorbede voor deze mensen. Uit enkele gesprekken heb ik wel eens de indruk gekregen dat dit niet zo geweidig leeft in de kerken. Het kan heel goed zijn dat de gesprekken die ik daarover meemaakte, niet maatgevend zijn voor heel het kerkelijke leven. Het lijkt me in elk geval goed op dit punt de aandacht te vestigen.

Ik weet dat er ouders zijn die het juist in de kerkdienst er soms moeilijk hebben, dat hun kinderen daar missen. Als ze aan hun kinderen — of een van hen — denken, moeten ze eraan denken dat die helemaal niet naar de kerk gaan. Welnu, zowel voor de kinderen zelf als voor de ouders moet in de samenkomsten van de gemeente gebeden worden.

Voor de kinderen in de eerste plaats. Het gaat om mensen die het teken van het verbond hebben ontvangen, doch dat verachten. Van God uit gezien is er de belofte dat zij erbij mogen behoren. Zij zelf wijzen die belofte af en leven er aan voorbij — al of niet in onverschilligheid. De kerk mag er geen vrede mee hebben, dat dit zo is. Zij stuit in de gesprekken op harde onverzettelijkheid. Zij kan door de muur niet heenbreken.

De kerk heeft echter een wapen, waarvan de kracht niet te meten is. Dat is de voorbede. Zij zal smart erover moeten hebben dat kinderen van het verbond zonder God door het leven gaan. Voor deze mensen is gebeden in het uur van hun doop. Toen heeft de gemeente met de ouders Gods aangezicht gezocht. Mag de kerk daarmee ophouden, als ze ziet dat deze mensen zich afkeren? Dat mag nooit het geval zijn. Dan des te meer heeft de kerk voor zulke mensen God te bidden.

Hier zal de kerk trouw en geduld, volharding en liefde moeten betonen. Ik erken dat het veelal niet mogelijk is om namen apart te noemen — op zichzelf is het ook niet bij voorbaat onmogelijk. Doch ook zonder dat namen genoemd worden, kan de kerk al de doopleden die zich van haar en — wat nog erger is — van de Here God afkeren, in haar gebed betrekken. Te vrezen valt dat dit er in de loop der jaren steeds meerderen zijn. Als men in een gemeente eens zou gaan opschrijven wie zoal met de dienst van God gebroken hebben, zou men hier en daar tot ontstellende resultaten komen.

Ook voor de ouders van deze mensen moet gebeden worden. Er kan christenouders geen groter verdriet overkomen, dan dat hun kinderen niet gaan in de wegen des Heren. Ouders zoeken het beste voor hun kinderen. Niets gaat uit boven een leven in de vreze des Heren. We mogen aannemen dat ouders als hun kinderen nog jong zijn, reeds vragen dat dezen in Gods wegen zullen gaan. Dat gezins-gebed is het gevolg van wat bij de doop gebeden wordt. Dan te moeten zien dat de kinderen Gods wegen verlaten, is een bittere ervaring.

Juist met deze leden van de gemeente moet meegeleefd worden. Dat kan eigenlijk niet beter dan door samen zondags voor hen die afdwaalden te bidden.

Het is met deze voorbede als met andere zaken uit de voorbede. Het moet niet elke zondag in precies dezelfde bewoordingen en op precies dezelfde plaats in het gebed gebeuren. Dan krijgt het iets plichtmatigs. Het kan best eens voorkomen dat er een zondag aan deze nood niet gedacht wordt.

Doch het moet wel regelmatig gebeuren. Daarop zou ik willen aandringen bij allen die in de dienst der gebeden hebben voor te gaan.

Het zou ook goed zijn, als er op een kerkeraadsvergadering eens apart over gesproken werd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.